Bent U bereid een slaaf te zijn? (8)

 

Wat jezus van ons verwacht. Dienen

Niets blijkt duidelijker uit het Nieuwe Testament dan dat de Heer Jezus van ons verwacht, dat we de lage plaats van dienstknechten innemen. Dit is niet maar een bijkomstige verplichting, die we al of niet op ons kunnen nemen naar­dat het ons belieft. Het is juist de kern van die nieuwe be­trekking, waarin de discipel moet staan tegenover God en zijn medemensen, indien hij gemeenschap met Christus en een zekere mate van heiligheid in zijn leven wil ervaren.

Dienen vereist verbrokenheid

Wanneer we begrijpen, dat om werkelijk dienstknechten te zijn, we ons moeten vernederen en van onszelf moeten ontdoen, dan wordt het duidelijk, dat alleen zij die onder de schaduw van het kruis willen leven, deze plaats zullen innemen. Ons voorbeeld zal dan steeds de nederigheid en de verbrokenheid van de Heer Jezus moeten zijn.

Drie dingen

Nu wij dit onderwerp en de persoonlijke toepassing ervan tot in de kleinste dingen van ons leven benaderen, moeten we eerst drie dingen daaraan vooraf laten gaan om ons de nederige plaats, die Hij wenst, dat wij zullen innemen, te helpen verstaan.

In het Oude Testament worden twee soorten dienstknech­ten genoemd: de huurlingen, dat zijn zij die voor loon wer­ken en bepaalde rechten hebben, en de slaven, die geen rechten hebben, geen loon ontvangen en zich op niemand kunnen beroepen. Het was aan de Hebreeën nooit geoor­loofd uit hun eigen volksgenoten slaven te .maken. Alleen uit de heidenen mochten zij slaven nemen. Komen wij echter aan het Nieuwe Testament, dan zien wij, dat in het Grieks het woord voor ‘dienstknecht van de Heer Jezus’ niet is “gehuurde knecht”, maar “slaaf”, waarmee bedoeld wordt, dat onze plaats van dien aard is, dat we geen rechten hebben en ons op niemand kunnen beroepen, maar het onvoorwaardelijk eigendom zijn van onze Meester en dat Hij met ons kan handelen en over ons beschikken, zoals Hij wenst.

Verder zullen we nog duidelijker zien wat onze plaats is, wanneer we begrijpen, dat we de slaven behoren te zijn van Hem, die zelf slaaf wilde zijn. Niets laat ons duide­lijker zien tot welk een diepte de Heer Jezus ‑ wiens sla­ven wij behoren te zijn ‑ Zich heeft vernederd, dan dat gedeelte waarin we lezen dat Hij, hoewel in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar zichzelf heeft ontledigd en de gestalte van een slaaf heeft aangenomen, zonder rechten, en bereid om behandeld te worden naardat de wil des Vaders en de boosheid van de mensen over Hem besloten, als Hij daar­door slechts de mensen zou kunnen dienen en tot God terugbrengen. (Phil. 2:6, 7).

En u en ik behoren slaven te zijn van Hem, die een slaaf was en dat nog altijd is, wiens gezindheid altijd bestaat in nederigheid en die zich steeds nederbuigt om Zijn schepselen te dienen. Wat is onze ware plaats dan toch uiterst gering! Hoe duidelijk zien we hier, wat het betekent geregeerd te worden door de Heer Jezus.

Dit brengt ons nog een stap verder. Dat wij slaven zijn van de Heer Jezus, moet daarin tot uitdrukking komen, dat wij ook slaven zijn van onze medemens. Paulus zegt: “Wij pre­diken niet onszelf, maar Christus Jezus, als Heer, en ons­zelf als uw slaven om Jezus wil”.

Dienen van de ander en onze gemeenschap met God

Onze nederige plaats ten opzichte van de Heer wordt door Hem beoordeeld naar de lage plaats, die wij met betrekking tot anderen innemen. Zijn wij niet bereid om anderen te dienen en een houding van nederigheid te tonen, wat het ook kost, dan be­schouwt Hij dat alsof we niet bereid zijn Hem te dienen, en daardoor stellen we onszelf buiten de gemeenschap met Hem.

Toepassen op ons leven

We kunnen dit alles nu veel meer persoonlijk toepassen op ons eigen leven. Enige tijd geleden sprak God tot mij door Lukas 17:7‑10: “Wie van u zal tot zijn slaaf, die voor hem ploegt of het vee hoedt, als hij van het land thuiskomt, zeggen: “Kom terstond hier aan tafel zitten?” Zal hij niet veeleer tot hem zeggen: Maak mijn maaltijd gereed, schort uw kleren op en bedien mij, tot ik klaar ben met eten en drinken, en daarna kunt gij eten en drinken? Zal hij de slaaf soms danken, omdat hij deed, wat hem bevolen was? Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt, wat u be­volen is, zeggen: wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen.

Hier vinden we vijf kenmerken van de slaaf. In de eerste plaats dat hij er gaarne in moet toestemmen, dat hem het één na het ander wordt opgedragen zonder hem de ge­legenheid te geven zich ook maar een ogenblik te beden­ken. Na een dag van zware arbeid op de akker, moest de slaaf uit de gelijkenis dadelijk het avondeten voor zijp meester bereiden en bovendien hem bedienen ‑ en dat alles alvorens hijzelf iets mocht nuttigen. Hij deed het eenvoudig zonder iets anders te verwachten. Hoe weinig zijn wij hiertoe geneigd! Wat komt er spoedig ontevreden­heid en bitterheid in ons hart, wanneer men iets dergelijks van ons verwacht. Maar zodra wij beginnen te mopperen, doen we alsof we ergens recht op hadden, en een slaaf heeft in ‘t geheel geen rechten!

Ten tweede moet hij geen dank willen verwachten. Hoe vaak dienen we anderen, terwijl we in ons hart medelijden met onszelf hebben, en onszelf beklagen, omdat men onze dienst beschouwt als iets vanzelfsprekends, zonder ons er­voor te bedanken. Maar een slaaf moet hiermee genoegen willen nemen. Gehuurde knechten kunnen nog wel iets verwachten, maar slaven niet.

En ten derde moet hij, na dit alles gedaan te hebben de ander niet beschuldigen van zelfzucht. Toen ik dit gedeelte las, vond ik dat de meester nogal zelfzuchtig en onattent was. Maar van de kant van de slaaf lezen we niets van zo’n beschuldiging. Het is zijn werk om de belangen van zijn meester te behartigen zonder hem van zelfzucht of wat dan ook te beschuldigen. Maar wij? Wij kunnen het wel­licht over onze kant laten gaan als anderen te veel van ons vergen en willen er desnoods genoegen mee nemen dat men ons niet bedankt voor hetgeen we doen. Maar tegelijkertijd beschuldigen we de ander in ons hart toch van zelf­zucht! Maar dit is niet de houding van een slaaf.

We moeten echter nog een vierde stap doen. Wanneer wij dit alles gedaan hebben, is er geen reden voor trots of zelf­ingenomenheid, maar we moeten erkennen, dat we onnutte dienstknechten zijn, dat wil zeggen dat we in onszelf van geen werkelijk nut kunnen zijn voor God of mensen. We moeten steeds weer belijden, dat “in mij (dat is in mijn vlees), geen goed woont’, dat wanneer wij zo gehandeld hebben, wij ‑ met ons van nature trots en weerspannig hart ‑ geen dank verdienen, maar dat alleen de Heer Jezus, die in ons woont en ons daartoe heeft bereid gemaakt, dank toekomt.

Bij de vijfde en laatste stap blijft er van ons eigen ik hele­maal niets meer over ‑ de erkenning van het feit, dat we bij hetgeen wij in ootmoed en nederigheid hebben verricht en verdragen niets meer dan onze plicht was.

God heeft de mens in de eerste plaats hiertoe geschapen, dat hij Gods slaaf zou zijn. De zonde van de mens heeft slechts hierin bestaan, dat hij weigerde de slaaf van God te zijn. Der­halve kan zijn herstel hem slechts terugbrengen in zijn positie van slaaf. Een mens kan het zich dus helemaal niet als iets bijzonder verdienstelijks aanrekenen, wanneer hij er in toestemt die plaats in te nemen, want juist daartoe werd hij geschapen en verlost.

Dit is dus de weg van het kruis.

Het is de weg, die Gods nederige Slaaf eerst voor ons heeft betreden, en zouden wij ‑ die op onze beurt weer slaven zijn van die Slaaf­ - die weg dan niet betreden? Schijnt deze weg naar beneden ons moeilijk en onaanlokkelijk toe? Wees ervan verzekerd, dat het de enige weg naar boven is. Het was de weg, waar­langs de Heer Jezus de troon bereikte, en het is evenzeer voor ons de weg, waarlangs wij de plaats kunnen bereiken waar we vrucht kunnen dragen en geestelijke kracht op­doen.

Zij, die dit pad betreden, zijn stralende, gelukkige mensen, overvloeiende van het leven van hun Heer. Zij hebben ervaren, dat het “wie zichzelf vernedert, zal ver­hoogd worden” even waar is voor hen als voor hun Heer.

Terwijl voorheen de nederigheid een onwelkome indringster was, die slechts bij bepaalde gelegenheden geduld moest worden, is zij nu de trouwe metgezellin van hun ziel geworden, met wie zij voor altijd verbonden zijn.

Wanneer duisternis en onrust hun ziel binnenkomen, is het alleen omdat zij in een of ander opzicht niet bereid waren met haar het pad van deemoed en verbrokenheid te bewande­len. Maar zij is steeds bereid hen weer welkom te heten in haar gezelschap, wanneer zij haar aangezicht met berouw zoeken.

Berouw

Dit brengt ons tot de allerbelangrijkste zaak van het berouw. Overvloediger leven zal niet ons deel worden als we ons alleen maar voornemen voortaan nederiger te zijn. In onze handel en wandel zijn er dingen geweest waarin we bleven volharden (omdat we niet geneigd waren te erkennen dat we verkeerd deden) en waarover wij eerst berouw moeten hebben.

De Heer Jezus heeft niet alleen de gestalte van een slaaf aangenomen om ons een voor­beeld te geven, maar opdat Hij juist voor deze zonden aan het kruis zou kunnen sterven en in Zijn kostbaar bloed een bron zou openen, waarin wij van al die zonden zouden kunnen worden gereinigd. Maar dat bloed kan niet aange­wend worden tegen de zonden van ons trotse hart, voordat we in berouw verbroken zijn over wat reeds gebeurd is en over wat we reeds zijn.

Dat zal betekenen, dat wij Gods licht laten doordringen tot in elke plaats van ons hart en tot al onze onderlinge verhoudingen. Het zal betekenen, dat we zullen moeten inzien, dat de zonden van hoogmoed (die God ons zal laten zien) het voor Jezus noodzakelijk maakten de hemel te verlaten en aan het kruis te sterven, opdat deze vergeven zouden kunnen worden.

Het zal in­houden, dat we niet alleen Hem, maar ook anderen om vergeving vragen. En dat zal een ware vernedering zijn. Maar wanneer wij ons bukken om door de deur der ver­brokenen te gaan, zullen we ons hoofd opheffen in het licht en de heerlijkheid van de verheven baan der heilig­heid en nederigheid.

 

Naar het volgende hoofdstuk

Naar het vorige hoofdstuk

Naar de pagina over opwekking en verdieping in het christelijk leven

HOME