De splinter en de balk  (7)

 

De ander helpen door  een splinter uit zijn oog te halen

 

Een vriend van ons heeft iets in zijn oog gekregen! Hoewel het maar heel klein is ‑ Jezus noemde het een splinter - ­is het toch zeer pijnlijk, en hij is hulpeloos tot deze ver­wijderd is.

Het past ons zeker als vriend, alles te doen wat we kunnen, om de splinter te verwijderen, en wat is hij ons dankbaar, als we daarin geslaagd zijn! Wij moesten hem evenzeer dankbaar zijn, wanneer hij ons dezelfde dienst bewees.

In dit licht gezien is het wel duidelijk, dat de werkelijke bedoeling van het bekende gedeelte van Matt. 7:3‑5 over de balk en de splinter niet is ons te verbieden om te trach­ten het verkeerde in een ander weg te doen, maar veeleer het omgekeerde. Er wordt ons op het hart gedrukt, dat we elkaar, ten koste van alles, deze dienst zouden be­wijzen.

Wel wordt er in de eerste plaats met klem op ge­wezen dat de zucht om als zedenmeester op te treden bij ons moet worden veroordeeld, maar wanneer dit is ge­beurd, eindigt het gedeelte met de woorden: “Dan zult gij helder zien om de splinter uit het oog van uw broeder te verwijderen”. Volgens het Nieuwe Testament is het de be­doeling, dat de ander ons zo ter harte gaat, dat we bereid zijn alles te doen, wat in ons vermogen is, om de splinter, die zijn uitzicht belemmert en zijn zegen verhindert, uit zijn oog te verwijderen. Ons wordt gezegd elkander te “waarschuwen”, te “vermanen”, “de voeten te wassen” en op elkander acht te geven tot aanvuring van “liefde en goede werken”. De liefde van Jezus, in ons uitgestort, zal ons doen verlangen onze broeder in dit opzicht behulp­zaam te zijn.

Welk een zegen kan het niet afwerpen voor vele anderen, doordat wij bereid zijn, als door God geleid, op nederige wijze iemand met klem te vermanen. Een eenvoudig Zwit­ser, Nicolaas van Bazel geheten, lid van het “Genootschap van de Vrienden van God”, ging over de bergen naar Straatsburg en trad de kerk van Dr. Tauler, de populaire prediker in die stad, binnen. Toen zei Nicolaas: “Dr. Tau­ler, voor u uw grootste werk voor God, de wereld, en deze stad kunt verrichten, moet ge sterven ten opzichte van uzelf, uw gaven, uw populariteit, ja zelfs ten opzichte van uw eigen goedheid, en wanneer u dan de volle betekenis van het kruis hebt leren verstaan, zult u voor God en mensen nieuwe kracht hebben opgedaan”. Deze aansporing van een onbekend christen bracht verandering in het leven van Dr. Tauler en hij leerde inderdaad te sterven en werd één van de grote instrumenten in Gods hand, die de weg baanden voor Luther en de Hervorming. In bovenstaand gedeelte zegt de Heer Jezus ons, hoe we elkaar deze dienst kunnen bewijzen.

Wat wordt er met de balk bedoeld?

In de eerste plaats zegt de Heer Jezus ons, dat het maar al te goed mogelijk is, dat we proberen een splintertje, een klein deeltje zaagsel uit het oog van een ander te ver­wijderen, terwijl er een balk, een lang stuk hout zich in ons eigen oog bevindt. Wanneer dat het geval is, hebben we geen schijn van kans om de splinter bij de ander te verwijderen, omdat wijzelf niet goed kunnen zien, en is het in ieder geval louter huichelarij om het te proberen. Nu weten wij allen wel wat de Heer Jezus bedoelde met de splinter in het oog van iemand anders. Het is het een of ander gebrek dat we menen in hem te kunnen opmer­ken; het kan iets zijn, dat hij tegen ons misdaan heeft, of een zekere houding, die hij tegenover ons aanneemt. Maar wat bedoelde de Heer Jezus met de balk in ons oog?

Ik denk dat het er op wijst, dat de balk in ons oog eenvou­dig onze liefdeloze wijze van reageren is op de splinter van de ander. Ongetwijfeld is er iets verkeerds in de ander. Maar onze reactie op dat verkeerde is ook verkeerd! Zijn splinter heeft in ons wrok, koelheid, kritiek, verbittering, kwaadspreken of kwaadwilligheid gewekt ‑ en dat zijn alle verschillende vormen van het kwaad dat er aan ten grond­slag ligt: liefdeloosheid. En dat, zegt de Heer Jezus, is veel erger dan het kleine gebrek, dat er aanleiding toe gaf.

In het hier gebruikte beeld houdt de Heer Jezus ons voor, dat ons liefdeloos reageren op de fout van de ander zich ver­houden als een grote balk en een splintertje. Telkens wan­neer wij met de vinger naar iemand. wijzen en zeggen: “uw schuld”, wijzen de drie andere vingers terug naar onszelf. Moge God zich over ons ontfermen vanwege de vele ma­len, dat het zo met ons gesteld was en wij op schijnheilige wijze probeerden ons met de fouten van een ander te be­moeien, terwijl God zag, dat het er in ons eigen hart nog veel erger uit zag.

Maar laten we nu niet denken, dat een balk noodzakelijk een heftige reactie van onze kant moet zijn. Het eerste begin van wrok is een balk alsook de eerste inblazing van een onvriendelijke gedachte of de eerste zweem van lief­deloze kritiek. Waar dat zo is, zien wij alles verdraaid en zullen we onze broeder nooit zien, zoals hij werkelijk is, namelijk dat God hem liefheeft.

Indien we met zulke ge­dachten in ons hart met onze broeder spreken, zal dat hem er alleen maar toe brengen dezelfde starre houding tegenover ons aan te nemen, want wat betreft menselijke verhoudingen onderling geldt de wet, dat we “gemeten zullen worden met de maat, waarmee wij meten”.

Ga ermee naar Golgotha

Neen! “Doe eerst de balk uit uw eigen oog weg”. Dat is het eerste, wat wij moeten doen. We moeten inzien dat onze liefdeloze reactie tegenover de ander zonde is. We moeten ermee op de knieën naar Golgotha ‑gaan, daar op Jezus zien en er enigszins een begrip van krijgen, wat die zonde Hem kostte. Aan Zijn voeten moeten we ons berouw tonen en bij vernieuwing verbroken worden en de Heer Jezus vragen het in Zijn kostbaar bloed te reinigen en ons te vervullen met Zijn liefde jegens onze broeder ‑ en Hij wil en zal dat doen, indien we ons op Zijn belofte beroe­pen.

Dan zullen we waarschijnlijk berouwvol naar de ander moeten gaan, hem vertellen van de zonde, die in ons hart aanwezig was en wat het bloed daar tot stand heeft gebracht, en ook hem om vergeving vragen.

Heel vaak zullen buitenstaanders ‑ en soms ons eigen hart ‑ ons ver­tellen, dat de zonde, die we belijden, bij lange na niet zo erg is als het verkeerde in de ander, dat hij nog niet belijdt. Maar we zijn bij het kruis geweest en leren nu te leven in de schaduw van het kruis; we hebben onze zonde daar ge­zien en kunnen deze niet langer met de zonde van een ander vergelijken.

Eerst als we deze eenvoudige stappen op de weg tot het berouw hebben gedaan, kunnen we hel­der genoeg zien om de splinter uit het oog van de ander te verwijderen, want de balk uit ons eigen oog is dan ver­dwenen. Op dat ogenblik zal God ons licht schenken, met betrekking tot hetgeen iemand anders nodig heeft, een licht dat hij noch wij eerder op die manier hebben gehad. Wij kunnen dan zien, dat de splinter, waarvan wij ons te voren zo zeer bewust waren, er eigenlijk niet was ‑ het was slechts de weerspiegeling van ‘t een of ander dat bij onszelf werd gevonden. Aan de andere kant zullen wellicht dingen van ondergeschikt belang, waarvan hij zich nauwe­lijks bewust was, voor ons duidelijk zijn geworden. En naarmate God ons leidt, zullen we hem met liefde en in een geest van nederigheid tegemoet treden, zodat hij ze ook mag zien en ermee mag gaan naar de Fontein die van zon­de reinigt en waar hij ervan wordt bevrijd. Hij zal nu meer dan ooit bereid zijn dit van ons aan te nemen ‑ ja, wanneer hij nederig is, zal hij ons ook dankbaar zijn, want nu weet hij, dat wij geen zelfzuchtige beweegreden in ons hart koesteren, maar slechts liefde en bezorgdheid voor hem.

Indien God ons er toe leidt een ander ter verantwoording te roepen, laat dan geen vrees ons weerhouden. Laten we echter niet redetwisten of te veel aandringen. Laten we slechts zeggen, wat God ons heeft gezegd, en het daarbij laten. Het is het werk van God en niet van ons om het de ander te laten zien. Het duurt een tijd, voor we geneigd zijn “het trotse, hardnekkige ik” te buigen.

Wanneer wij op onze beurt worden aangesproken, moeten we ons niet ver­dedigen of onze handelwijze verklaren. Laten we het zwijgend aanvaarden en de ander danken; en dan er mee naar God gaan om het Hem te vragen. Indien hij gelijk had, laten we dan nederig genoeg zijn om het hem te gaan ver­tellen en samen God te prijzen. Het lijdt geen twijfel, dat we elkaar heel hard nodig hebben. Er zijn donkere plek­ken in ons aller leven, die wij nooit zullen zien, tenzij we bereid zijn toe te laten, dat God daar een ander voor ge­bruikt.

 

Naar het volgende hoofdstuk

Naar het vorige hoofdstuk

Naar de pagina over opwekking en verdieping van ons geestelijk leven

HOME