Onze onschuld betuigen? (10)

We zijn er allen zo aan gewend geraakt de trotse, eigenge­rechtige houding van de Farizeeër in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Lucas 19:9‑14) te veroordelen, dat we nauwelijks meer kunnen geloven, dat het beeld dat hier van hem wordt gegeven, bedoeld is om op onszelf toe te passen en ons te doen zien hoe zeer wij in werkelijkheid op hem gelijken. Nooit heeft een zekere zondagsschoolon­derwijzeres meer op de Farizeeër geleken dan toen zij haar les over deze gelijkenis besloot met de woorden: “En nu kunnen we God danken, kinderen, dat we niet zo zijn als deze Farizeeër!” We lopen vooral gevaar deze Farizeese houding aan te nemen, wanneer God ons wil vernederen bij het kruis van Jezus en ons de zonden in ons hart wil laten zien, die onze persoonlijke opwekking belemmeren.

Gods beeld van bet menselijk hart

We zullen niet begrijpen wat er werkelijk verkeerd was in de houding van de Farizeeër en van onszelf, tenzij we het zien tegen de achtergrond van hetgeen God zegt van het menselijk hart. Jezus Christus zegt: “Want van bin­nen uit het hart der mensen komen de kwade overleg­gingen, hoererij, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstand” (Marcus 7:21‑23). Hetzelfde sombere beeld van het menselijk hart wordt ons gegeven in de brief van Paulus aan Galaten: “De werken van het vlees zijn openbaar, namelijk: hoererij, onreinheid, losbandig­heid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarsting van toorn, gekijf, tweedracht, partijschappen, nijd, moord, dronkenschap, brasserijen en dergelijke” (Gal. 5:19‑21).

Welk een beeld! Jeremia voegt hetzelfde getuigenis eraan toe: “Arglistig is het hart boven alles (dat wil zeggen: het bedriegt de mens zelf, zodat hij zichzelf niet kent), wie zal het kennen?” (Jer. 17:9). Dit is dan Gods beeld van het menselijk hart, het gevallen ik, “de oude mens” (Ef. 4:22), zoals de Schrift het noemt, hetzij er sprake is van het hart van de mens in onbekeerde staat of dat van de vurigste Christen.

Het is moeilijk te geloven, dat deze dingen voort kunnen komen uit het hart van dienaars des woords, evan­gelisten en werkers in Gods koninkrijk, maar het is waar. De eenvoudige waarheid is, dat Jezus Christus het enige mooie is dat een christen bezit. God wil, dat wij dit feit ook als waar beleven, zodat we in ware verbrokenheid en wanhoop aan onszelf de Heer Jezus zullen toestaan onze gerechtigheid en heiligheid en ons alles te zijn. En dat is overwinning.

God tot leugenaar maken!

Nu we hebben gezien hoe God het hart des mensen be­schrijft, kunnen we zien, wat de Farizeeër eigenlijk deed. Door te zeggen: “O God, ik dank U, dat ik niet zo ben als de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers”, betuigde hij onschuldig te zijn aan juist die dingen, waar­van God zegt, dat ze in elk hart aanwezig zijn. In feite zei hij: “Van andere mensen zijn deze dingen ongetwijfeld waar - deze tollenaar belijdt het hier zelfs ‑ maar niet van mij, Heer!”

Door zo te spreken maakte hij God tot een leugenaar, want “indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken we Hem tot een leugenaar” (1 Joh. 1:10), omdat Hij zegt, dat wij wèl gezondigd hebben!

Toch ben ik er zeker van, dat hij volkomen oprecht was in wat hij zei. Hij geloofde inderdaad, dat hij onschuldig was aan deze dingen. Ja, hij schrijft zijn ingebeelde onschuld aan God toe, wanneer hij zegt: “Ik dank U . . . “. Toch getuigde Gods woord nog tegen hem, maar hij zag het nu eenmaal niet in.

Wanneer de tollenaar zich op de borst slaat en zijn zonden belijdt, is dat niet omdat hij erger heeft gezondigd dan de Farizeeër, maar alleen omdat hij gezien heeft, dat hetgeen Gods woord zegt pijnlijk van toepassing is op hem, hetgeen de Farizeeër nog niet heeft ingezien.

De Farizeeër denkt nog steeds, dat God slechts verlangt dat men zich uitwendig van bepaalde zonden onthoudt. Hij heeft nog niet begrepen, dat God niet aanziet wat voor ogen is, maar het hart (1 Sam. 16:7), dat God de begerige blik gelijk stelt met overspel (Matth. 5:27‑28), een hou­ding van wrok en haat als moord (1 Joh. 3:15), jaloersheid als werkelijke diefstal en tirannie in het klein, thuis, even slecht als afzetterijen in de handel.

Hoe dikwijls hebben ook wij niet onze onschuld betuigd bij de vele gelegenheden, dat God anderen van zonde over­tuigde en Hij ons ook wilde overtuigen. Eigenlijk hebben we gezegd: ,.Dat kan wel waar zijn van anderen, maar niet van mij”! en we kunnen dat in volkomen oprechtheid ge­zegd hebben.

Misschien hebben we gehoord van anderen, die zichzelf vernederd hebben en ze dan geminacht, om­dat zij openlijk uitkwamen voor die dingen in hun leven, waarmee ze moesten breken en die ze in orde moesten maken. Of misschien zijn we wel echt blij geweest omdat zij werden gezegend. Maar hoe het ook zij, we gevoelen niet, dat er iets is bij onszelf dat verbroken moet worden.

Geliefden, indien wij ons onschuldig voelen en niets heb­ben waarover wij verbroken, moeten worden, dan komt dat niet omdat die dingen niet aanwezig zijn, maar omdat we ze niet gezien hebben. We hebben ten opzichte van ons­zelf in het rijk der verbeelding geleefd. God kan niet anders dan waar zijn in alles wat Hij van ons zegt. Hij ziet deze dingen op een of andere wijze in ons leven tot uit­drukking komen (tenzij wij ze beleden hebben en ze door God hebben laten wegnemen) ‑ onbewuste zelfzucht, hoogmoed en ingenomenheid met onszelf; jaloersheid, wrok en ongeduld; terughoudendheid, vrees en verlegen­heid; oneerlijkheid en bedrog; onreinheid en boze be­geerte; indien niet het ene dan het andere. Maar wij zijn er blind voor. Misschien houden we ons zo bezig met het verkeerde, ‑dat een ander ons aangedaan heeft, dat we niet inzien, dat ook wij tegen Christus zondigen, doordat we het niet, zoals Hij deed, in zachtmoedigheid en nederigheid aanvaarden.

Op de een of ander wijze niet in gemeenschap met God

Doordat we zo duidelijk zien, dat de ander zijn eigen wijze van doen en zijn rechten wenst te handhaven, zijn we blind voor het feit, dat wij dat even­goed wensen; en toch weten we, dat er in ons leven iets niet in orde is. Op de een of andere wijze zijn we niet in levende gemeenschap met God. We zijn geestelijk niet ,,fit”. Ons dienen is niet “doortrokken van het bovenna­tuurlijke”. Onbewuste zonde is evenzeer zonde voor God en brengt scheiding tussen Hem en ons. De zonde, waar het om gaat, kan wellicht iets heel gerings zijn, dat God ons graag wil laten zien, als wij het Hem maar willen vragen.

Vaak ook van hen die wij liefhebben

Er is nog een dwaling, waarin we kunnen vervallen, in­dien we de waarheid niet erkennen van wat God zegt over het menselijk hart. Niet alleen betuigen we dan onze eigen onschuld, maar ook vaak die van hen die wij liefhebben. We hebben er een hekel aan te zien dat ze zich vernederen en overtuigd zijn van de zonde en zijn er dan spoedig bij om hen te verdedigen. We wensen niet, dat zij iets belijden. Zo leven wij niet alleen in een sfeer van zinsbedrog ten opzichte van onszelf, maar ook ten opzichte van hen en we zijn bang dat die sfeer zal worden bedorven. Maar we doen daarmee niets anders dan hen tegenover God ver­dedigen ‑ waarbij wij God tot een leugenaar maken zowel van onze als van hun kant ‑ en we houden hen zowel als onszelf ervan terug een zegen te ontvangen.

Tot God roepen om Zijn licht

Alleen een ernstig verlangen naar ware gemeenschap met God zal ons gewillig maken tot God te roepen om Zijn Licht, dat alles openbaar maakt, en om het dan ook te gehoorzamen, als het geschonken wordt.

God rechtvaardigen

Dat brengt ons bij de tollenaar! Wanneer we alles wat God zegt over het menselijk hart, in gedachten houden, kunnen we zien, dat hij door zijn zonden te belijden alleen maar God rechtvaardigde en erkende, dat wat God van hem zei, waar was.

Misschien placht hij evenals de Farizeeër, niet te geloven, dat wat God over de mens zegt ook werkelijk waar was van hem. Maar de Heilige Geest heeft hem din­gen in zijn leven laten zien, die bewijzen, dat God gelijk heeft, en hij wordt verbroken. Niet alleen rechtvaardigt hij God in alles wat hij zegt, maar ongetwijfeld ook in al de kastijdingen, die God hem heeft doen ondergaan. Nehe­mia’s gebed had heel goed het zijne kunnen zijn: “Maar Gij hebt het recht aan Uw zijde in alles wat ons overkomen is, want Gij hebt trouw betoond doch wij hebben goddeloos gehandeld” (Neh. 9:33).

Dit is altijd het karakter van een ware belijdenis van zonde, namelijk ware verbrokenheid. Het is de erkenning, dat mijn zonde niet maar een fout is, een struikeling, iets dat buiten mijn hart omgaat (“dat is werkelijk niets voor mij om zo iets te denken of te doen”), maar dat het iets is, dat het werkelijke “ik” aan het licht brengt; dat mij open­baar maakt als het trotse, verdorven, onreine wezen, dat God zegt, dat ik ben; dat het werkelijk mijn geaardheid is om zoiets te denken en te doen. In deze bewoordingen beleed David zijn zonde, toen hij bad: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig blijkt in Uw uitspraak, zuiver in Uw gericht” (Ps. 51:6).

Laten we er dus niet voor terug­schrikken zo’n belijdenis af te leggen, wanneer God ons er van overtuigt, dat het moet, door te denken, dat het de eer van Jezus zou schaden. Juist het omgekeerde is waar, want door zulk een belijdenis wordt God verheer­lijkt, want we verklaren, dat Hij gelijk heeft. Hieruit volgt voor ons een nieuwe ervaring van overwinning in Chris­tus, want het zegt het weer opnieuw, dat “in mij (dat is in mijn vlees) geen goed woont” (Rom. 7:18), en het brengt ons ertoe niet langer te proberen ons onverbeterlijke eigen ik tot een staat van heiligheid te vormen maar om Jezus aan te nemen als onze heiligheid en Zijn leven als ons leven.

Vrede en reiniging door het bloed van het Lam van God

Maar de tollenaar deed nog iets meer dan God rechtvaar­digen. Hij wees naar het slachtoffer op het altaar en vond daardoor vrede met God en reiniging van zonde. Dat blijkt uit de letterlijke betekenis van de woorden, die hij uit­sprak: “God, wees mij, zondaar, genadig”. Deze woorden betekenen in ‘t Grieks letterlijk: “God, word verzoend ten opzichte van mij, de zondaar.” Een Jood wist, dat de enige wijze, waarop hij met God verzoend kon worden, was door middel van een slachtoffer, en naar alle waarschijnlijkheid werd er juist op datzelfde uur een lam geslacht voor het dagelijks brandoffer op het altaar in de tempel.

Met ons is het net zo. Nooit komt iemand tot deze toestand van verbrokenheid, of God toont hem het Goddelijk Lam op het kruis van Golgotha, dat zijn zonde wegneemt door het vergieten van Zijn bloed. God, die van te voren zegt, wat we zijn, treft van te voren voorziening voor onze zonde. Jezus was het Lam vóór de grondlegging der we­reld voorgekend. In Hem, die mijn zonden in zachtmoedig­heid droeg, werden ze weggedaan. En wanneer ik die zonden in verbrokenheid belijd en mijn vertrouwen in het bloed stel, word ik er van gereinigd. Dan daalt de vrede met God in mijn hart, de gemeenschap met God wordt onmiddellijk hersteld en ik wandel met Hem in witte klederen.

Deze eenvoudige wijze om God te willen rechtvaardigen en de reinigende kracht van het bloed te zien, brengt als nooit te voren een nauwe wandel met Jezus en een voort­durend met Hem verkeren in het Heilige der heiligen bin­nen ons bereik.

Naarmate wij met Hem in het licht wande­len, zal Hij ons telkens het begin tonen van die dingen, die, als we ze niet tijdig tegengaan, Hem zullen bedroeven en het toestromen van Zijn leven in ons belemmeren ‑ din­gen, die de uitdrukking zijn van het oude hoogmoedige ik, hetgeen God alleen maar kan veroordelen.

In geen enkel opzicht moeten we onze onschuld betuigen omtrent de dingen, die Hij ons laat zien. Steeds moeten we bereid zijn Hem te rechtvaardigen en te zeggen: “U hebt gelijk, Heer; dat laat nu precies zien, wat ik ben”, en we moeten dan ook zoals we zijn, ons door Hem laten reinigen.

Wan­neer we dat doen, zullen we ondervinden, dat Zijn kost­baar bloed ons voortdurend van de zonde reinigt en dat “de stroom steeds bij de bron gezond wordt gemaakt”, en dat Jezus ons voortdurend met Zijn Heilige Geest kan vervullen.

Dit vraagt van ons, dat we mensen met “een nederige en verslagen geest’ zijn, dat wil zeggen: mensen, die bereid zijn ook op de kleinste dingen gewezen te wor­den. Maar dit zijn dan ook degenen, waarvan God zegt, dat ze met Hem wonen “in den hoge en in het heilige” (Jes. 57:15) en die een voortdurende opwekking ervaren.

We staan dus voor deze keuze: onze onschuld betuigen en zonder zegen, met een dorstige ziel, en buiten Gods ge­meenschap naar huis gaan; of God rechtvaardigen en in­gaan in de vrede, gemeenschap en overwinning, die ons deel zijn door het bloed van Jezus.

 

Naar het vorige hoofdstuk

Naar de pagina over opwekking en verdieping in het geestelijk leven

HOME