Hoofdstuk 1 van “Het gebed van de christen”

 

GODS GROOTSTE NOOD

 

“God ontzette Zich”. Welk een schokkende mededeling. Alleen al de kracht, die van deze gedachte uitgaat moest de aandacht van iedere ernstige christen - hetzij man, vrouw of kind - boeien.

 

Een God, die Zich ontzet! Wel, hoe groot zal onze ontsteltenis zijn, als we de oorzaak van deze “ontzetting” willen trachten te begrijpen!

 

Toch schijnen velen dat - naar het zich laat aanzien - niet zo belangrijk te vinden. Maar wie bereid is tot een zorgvuldig onderzoek, zal ontdekken dat het hier om één van de allerbelangrijkste waarheden gaat, voor ieder, die gelooft in de Here Jezus Christus. Geen enkel ander punt is van zoveel gewicht - raakt zó ons leven - is zó belangrijk voor ons geestelijk welzijn.

 

God ontzette Zich, omdat niemand tussenbeide trad” (Jes. 59:16) “omdat er geen voorbidder was” (St. Vert.).

 

Maar werd dit niet gezegd lang voor de komst van de Here Jezus Christus “vol van genade en waarheid” - lang voor de uitstorting van de Heilige Geest, vol van genade en kracht, “die onze zwakheden te hulp komt,” “die zelf voor ons pleit” en “voor ons bidt”? (Rom. 8:26).

 

Ja inderdaad, het werd gezegd lang voor de werkelijk verbazingwekkende beloften van onze Heiland, wat het bidden betreft; lang voordat de mensen zoveel over het gebed wisten als wij; in die dagen, waarin de offeranden voor hun zonden zwaarder schenen te wegen dan de voorbede voor andere zondaars.

 

Maar... hoe groot moet Gods ontzetting dan vandaag wel zijn! Want hoe weinigen zijn er onder ons, die weten wat zegevierend bidden is!

 

Ieder van ons zal toegeven dat hij gelooft, dat er gebeden moet worden, maar hoevelen van ons geloven werkelijk in de macht van het gebed?

 

Mag ik als schrijver van dit boek - voor we een stap verder gaan - u dringend vragen, datgene wat in deze hoofdstukken vervat is, niet haastig te lezen. Veel, zéér veel hangt af van de wijze, waarop iedere lezer deze boodschap ontvangt. Want alles hangt af van het gebed.

 

Waarom lijden zoveel christenen de nederlaag? Omdat ze te weinig bidden. Waarom zijn vele arbeiders in Gods Koninkrijk zo dikwijls ontmoedigd en teleurgesteld? Om dezelfde reden.

 

Waarom zien de meesten van ons zo weinigen “uit de duisternis tot het licht komen” door hun getuigenis? Het is eveneens omdat ze te weinig bidden. Waarom toch staan de kerken niet zonder meer in vuur voor God? Omdat er zo weinig werkelijk gebed is.

 

De Here Jezus is vandaag nog even machtig als voorheen. De Here Jezus verlangt er nog even sterk naar dat mensen gered worden als in de eeuwen, die achter ons liggen. Zijn arm is niet verkort dat Hij niet zou kunnen redden, maar Hij kàn zijn arm niet uitbreiden, tenzij wij meer bidden en meer werkelijk bidden.

 

Hiervan kunnen wij verzekerd zijn: de oorzaak van alle falen is ons falen in het gebedsleven.

 

Als God “Zich ontzette” in de dagen van Jesaja, behoeft het ons niet te verbazen dat de Here Jezus in de dagen dat Hij in het vlees onder ons was, “Zich verwonderde”. Hij verwonderde Zich over het ongeloof van sommigen, een ongeloof dat het Hem beslist onmogelijk maakte Zijn kracht te openbaren in hun steden (Marc. 6:6).

 

Maar we moeten bedenken dat zij, die zich aan dat ongeloof schuldig maakten “in Hem geen luister zagen, dat zij Hem zouden begeerd hebben” en “niet in Hem geloofden”

 

Hoe groot zal dan wel niet Zijn “verbazing” in onze dagen zijn, als Hij onder ons, die Hem van harte liefhebben en aanbidden, zo weinigen vindt, die zich werkelijk “beijveren om aan Hem vast te houden”! (Jes. 63:7)

 

Er is beslist niets zo verbazingwekkend als een vrijwel gebedsloze christen. Wij leven in een veelbewogen tijd vol dreiging. Toch weet de meerderheid van de belijdende christenen nauwelijks wat dit smeken in het gebed (Ef. 6:18) inhoudt en veel kerken houden niet alleen geen bidstond, maar veroordelen zelfs zonder enige schaamte dergelijke bijeenkomsten, ja maken ze belachelijk.

 

De Anglicaanse kerk, die het grote belang van aanbidding en gebed wel enigermate erkent, verwacht nog van haar geestelijken dat er dagelijks, zowel 's morgens als 's avonds, in de kerk gebeden voorgelezen worden. Maar gebeurt dit niet dikwijls in een lege kerk? Worden de gebeden niet meestal afgeraffeld op een wijze, die iedere vorm van aanbidding uitsluit? Ook moet dit “gemeenschappelijk gebed” - hoe kan het anders - vrij vaag en onpersoonlijk worden.

 

En hoe staat het met die kerken,waarin nog wel vastgehouden wordt aan de ouderwetse gewoonte van een wekelijkse bidstond? Kunnen we ze niet het beste met “slap” betitelen? C.H. Spurgeon mocht de vreugde ervaren te kunnen zeggen dat hij iedere maandagavond een bidstond leidde “die bijna nooit minder dan duizend tot twaalfhonderd deelnemers telde”!

 

Broeders, hebben we opgehouden in het gebed te geloven? En mocht u zelf nog wekelijks met anderen samenkomen om te bidden, is het dan toch niet zo, dat de grote meerderheid van de gemeenteleden daaraan nooit deelnam? Ja, er zelfs niet aan denkt zich er bij aan te sluiten? Hoe komt dit? Wiens fout is het?

 

't Is maar een bidstond” - hoe dikwijls hebben we dit niet horen zeggen! Hoevelen van degenen, die deze woorden lezen nemen werkelijk met blijdschap deel aan een bidstond? Is het een vreugde of een plicht?

 

Neem het mij niet kwalijk dat  ik zoveel vragen stel en tracht aan te wijzen wat de oorzaak is van de gevaarlijke slapheid en de jammerlijke  tekortkomingen in onze kerken op dit gebied. Het gaat ons er niet om kritiek uit te oefenen en nog minder om een oordeel te vellen. Dat kan iedereen. Ons diepste verlangen is de christenen op te wekken God zo “vast te houden” als nooit te voren.

 

We wensen te bemoedigen, een riem onder het hart te steken, elkander op te heffen! Want we staan in Gods oog het hoogst, als we op onze knieën liggen.

 

Kritiek? Wie durft hier kritiek uitoefenen? Als we ons eigen leven overzien en nagaan hoeveel gebedsloosheid daarin is, besterft ons ieder woord van kritiek op de lippen. Maar we geloven dat de tijd gekomen is, waarin het nodig is een bazuinstoot te laten weerklinken, opdat iedere gelovige en de gehele gemeente het zal horen - een oproep tot gebed!

 

We durven onze lezers voor te stellen deze zaak eerlijk en open te bezien.

 

Geloof ik werkelijk dat het gebed een macht is? En is het de grootste macht op aarde, of is het dat niet? Is bidden inderdaad “de hand in beweging brengen van Hem, die het heelal beweegt”?

 

Geldt Gods bevel om te bidden werkelijk ook mij? Zijn de beloften van God betreffende het gebed, nog altijd van kracht? We mompelen allen zoiets als “Ja-ja-ja”, als we deze vragen lezen. We hebben de moed niet om tegen één ervan “nee” te zeggen. En toch...

 

Is het u ooit gebeurd dat de Here Jezus u een overbodig gebod gaf of de uitvoering daarvan aan uw eigen keus overliet? Geloven we werkelijk dat onze Heiland ooit een belofte heeft gedaan, die Hij niet kon, of niet wilde vervullen?

 

De drie grote bevelen van onze Zaligmaker, die wij ogenblikkelijk hebben op te volgen, zijn:

 

Bidt     - te allen tijde!

Doe    - wat Ik u beveel!

Ga      - waar Ik u zend!

 

Willen we gehoorzamen? Zijn bevel “Doe!” wordt door onze predikers nog wel herhaald in deze tijd! Men zou haast denken dat dit Gods enige opdracht is!

 

Hoe zelden komt het echter voor dat we herinnerd worden aan Zijn woorden “Bidt!” en “Ga!”.

 

Het is inderdaad niet moeilijk om aan te tonen dat ieder uitblijven van resultaat en iedere mislukking in ons geestelijk leven en in onze arbeid in Zijn dienst, voor rekening komt van ons gebrekkig, onvoldoende bidden.

 

Als we niet op de juiste wijze bidden, kunnen we niet op de juiste wijze leven en ook niet op de juiste wijze dienen. Dit moge op het eerste gezicht schromelijk overdreven lijken, maar hoe meer wij het overdenken bij het licht dat de Bijbel hierover laat schijnen, des te meer zullen we overtuigd worden van de waarheid van deze bewering.

 

Wanneer we ons er nu toe willen zetten, opnieuw te onderzoeken wat de Bijbel te zeggen heeft over dit diepgaande en wonderbare onderwerp, laten wij dan proberen enkele beloften van onze Heiland zo te lezen, alsof we ze nog nooit eerder gehoord hebben. Wat een uitwerking zal dat hebben!

 

Ongeveer twintig jaar geleden studeerde de schrijver van dit boek aan een Theologische Universiteit. Op zekere morgen, het was nog heel vroeg, stormde plotseling een medestudent zijn kamer binnen met een open Bijbel in zijn handen. Tussen haakjes wil ik u vermelden dat deze man op het ogenblik een van de meest vooraanstaande zendelingen van Engeland is. Maar op dat moment, terwijl hij zich voorbereidde voor zijn dienst als zendeling, was hij alleen maar een jonge bekeerling van Christus.

 

Hij was naar de Universiteit gegaan “zonder acht te slaan op deze dingen”. Als populaire, knappe, gespierde jongeman, had hij zich steeds een eerste plaats veroverd onder zijn gevatte medestudenten, tot Christus Zijn hand op hem legde. Hij nam de Here Jezus als zijn persoonlijke Zaligmaker aan en werd een vurig volgeling van zijn Meester.

 

De Bijbel was nu een nieuw boek voor hem en daardoor deed hij voortdurend “nieuwe ontdekkingen”.

 

Op die gedenkwaardige dag, waarop hij de rust in mijn kamer verstoorde, riep hij opgewonden, terwijl zijn gezicht helemaal straalde zowel van vreugde als verwondering: “Geloof jij dat? Is dat werkelijk waar?” Wat moet ik geloven?” vroeg ik hem, met een verbaasde blik op zijn open Bijbel. “Wel, dit.!” en hij las met een bewogen stem Mattheüs 21:21, 22: Indien gij geloof hebt en niet twijfelt.... al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen.” “Geloof jij dat? Is het waar?”

 

“ Ja”, antwoordde ik, erg verbaasd over zijn opwinding, “natuurlijk is het waar - ik geloof het beslist”.

 

Maar, intussen flitsten er allerlei gedachten door mijn hoofd!

 

“Zeg, dat is een heel merkwaardige belofte,” zei hij. “Ik heb de indruk dat er geen grenzen aan zijn! Waarom bidden we eigenlijk niet vaker?” Toen ging hij weg, mij met veel stof tot nadenken achterlatend. Zó had ik deze teksten nog nooit bezien.

 

Terwijl de deur dichtviel achter deze jeugdige volgeling van de Here Jezus, ontving ik een visie op mijn Zaligmaker en Zijn liefde en macht, zoals ik nog nooit had gehad. Ik ontdekte de mogelijkheid van een gebedsleven en - zoals hij het genoemd had - van die onbegrensde macht, die afhankelijk is van slechts twee dingen: geloof en gebed.

 

Nu was het mijn beurt om ontroerd te zijn. Ik viel op mijn knieën en... welke gedachten welden er op uit mijn hart, welk een hoop en verlangen stroomde door mijn ziel, terwijl ik mij voor mijn Heer neerboog! God sprak op bijzondere wijze tot mij. Dit was een belangrijke oproep om te bidden. Maar - ik moet het tot mijn schande zeggen - ik heb op deze oproep destijds niet voldoende acht geslagen.

 

Waarin faalde ik? Zeker, ik bad wat meer dan voorheen, maar er scheen niets te gebeuren. Hoe kwam dat? Was het omdat ik nog niet besefte welke een hoge standaard de Heiland voor ons innerlijke leven noodzakelijk acht, wil ons bidden een gezegende uitwerking hebben?

 

Was het omdat ik nagelaten had mijn levenspeil op te trekken tot de standaard van de “volmaakte liefde” die ons in het dertiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Corinthiërs zo prachtig wordt beschreven?

 

Ik zag in dat bidden niet is “het in werking stellen van een voornemen om te gaan bidden”. Evenals David, moeten we leren uitroepen: “Schep mij een rein hart, o God!” (Ps. 51) voor we echt kunnen bidden. En ook heden hebben we meer dan ooit acht te geven op de geïnspireerde woorden van de apostel der liefde: “Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden” (1 Joh. 3:21, 22).

 

Ja het is waar, en ik geloof het.” Ja werkelijk, dat had ik gezegd! Het is een grenzeloze belofte en toch.... wat is deze nog weinig werkelijkheid voor ons, hoe weinig durven we daar nog in het geloof de hand op te leggen. En onze Heiland ontzet Zich over ons ongeloof.

 

Als we er maar toe konden komen om het Evangelie als voor de eerste keer te lezen, wat een verbazingwekkend boek zou het voor velen zijn! Moesten de “verbazing” en “verwondering” niet aan onze kant zijn?”

 

Op dit ogenblik wil ik deze dringende oproep tot gebed aan u doorgeven. Wilt u er acht op slaan? Wilt u er uw voordeel mee doen? Of zal het ook aan dovemans oren gebracht zijn net als destijds bij mij en zal uw leven toch zonder gebed blijven?

 

Mede-christenen, laten we wakker worden! De duivel verblindt onze ogen. Hij tracht te verhinderen dat wij deze vragen over het gebed onder ogen zien.

 

Deze bladzijden werden op speciaal verzoek geschreven. Maar het is reeds vele maanden geleden dat dit verzoek tot mij kwam. Iedere poging om te beginnen met schrijven werd verhinderd en zelfs nu ik mij er toe zet, ben ik mij bewust van een vreemde drang die mij daarvan tracht te weerhouden. Er schijnen geheimzinnige machten te zijn, die mijn hand willen tegenhouden.

 

Zijn wij ons er van bewust dat de duivel nergens zo beducht voor is als voor gebed? Zijn grote zorg is ons daarvan af te houden. Het doet hem niets als hij ziet dat we “bedolven” zijn onder veel werk, mits we er maar niet bij bidden. Hij is niet beangst als we ernstige en ijverige onderzoekers van de Bijbel zijn, als we er maar weinig bij bidden.

 

Iemand heeft de wijze opmerking gemaakt: “Satan lacht om ons zwoegen; spot met onze wijsheid; maar beeft als we bidden!”

 

Dit alles moge ons nog zo bekend in de oren klinken, de vraag is: bidden we werkelijk? Als dat niet zo is, dan zullen we slechts nederlagen ervaren, welke tekenen van schijnbaar resultaat er ook mogen zijn.

 

Laten we nooit vergeten dat het belangrijkste wat we voor God en mensen kunnen doen is: te bidden. Want we kunnen heel wat meer bereiken door onze gebeden dan door ons werk.

 

Gebed is almachtig, het kan alles bewerken wat God kan! Als wij bidden werkt God. Iedere vrucht in de dienst is een gevolg van gebed - van het gebed van de arbeider zelf of van degenen die heilige handen voor hem opheffen.

 

We weten allemaal wat bidden is, maar wellicht moeten velen van ons met de discipelen roepen: Here, leer ons bidden!”

 

Neemt tijd om te knielen,

Spreekt dikwijls met God!


 



Naar de pagina met de ander hoofdstukken. Zie punt C.
HOME