De weg der gemeenschap  (3)

Toen de mens viel, en zichzelf in plaats van God, tot het middelpunt van zijn leven koos, was het gevolg niet alleen; dat hij buiten de gemeenschap met God kwam te staan, maar ook dat hij de gemeenschap met zijn medemens ver­loor. De geschiedenis van de eerste twist van de mens met God in Genesis drie wordt in het vierde hoofdstuk direct gevolgd door de geschiedenis van de eerste twist van de mens met zijn medemens, de moord van Kaïn op Abel. De zondeval is niets anders dan: “We keerden ons een iegelijk naar zijn weg” (Jes. 53:6). Indien ik liever mijn eigen weg dan die van God ga, spreekt het vanzelf, dat ik ook liever mijn eigen weg ga dan die van een ander. Iemand handhaaft niet zijn onafhankelijkheid tegenover God, om die daarna prijs te geven aan de medemens, in­dien hij daartoe in de gelegenheid is. Maar een wereld, waarin ieder zijn eigen weg wil gaan, kan niet anders dan vol gespannenheid, hinderpalen, achterdocht, wanbegrip, botsingen en conflicten zijn.

Het werk van de Heer Jezus Christus had niet slechts ten doel om de mensen weer in gemeenschap met God te brengen, maar ook om de gemeenschap met hun mede­mensen weer te herstellen. Deze twee zijn niet van elkan­der te scheiden. Naarmate de spaken van het wiel dichter bij de as komen, komen ze ook dichter bij elkaar. Maar indien we niet in levende gemeenschap met onze broeder gebracht zijn, is dat een bewijs, dat in dat opzicht de le­vende gemeenschap met God evenmin ons deel is. De eerste brief van Johannes ‑ welk een nieuw licht werpt Opwekking op dit schriftgedeelte! ‑ dringt er op aan om de diepte en werkelijkheid van onze gemeenschap met God te toetsen aan de diepte en werkelijkheid van de gemeen­schap met onze broeders. (1 Joh. 2:9, 3:14‑15, 4:20).

Sommigen van ons hebben leren inzien, welk een innig verband er bestaat tussen de verhouding van de ene mens tot de andere met zijn verhouding tegenover God. Alles wat als een hindernis komt tussen ons en een ander, hoe klein het ook is, komt ook als een hindernis tussen ons en God. Het is gebleken dat als deze hinderpalen niet onmid­dellijk uit de weg worden geruimd, ze steeds groter wor­den totdat ze ons als een dikke muur van God en onze broeder scheiden. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat wan­neer we het Nieuwe Leven bij ons ingang doen vinden het zich zal moeten openbaren in een wandel van ongestoorde eenheid met God en onze broeder.

Licht en duisternis

Op welke grond kunnen we werkelijk gemeenschap met God en onze naaste hebben? Hier verzekert 1 Joh. 1:7 ons opnieuw “indien wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben we gemeenschap met elkaar en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde”.

Wat bedoeld wordt met licht en duisternis is, dat licht openbaar maakt, en duisternis verbergt. Alles wat ons bestraft en ontmaskert, dat is licht. “Alles wat open­baar maakt is licht’ (Ef. 5:13). Maar telkens wanneer we iets doen of zeggen (of niets zeggen) om te verbergen wie we zijn, of wat we hebben gedaan, dan is dat duisternis. Nu is het eerste gevolg van de zonde in ons leven altijd. dat we trachten te verbergen wie we zijn. Het is de zonde die het eerste mensenpaar er toe bracht, zich te verbergen tussen het geboomte in de hof van Eden en sindsdien heeft zij steeds dezelfde uitwerking gehad op ons. De zonde brengt altijd met zich mee, dat wij onwerkelijk, huichel­achtig en dubbelhartig zijn; we doen ons anders voor dan we zijn, verontschuldigen onszelf en geven anderen de schuld. En we kunnen dat alles evengoed doen door te zwijgen, als door iets te zeggen of te doen. Het voorafgaan­de vers noemt dit “wandelen in de duisternis”. Bij som­migen van ons is de zonde, waar het hier om gaat, niet erger dan met zichzelf verlegen zijn (alles, dat verband houdt met ons “Ik” is zonde) en het verbergen daarvan is niets meer dan een voorgewende houding om dat minder­waardigheidscomplex te camoufleren, maar het is niet­temin een wandelen in de duisternis.

In tegenstelling tot al deze dingen die in ons zijn, zegt vers vijf van dit hoofdstuk: “God is Licht”; dat wil zeggen: God is Degene, Die alles openbaar maakt, Die ieder mens voor het voetlicht plaatst zo als hij werkelijk is. En dan wordt er bij gevoegd: “In Hem is in het geheel geen duisternis”; hetgeen wil zeggen dat er volstrekt niets in God is, dat verenigbaar is met zelfs de geringste duisternis in ons.

Het is dus heel duidelijk dat het beslist onmogelijk is in de duisternis te wandelen en tevens gemeenschap te hebben met God. Zolang we in die toestand van duisternis ver­keren, kunnen we ook geen ware gemeenschap met onze broeder hebben, omdat we dan niet oprecht tegenover hem staan, en geen mens kan gemeenschap hebben met iemand die niet oprecht is. Een muur van terughoudend­heid maakt scheiding tussen hem en ons.

De enige grondslag voor gemeenschap

De enige grondslag voor ware gemeenschap met God en de mensen is dat we steeds openlijk voor de dag komen ten opzichte van God en de mensen. “Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben we ge­meenschap met elkander”.

Wandelen in het licht is het tegenovergestelde van wandelen in de duisternis. Spurgeon geeft er in een van zijn preken deze definitie van: “de be­reidheid om te kennen en gekend te worden”.

Ten opzichte van God betekent dit, dat we bereid zijn de volle waarheid over onszelf te weten. We zullen gewillig het oor lenen aan de eerste waarschuwingen van ons geweten. Alles wat Hij ons laat zien als zonde, zullen we ook als zodanig behandelen ‑ we zullen niets verbergen of ons verontschul­digen. Zulk een wandel in het licht kan niets anders dan in toenemende mate zonde in ons leven blootleggen, en dingen, die we nooit als zodanig hadden aangemerkt zul­len we als zonde gaan beschouwen. Om die reden zouden we van deze wandel kunnen terugschrikken en in verlei­ding komen ons te verschuilen. Maar het vers gaat verder met de kostbare woorden: “en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde”. Alles wat Gods licht openbaar maakt als zonde, kunnen we belijden en bij de fontein van het bloed brengen, en dan is het verdwenen, verdwenen uit Gods oog en weg uit ons hart. Door de kracht van het kostbare bloed kunnen we smettelozer dan de pas gevallen sneeuw worden; en als we zo voortdurend in het licht blijven en gereinigd worden door het bloed, hebben we gemeenschap met God.

Maar de gemeenschap, die ons hier beloofd wordt, is niet alleen met God, maar ook “met elkander”, en dat houdt in, dat we ook ten opzichte van onze broeder in het licht wandelen. In ieder geval kunnen we niet “open” zijn tegenover God en “in duisternis” tegenover onze broeder. Hetgeen wil zeggen dat we even gaarne de waarheid over onszelf van onze broeder vernemen, als van God. We moe­ten bereid zijn ons door hem te laten brengen in het licht (en we moeten gewillig zijn hem dezelfde dienst te be­wijzen), en ons door hem in liefde te laten vermanen als hij in ons leven iets bemerkt, dat niet het hoogste doel raakt.

We moeten er niet tevreden mee zijn dat we zelf weten wat we in werkelijkheid zijn, maar ook onze broeder daar­van deelgenoot maken. Dat houdt in, dat we ons innerlijk niet zullen verbergen voor hen, met wie wij in gemeen­schap behoren te wandelen; we zullen onszelf riet mooier voordoen dan we zijn en een schijn aannemen; evenmin zullen we onszelf schoonpraten of verontschuldigen.

We zullen eerlijk zijn omtrent onszelf tegenover hen. We zullen bereid zijn onze geestelijke geheimhouding op te geven, onze trots te onderdrukken en onze goede naam te riskeren omdat we open en oprecht willen zijn tegenover onze broeders in Christus.

Het betekent ook, dat we geen verkeerde gezindheid ten opzichte van iemand anders in ons hart zullen koesteren, maar we zullen eerst aan God vragen ons daarvan te bevrijden om het dan met de be­trokken persoon in orde te maken. Wanneer we deze weg bewandelen, zullen we bemerken, dat we gemeenschap met elkaar hebben op een geheel nieuw vlak en we zullen elkaar niet minder, maar oneindig meer liefhebben.

Geen slavernij

In het licht wandelen is eenvoudig wandelen met Jezus. Daarom hoeft het geen slavernij te zijn. Het is niet nood­zakelijk voor ons, dat we iedereen alles over onszelf ver­tellen. Het komt er meer op aan hoe onze houding is bij het wandelen in het licht dan de handeling op zichzelf.

Zijn we gewillig openhartig te zijn tegenover onze broe­der ‑ ook met onze woorden ‑ wanneer God ons dat zegt? Dat is de “wapenrusting des lichts”: werkelijk te laten zien wie we zijn. Dit kan wel eens vernederend zijn, maar het zal ons helpen in een nieuwe werkelijkheid met Chris­tus te komen en tot een nieuwe zelfkennis.

We zijn zo ge­wend geraakt aan het feit, dat God alles van ons weet, dat het geen indruk meer op ons maakt en het onvermij­delijk gevolg is, dat we niet meer weten wie we werke­lijk zijn. Maar laat iemand beginnen tegenover een ander, naar gelang God hem leidt, er absoluut eerlijk voor uit te komen wie hij is, en hij zal tot een inzicht van zichzelf en zijn zonden komen, zoals hij nooit eerder heeft gehad. Hij zal duidelijker dan ooit tevoren beginnen te zien, waar de verlossing in Christus in toenemende mate in zijn leven zal moeten worden toegepast. Dit is de reden, waarom Jacobus ons zegt, dat we ons moeten stellen onder de tucht van het “belijdt elkander uw zonden”.

In 1 Johannes 1:7 is het doel van het “wandelen in het licht” natuurlijk dat we gemeenschap met elkander zouden hebben. En welk een gemeenschap is het, wanneer we deze weg gezamenlijk bewandelen!

Het spreekt vanzelf, dat de liefde van de één naar de ander zal vloeien, wanneer elkeen bereid is gekend te worden als de berouwvolle zon­daar, die hij is bij het kruis van Jezus. Wanneer de hinderpalen op zij gezet en de maskers afgeworpen zijn heeft God een gelegenheid om ons werkelijk één te maken.

Maar daarbij komt nog de vreugde, dat we in zulk een ge­meenschap “veilig” zijn. Geen vrees, dat anderen mis­schien iets over ons denken of aanmerkingen op ons heb­ben, die zij voor ons verbergen. In een gemeenschap, die er op gericht is om in het licht onder het kruis te wandelen, weten we, dat, wanneer men de één of andere gedachte jegens ons koestert, deze weldra in het licht gebracht zal worden, hetzij in verbrokenheid en belijdenis (wanneer er iets verkeerds of liefdeloos is geweest) of anders als een liefdevolle vermaning, als iets, dat we over onszelf moeten weten.

We moeten echter niet vergeten, dat onze wandel in het licht in de eerste plaats en voor alles met de Heer Jezus is. We moeten eerst met Hem de zaken in orde maken en we moeten eerst Zijn reiniging en overwinning verkrijgen. Wanneer God ons dan er toe leidt ons hart te openen samen met anderen, komen we niet zozeer met een belijdenis (behalve, waar deze in een bepaald geval nodig zou zijn) veeleer met een getuigenis, en we prijzen God tezamen.

Groepen van twee voor een opwekking

Jezus wil, dat u vandaag begint met op een nieuwe wijze met Hem in het licht te wandelen. Verenig u daarin met een ander ‑ uw christenvriend, degene, met wie u samen­leeft, uw vrouw, uw man. Werp het masker af. God heeft u ongetwijfeld van minstens één ding overtuigd dat u in de eerste plaats eerlijk moet opbiechten. Begin met dat ene. Werk als een groep van twee voor opwekking in de kring waarin u verkeert. Wanneer anderen verbroken worden bij het kruis, zullen ze, naarmate God het leidt, bij uw gemeenschap worden gevoegd. Kom van tijd tot tijd bij elkaar tot gemeenschap en om openhartig geestelijke erva­ringen uit te wisselen. Bidt in volkomen eenheid tezamen voor anderen en ga uit als een groep met een nieuw ge­tuigenis. God zal door zo’n gemeenschap op wonderbare wijze werken. Wanneer Hij anderen redt en op deze hoogst belangrijke wijze zegent, kunnen ook zij als een ge­meenschap gaan leven en werken. Zoals de ene biljartbal de andere in beweging brengt, zo zal ook de ene groep de andere op gang helpen tot ons gehele land onder de invloed van het Nieuwe Leven van de opgestane Heer Jezus ge­bracht is.

 

 

Naar het volgende hoofdstuk
Naar het vorige hoofdstuk
De pagina over opwekking en verdieping in het geestelijk leven
HOME