Profetisch Perspectief

Handboek bij de studie van de bijbelse profetie

C. van der Haagen

Uitgeverij Het Zoeklicht, postbus 99, 3940 AB Doorn, ISBN 90 6451-017-2

 

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z

 

 

Dit encyclopedisch handboek bij de studie van de profetie is geplaatst met toestemming van ds. Schouten van het Zoeklicht. Lees ook het voorwoord dat broeder  Schouten heeft geschreven. Het boek is op dit moment (november 2006) nog steeds te bestellen bij Uitgeverij het Zoeklicht of via de boekhandel.

 

In perspectief

Voor u ligt een heruitgave van een boek dat we reeds in 1975 mochten uitgeven. We hebben besloten dit boek opnieuw uit te brengen, omdat we merkten dat er in onze omgeving behoefte aan is. Er is grote ondui­delijkheid aangaande het profetisch woord en de heilshistorische lijn die daarin te vinden is, maar vooral blijkt er grote onkunde te zijn waar het om concrete bijbelse woorden gaat, juist met betrekking tot de laat­ste dingen.

Natuurlijk zijn er veel boeken aangaande die laatste dingen geschreven, niet zelden waren het zelfs “bestsellers”. Bij veel van die boeken vinden we een tijdgebonden klank. De auteur, levend in een bepaalde maat­schappelijke en politieke context, schreef vanuit die achtergrond en daar klonk naast veel goeds steevast iets door van die gedateerde situa­tie. De kracht van dit boek is dat hier zuiver gezocht is naar de beteke­nis van bijbelse woorden, los van maatschappelijke of politieke context. U vindt in dit boek dan ook niet primair een eschatologisch raamwerk, maar het boek biedt wel hulp tot het verkrijgen van meer inzicht in Gods plan met de wereld. Juist door dit boek willen we stimuleren tot meer onderzoek in de profetische schriften.

De kamerling, onderweg vanuit Jeruzalem, las het profetisch woord. Op de vraag “verstaat gij wat gij leest?” moest hij het antwoord schuldig blijven. Er was niemand die hem de weg wees. De toegetreden Filippus mocht hem het profetisch woord openen. In geloof werd de Heiland aanschouwd. Gaat het daar ten diepste in profetie niet om? Daarin wordt ons de weg gewezen waarlangs het straks tot aanschouwen van de Heiland mag komen.

Profetisch Perspectief is niet een boek om zo uit te lezen, het is ook niet een studieboek in de directe zin. Het is meer een hulpboek bij bijbel­studie, vooral waar het woorden aangaande de laatste dingen betreft. Daarom zou dit boek in geen enkele boekenkast van een bijbelstudent mogen ontbreken.

Mijn bede is dat het velen helpen zal in hun studie van het profetisch woord tot eer van onze God en Heiland. Hein verwachten wij, naar Hem zien wij uit.

Maranatha, Jezus komt!

Doorn, februari 2002                                                                                     DS. HENK SCHOUTEN

 

De pijltjes ¬  in de tekst verwijzen naar elders in dit boek behandelde onderwerpen

 

A

AARDBEVINGEN kwamen in de bijbelse landen sinds voorhistorische tijden veelvuldig voor. Van de in het O.T. vermelde aardbevingen, schijnt die, welke plaats had ten tijde van koning Uzzia (Zach. 14:5), een zeer grote indruk te hebben gemaakt. In het N.T. vinden wij ze genoemd als begeleidende verschijnselen bij de kruisiging van Jezus (Matth. 27:54) en bij diens opstanding (Matth. 28:2). Paulus en Silas werden door een aardbeving bevrijd uit de gevangenis te Filippi (Hand. 16:26).

In de eindtijd zal de Dag des Heren ¬ met geweldige aardbevingen gepaard gaan. In Openb. 6:12 lezen wij van een grote aardbeving bij de opening van het zesde zegel ¬. Bij de hemelvaart van de twee getuigen ¬ in Openb. 11, blijkt eveneens een zeer sterke aardbeving plaats te vinden, waarbij een tiende deel van Jeruzalem wordt verwoest en zeven­duizend mensen de dood vinden. Ook als Gogs legerscharen op de ber­gen van Israël zullen zijn samengestroomd, zal het land door een zware aardbeving geteisterd worden (Ez. 38:19).

Verder wordt over nog toekomstige aardbevingen gehandeld in Matth. 24:7; Mark. 13:8; Luk. 21:11; Openb. 8:5. De grootste nog te verwachten aardbeving - “zo groot als er geen geweest is sedert het bestaan der mensheid” - wordt voorspeld in Openb. 16:18, waar de zevende schaal van de gramschap van God wordt uitgegoten over de aarde (® Zeven toornschalen).

AARTSENGEL (® Engelen).

ABADDON (Hebr.) of Apollyon (Gr.) is de naam van een gevallen engel en betekent: verderf, verdoemenis of ondergang. Hij wordt in Openb. 9:11 de “engel des afgronds” genoemd en voorgesteld als de koning der boze geesten, die bewaard worden in de “put des afgronds” Afgrond).

ABYSSUS (® Afgrond).

AFGROND (Abyssus) is de naam van de gevangenis der boze geesten, die gesteld zijn onder Abaddon ®, hun koning (Openb. 9:11, 17:8, 20:3). Op die plaats worden de engelen, die aan hun oorsprong ontrouw zijn geworden, in duisternis bewaard tot de dag des oordeels (Judas:6). Deze gevangenis is blijkbaar de grote vrees van de demonische mach­ten, want de geesten, eens door Jezus uit de bezetene te Gadara gewor­pen, baden Hem niet naar de afgrond te worden verwezen (Luk. 8:31).

AFVAL. Op tal van plaatsen in de Schrift wordt gesproken over afval, maar in 2 Thess. 2:3 gaat het over de afval, als één der verschijnselen van de eindtijd ¬. Dat zal een afval zijn op grote schaal en het is vanzelf­sprekend, dat deze niet zal plaats hebben in de wereld, maar in de kerk! De apostel Paulus stelt deze afval als gelijktijdig optredende met de openbaring van de antichrist ¬, wiens geest reeds krachtig in de wereld werkzaam is (1 Joh. 4:3). Het is zeker mogelijk, dat de “nieuwe theolo­gie” en de zeer funeste gevolgen hebbende bijbelkritiek een voorberei­ding, zoal niet de aanvang betekent van de massale afval, die aan de grote Dag des Heren ¬ zal voorafgaan.

AIOON (® Eeuw).

ALEXANDER DE GROTE, koning van Macedonië (336 - 323 vC), beroemd wereldveroveraar. Hij was de stichter van het Grieks-­Macedonische rijk, dat we in het droombeeld van Nebukadnezar uit Daniël 2 zien voorgesteld als het derde wereldrijk, met de buik en dijen van koper (® Statenbeeld).

Alexander de Grote was een geniaal veldheer, die echter reeds op 33­-jarige leeftijd stierf. Hoewel in de bijbel niet met name genoemd, wordt hij in Dan. 8:5 gesymboliseerd in de geitenbok en in Dan. 11:3 betiteld als “een heldhaftige koning, die met grote heerschappij zal regeren en doen wat hem goeddunkt”.

ALLEGORIE is de naam van een soort beeldspraak, zoals die ook in de bijbel voorkomt. Paulus maakt er o.a. gebruik van in Gal. 4:24, als “iets, waarin een diepere zin ligt”. Zo is ook b.v. het door Jezus in joh. 15 gebruikte beeld van de wijnstok en de ranken een allegorische voorstel­ling. Bij het lezen van het profetisch woord, vooral wat betreft het boek Openbaring, moet goed worden onderscheiden wat allegorisch, dan wel letterlijk dient te worden verstaan. Er wordt heel wat geallegoriseerd en vergeestelijkt, waar dit in geen geval mag gebeuren. Op die wijze wordt aan de waarheid en de boodschap van de bijbel vaak veel geweld aange­daan. De apostel Petrus vermaant dan ook niet voor niets, dat “geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat” (2 Petr. 1:20). Vooral de kerkvader Origenes (185 - 254) heeft zich op een ontoelaat­bare en voor de toekomstverwachting der kerk waarlijk funeste wijze schuldig gemaakt aan verregaande allegorisering. Reeds 18 eeuwen lang wordt onze kerkelijke dogmatiek beïnvloed door de vergeestelij­kingstheologie van deze filosoof, en dat hoewel men altijd geweten heeft, dat diens denken geheel werd beheerst door de platonische wijs­begeerte. Zo heeft hij, als nochtans gezaghebbend theoloog der eerste eeuwen en nagevolgd door de beroemde kerkvader Augustinus, in heel de kerk een diepingrijpend dwalen in Schriftbeschouwing teweegge­bracht, dat nog tot op de huidige dag voortduurt. Aan zijn vergeestelij­king van de bijbelse toekomstverwachting kan geweten worden, dat voor de kerk het profetisch woord onleesbaar is geworden en krachte­loos gemaakt.

Voor een juist verstaan der profetieën is bijbelgeloof nodig en een zich onderwerpen aan de voorlichting van de Heilige Geest, van Wie Jezus heeft gezegd: “de toekomst zal Hij u verkondigen” (Joh. 16:13). Het onderzoek dient dan ook steeds biddend te geschieden, in diepe afhan­kelijkheid van Gods Geest en steeds Schrift met Schrift vergelijkende.

ALPHA EN OMEGA, de eerste en laatste letter van het Griekse alfabet. In het boek Openbaring hebben deze letters speciale betekenis verkre­gen als aanduiding van “het begin en het einde”; met welke woorden

Jezus Zichzelf voorstelt als de Schepper en Voleinder der we­reld. Zie Openb. 1:8, 11; 21:6; 22:16.

 

 

ALSEM. Naam van een wilde plant, die zich kenmerkt door een bittere smaak. In Jer. 9:15; 23:15; Klaagl. 3:19 wordt alsem vergif genoemd. Openb. 8:11 spreekt van een grote ster, genaamd “Alsem”; die op de aarde valt. Dit heeft tot gevolg, dat een derde deel van alle rivieren en waterbronnen vergiftigd wordt en een grote sterfte plaats heeft.

AMMI (Hebr.: mijn volk). Deze naam, in combinatie met de naam Lo­-Ammi, wordt in de bijbel gebruikt als type van de verwerping en latere wederaanneming van het volk Israël door de Here. Men leze Hosea 1:9­12 en 2:2-22. In werkelijkheid was Lo-Ammi het derde kind, dat de pro­feet Hosea kreeg bij zijn vrouw, de ontuchtige Gomer.

ANTICHRIST. Met deze naam, die de betekenis heeft van “tegen­christus”; wordt in de bijbel de persoon aangeduid, die zich in de eind­tijd openlijk zal stellen tegenover God en de Here Jezus. Als dictator van het dan inmiddels weer herrezen Romeinse rijk ¬ - het rijk “dat was en niet is en er toch zal zijn” (Openb. 17:8) - zal deze in de wereld een geweldige macht uitoefenen. Op geniale wijze zal hij orde scheppen in de chaos van internationale toestanden, waardoor zijn populariteit zal uitgroeien tot goddelijke aanbidding (Openb. 13:3, 4). Hij zal de wereld een schijnvrede brengen, die spoedig gevolgd wordt door oorlog, hon­gersnood en dood (Openb. 6:1-8; 1 Thess. 5:3). Zie “Ruiterstoet uit Openbaring”.

De heerschappij van deze dictator zal zeven jaar duren, welke periode overeenkomt met de 70e jaarweek ¬ uit Dan. 9:26, 27. Door hem zul­len de tijden en wetten veranderd worden en zijn heerschappij en macht zal hij verkrijgen van de “draak” ¬, d.i. satan zelf (Openb. 13:2; 12:9).

Hoewel zijn komst in de wereld nu reeds wordt voorbereid door de geest van de antichrist (1 Joh. 4:3), wordt de openbaring van zijn per­soon in levende lijve nog tegengehouden door het verblijf op aarde van de Gemeente, omdat daarin de Geest Gods woont (2 Thess. 2:7, 8).

De antichrist zal zijn macht uitoefenen in nauwe samenwerking met de “valse profeet” (Openb. 16:13). Beide figuren worden in het laatste bij­belboek voorgesteld als beesten. In Openb. 13 ziet Johannes een beest opkomen uit de (volkeren)zee, dat een combinatie vormt van het her­stelde Romeinse rijk en de persoon van de antichrist (® Beest uit de zee). Een ander beest, dat niet uit de zee maar uit de aarde opkomt, is het symbool van de valse profeet ¬ die als pseudo-godsdienstig leider een duivelse invloed op de mensheid zal uitoefenen (® Beest uit de aarde).

Op grond van enkele schriftuurlijke aanduidingen, zoals b.v. in Dan. 11:37, 38, is het zeer wel mogelijk, dat de antichrist een Jood zal zijn. Ireneus vermoedt, dat hij voort zal komen uit de stam Dan. Hij steunt daarbij op het feit, dat deze stam niet voorkomt in de schare van de 144.000 verzegelden uit de stammen Israëls (® Honderdvierenveertig duizend). In ieder geval is het haast ondenkbaar, dat Israël een niet-­Jood als messias zou aannemen.

Israëls zuiver aardse messiasverwachting zal dan ook mogelijk gestalte krijgen in de persoon van de antichrist. Zij zullen met hem een zeven­jarig verbond sluiten, dat echter na drieënhalf jaar door de antichrist op verraderlijke wijze zal worden verbroken. Dan breekt voor Israël aan de “tijd der benauwdheid van Jakob” (Jer. 30:7), door Jezus aangekondigd als de “grote verdrukking” ¬, waarin dit volk en met hem ieder die de Naam des Heren aanroept, zal worden blootgesteld aan de zwaarste ver­volging aller tijden (Matth. 24:21). Vrijheid van godsdienst en geweten zal dan hebben afgedaan (Dan. 8:10-12). In de tempel te Jeruzalem wordt de “gruwel der verwoesting” ¬ opgericht, in de vorm van een beeld van het beest ¬, dat dan door alle aardbewoners moet worden aangebeden, op straffe van maatschappelijke uitsluiting en dood. Zij, die zich hieraan onderwerpen, ontvangen een merkteken van het beest ¬ op hun rechterhand of voorhoofd. Hoewel zij daardoor hun aardse leven redden, zijn zij voor eeuwig verloren en is hun toekomst de poel van vuur en zwavel, dat is de hel.

Voor wat de Gemeente Gods gedurende die verschrikkelijke tijd betreft, geeft de bijbel de zekerheid, dat de kinderen Gods voor die “ure der ver­zoeking” (Openb. 3:10) bewaard zullen worden. Vóór de grote verdruk­king ¬ aanbreekt, wordt de Gemeente van de aarde “geëvacueerd” en opgenomen in de hemel (1 Thess. 4:13-18).

Na zeven jaar zal aan de activiteiten van de antichrist en zijn valse pro­feet een einde worden gemaakt bij de “Wederkomst des Heren” ¬. Dan zullen beiden gegrepen en levend geworpen worden in de poel des vuurs (Openb. 19:20).

Met betrekking tot zijn wezen en wezen wordt de antichrist in de bijbel onder de volgende benamingen aangeduid:

antichrist - 1 Joh. 2:18, 22; 4:3; 2 Joh.:7

mens der zonde - 2 Thess. 2:3 S.V

mens der wetteloosheid - idem, N.B.G.

zoon des verderfs - 2 Thess. 2:4

tegenstander - 2 Thess. 2:4

wetteloze - 2 Thess. 2:8

vorst - Dan. 9:26, 27

voortstormende gesel - Jes. 28:15, 18,

en voorgesteld in symbolen als:

beest uit de zee - Openb. 13:10-17; 19:20
ruiter op het witte paard (Openb. 6:2). Niet te verwarren met de Ruiter op het witte paard uit Openb. 19:11, waarin Christus wordt voorgesteld.

het getal 666 - Openb. 13:18
kleine horen (Dan. 7:8).

ANTIOCHUS EPIFANES (175 - 164 vC). Deze monsterachtige figuur wordt niet met name genoemd in het O.T., maar over hem wordt geprofeteerd in Dan. 11:31. Hij was de zoon van Antiochus 111, bijgenaamd “de Grote”. Als koning van Syrië (223 - 187 vC) was deze bekend door zijn vele krijgstochten. Ook over hem wordt - eveneens anoniem -gehandeld in Daniël 11.

Antiochus Epifanes was een duivelse machtswellusteling, die in vele opzichten als een nauwkeurig type kan worden gezien van de komende antichrist ¬. Volgens Polybius verdient hij eerder de naam Epimanes (waanzinnige) dan Epifanes (manifeste god).

Antiochus bejegende het Joodse volk op de meest kwalijke wijze, roeide hun godsdienst uit en ontheiligde de tempel op geraffineerde wijze, door op het brandofferaltaar een altaar voor Zeus te bouwen en daarop zwijnen te offeren. Zijn goddeloos despotisme heeft de stoot gegeven tot de grote opstand der Makkabeeën.

APOLLYON (® Abaddon).

ARMAGEDDON, afgeleid van Har-Megiddo, lett.: berg van Megiddo. Het woord “Armageddon” komt alleen voor in Openb. 16:16, waar het in verband wordt gebracht met de laatste grote eindstrijd der volken, die zal plaats hebben op Israëls grondgebied. Bij deze oorlog zal het niet gaan om politieke oogmerken of gebiedsuitbreiding, maar wordt het in wezen een samenspannen van de koningen der aarde tegen de Here en Zijn Gezalfde (Psalm 2).

Met deze oorlog, die de vreselijkste aller tijden zal zijn, wordt de totale vernietiging van het volk der Joden beoogd. In deze strijd zal de satan zijn hoogste troeven uitspelen in een woedende, wanhopige poging, om als­nog zijn troon aan die van de Allerhoogste gelijk te maken (Jes. 14:13, 14). Wetende dat het Koninkrijk van Christus nadert, zal hij in uiterste machtsontplooiing trachten te voleindigen, wat hem in de loop der eeu­wen en vooral in de Tweede Wereldoorlog slechts ten dele gelukte, namelijk de uitroeiing van het gehele Joodse volk. Ingeval deze opzet zou slagen, dan was daarmee het Koningschap van Christus door satan tot een onmogelijkheid gemaakt en had hij de strijd met God gewonnen. Maar Die in de hemel woont lacht en de Here spot met de enorme legermachten, die door de koningen der aarde op aansporing van drie onreine geesten uit de afgrond op de been zullen worden gebracht (Openb. 16:13, 14).

Hoewel zoals gezegd het woord Armageddon slechts “éénmaal in de bij­bel voorkomt, wordt op vele plaatsen in het profetisch woord over de daarmee bedoelde eindstrijd der volkeren gehandeld. Uit de ons daarin verstrekte gegevens weten wij, dat de uitgestrekte Vlakte van Jizreël ¬, ook wel genoemd de vlakte van Megiddo, de voornaamste verzamel­plaats zal wezen van de verbonden legers van de koningen der aarde.

Al in de boeken Richteren, Koningen en Kronieken wordt melding gemaakt van grote veldslagen, die in de geschiedenis op die vlakte heb­ben plaatsgevonden. Ook later hebben vele legers, van Nebukadnezar af tot Napoleon toe, in de Vlakte van Jizreël hun bivak opgeslagen of strijd geleverd.

In Openb. 16:12-16 lezen wij, hoe de geesten van de draak ¬, de anti­christ ¬ en de valse profeet ¬ zullen uitgaan tot de koningen der gehe­le wereld, “om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God … en hij verzamelde hen op de plaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Harmágeddon”.

Echter, hoe groot de Vlakte van Jizreël ook moge zijn, toch zal deze niet voldoende plaats kunnen bieden aan de miljoenenlegers van de anti­christ en zullen deze zich ook verspreiden over de bergen Israëls. We lezen althans van Gogs legerscharen, dat deze in het bergland verslagen zullen worden (Ezech. 39:2-4). Ook Jeruzalem zal rondom door legers worden ingesloten.

Zacharia 14 geeft dramatische bijzonderheden over de belegering van Jeruzalem en zegt daarvan: “Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen wor­den geplunderd en de vrouwen geschonden. De rest van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden” (Zach. 14:2).

De gedachte, dat deze profetie slaat op de inname van Jeruzalem door Titus, in het jaar 70, wordt afdoende gelogenstraft door het vers dat er direct op volgt: “Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed ten dage van de krijg; Zijn voeten zul­len te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde” (Zach. 14:3, 4).

Als Satans oogmerk: de totale vernietiging van het volk Israël, bijna bereikt is, dan verschijnt aan de hemel het teken van de Zoon des mensen en heeft de Wederkomst des Heren ¬ plaats op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid, waarbij Hij vergezeld zal worden van hemelse legerscharen, gehuld in witte klederen en gezeten op witte paarden.

Als Christus’ voeten zich dan zullen plaatsen op de olijfberg, vanwaar Hij ook eens ten hemel is gevaren, dan zal deze berg, mogelijk door een enorme aardbeving (zie Openb. 16:17-20; Jes. 24:19, 20), middendoor splijten en een zeer groot dal vormen, waardoor de Joden zullen kun­nen vluchten naar de bergen.

Christus’ wederkomst zal het begin zijn van de eigenlijke eindstrijd. Dan gaat letterlijk in vervulling, wat geprofeteerd is in Psalm 2:2 “De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en Zijn Gezalfde”. Het zal een ontzettende strijd zijn, waarbij de wereld zal schudden op haar grondvesten. Een afgrijselijke plaag zal de legers der volken treffen, waarvan de beschrij­ving herinnert aan de verschijnselen, die optraden bij de atoombom­aanval op Hirosjima en Nagasaki. Wie bij dat vreselijk gebeuren niet onmiddellijk werd gedood door de alles verzengende vuurgloed, werd levend verteerd door de uitstralende radioactiviteit.

Hoezeer komt dit overeen met wat wij lezen in Zach. 14:12 “Dan zal dit de plaag zijn, waarmee de Here alle volken zal treffen, die tegen Jeruzalem zijn uitgerukt: Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn voe­ten staat, doen wegteren, en ieders ogen zullen wegteren in hun kassen, en ieders tong zal wegteren in zijn mond”.

Ook zal er een dusdanige verwarring onder de troepen ontstaan, dat zij geheel verblind en verbijsterd de een de ander te lijf zullen gaan en zo elkander vernietigen. Het gevolg zal zijn een afgrijselijk bloedbad, zoals de aarde niet eerder heeft gekend (Openb. 14 20).

Als Christus in deze slag vernietigend zal hebben afgerekend met de Godevijandige legermachten, dan is voor altijd een einde gekomen aan de heidense heerschappij der volken en daarmede aan de “tijden der heidenen” ¬, waarover Jezus sprak in Lukas 21:24. De antichrist en zijn valse profeet worden levend in de poel des vuurs geworpen (Openb. 19:20), terwijl de satan wordt gebonden en voor duizend jaar verdwijnt in de afgrond ¬ (Openb. 20:1-3). Daarna zal in het Dal van Josafat ¬, dat gelegen is aan de voet van Jeruzalems oostmuur, de gerichtstroon worden opgericht, waarvoor alle volken der aarde zullen worden gedaagd, om zich voor Christus te verantwoorden inzake hun houding en gedrag jegens de Joden (® Volkerengericht).

Velen verwarren deze gerichtstroon met de grote Witte Troon ¬ uit Openb. 20. Daar is echter sprake van het laatste oordeel ¬, dat eerst plaats zal vinden aan het eind van alle dingen, dus na de algemene opstanding der doden.

Als Israël op het moment van Christus’ wederkomst zijn Koning zal heb­ben aanvaard en satan als “overste dezer wereld” is uitgeschakeld, staat niets het Koninkrijk van Christus meer in de weg en zal Hij plaats nemen op de troon Zijner heerlijkheid te Jeruzalem. Dan breekt de gezegende tijd aan, waarvan wij lezen in Jes. 9:6 “Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn Koninkrijk, door­dat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen”.

Schriftplaatsen over Armageddon

Naam en betekenis: Openb. 16:12-16.

Strijdtoneel: Megiddo Joz. 12:21; 1 Kon. 9:15; Vlakte van Jizreël alias Dal van Megiddo 2 Kron. 35:22; Richt. 7; Bergen Israëls Ezech. 39:2, 4; Dal van Josafat alias Dal der beslissing Joël 3:12; Zach. 12:9; 14:2; Palestina, vanaf Bozra (Edom) tot aan de noordelijke bergen Jes. 63:1-4, vgl. Jes. 34:1-6 en Openb. 14:19, 20.

Verzameling tot de strijd: Ps. 2:2; Joël 3:9, 14; Micha 4:11-14; Zef. 3:8; Openb. 16:13, 14; 19:19.

Doel Armageddon (totale vernietiging van het Joodse volk) Ps. 83:3-5; (roof van het Joodse vermogen) Ezech. 38:10-13.

Bondgenoten: de koning van het Noorden (Assur) Jes. 30:31-33, 31:8, 10:24­26; de koning van het verre Noorden (Gog) Ezech. 38:14-16, Dan. 11:40; Gog de vorst van Ros Ezech. 38 en 39 met zijn geallieerden: Perzen, Ethiopiërs, Puteeërs, Gomer en Togarma Ezech. 38:1-6; de koning van het Zuiden Jes. 19:1, Dan. 11:4-9, 40-44; de koningen van de opgang der zon Openb. 16:12.

De dag der wrake Gods: Jes. 30:30; 34:6-8; 59:17; 61:2.

Begeleidende natuurverschijnselen: Joël 2:31; 3:15; Jes. 13:10; Ezech. 38:20, 22; Amos 5:18-20; Zach. 14:6, 7; Openb. 16:18-21.

De oogst der aarde: Openb. 14:14-16.

Jeruzalem als wereldprobleem: Zach. 12:2, 3.

Christus’ wederkomst op de Olijfberg: Zach. 14:4.

Het Woord Gods op het witte paard: Openb. 19:11-19.

Verbijstering en verblinding bij de vijanden: Jes. 19:2, 3; Ezech. 38:21; Zach. 12:4, 14:13.

De nederlaag der volken: Jes. 34; 66:15, 16; Ezech. 38:22; 39:4, 5, 9-16; Openb. 19:17-21.

Israëls verlossing: Jes. 9:1-6; 28:21, 22.

Christus Overwinnaar: 2 Thess. 2:8; Openb. 19:11-16, 21; beest en valse profeet in de vuurpoel Openb. 19:19-21; satan gebonden Openb. 20:1-3. Volkerengericht: Matth. 25:31-46.

Armageddon in de typen

De strijd van Barak tegen Sisera. Zie: Richt. 4 en 5:18-21.

Gideon en de Midianieten: Richt. 6 en 7; Jes. 9:3, 4; 10:24-27; Ps. 83.

David te Baäl-Perazim: Zie 1 Kron. 14:8-17; Jes. 28:2; Jes. 28:14-19; Joël 2:1-8; 3:11.

De rouwklacht van Armageddon: Zie Zach. 12:10-14; 2 Kon. 22:1-20; 23:2-30.

ASSUR. Dit was de eerste hoofdstad van Assyrië ¬, gelegen aan de westoever van de Tigris. Later werd Ninevé de hoofdstad. In de bijbel wordt de naam Assur dikwijls gebruikt om het Assyrische rijk aan te duiden, juist zoals wij b.v. spreken van Londen, als we Engeland bedoe­len. Enkele malen wordt Assur genoemd “de koning van het Noorden”, zoals in profetieën over Armageddon ¬.

ASSYRIE. Dit machtige, oorlogszuchtige rijk bezat tijdens Jesaja zijn grootste uitgestrektheid. In die tijd grensde het in het westen aan de Middellandse Zee, in het zuiden aan de Rode Zee en zuidoostelijk aan de Perzische Golf, in het oosten aan het latere Iran en in het noorden aan de Armenische bergen.

Voor de koninkrijken Israël en Juda heeft de naam Assyrië altijd een grote verschrikking betekend.

Archeologische vondsten hebben de bijbelse gegevens aangaande dit oude rijk op bijzondere wijze bevestigd.

 

B

BABYLON (Hebr. Babel) is oorspronkelijk de stad van Nimrod, “de eerste machthebber op de aarde” (Gen. 10:18, 9). De stad werd 44 eeu­wen geleden gesticht door koningin Semiramis, die tevens de eerste hogepriesteres is geweest van de afgodische mysteriën van Babylon.

Algemeen wordt aangenomen, dat in deze mysteriën de oorsprong te vinden is van alle afgoderij, die zich van daaruit heeft weten te verbrei­den over de gehele aarde. De verdorven Babelcultus werd overgebracht naar Foenicië en daar omgezet in de verering van de moeder-en-kind­-godheid Astoreth en Thammuz. Vandaar ontstond in Egypte de Isis- en Horuscultus, in Griekenland die van Aphrodite en Eros en in Italië de aanbidding van Venus en Cupido. Zo werd in minder dan duizend jaren de grondvorm van de Babylonische mysteriën tot wereldgodsdienst voor al de volken, die de God des hemels niet vereerden. Ook de Baldienst was Kanaänitische vorm van de Babyloncultus, waarmede zelfs Juda besmet is geweest.

In het werk van Hyslop: “The two Babylons”, worden interessante bij­zonderheden vermeld aangaande de Babelcultus. Zo ontdekte de schrij­ver daarin vormen als die van een soort vagevuurloutering na de dood, sacramentele absolutie door de priester, gebruik van heilig water, vere­ring van en offers aan de koningin des hemels (zie Ier. 7:18 en 44:17­19).

Ook in de jonge christelijke kerk ontstonden in elementaire en aange­paste vorm dezelfde afwijkingen en het is best mogelijk, dat die uitein­delijk te wijten zijn aan het principe der Babylonische mysteriën. In ieder geval deden heidense filosofieën hun invloed in de kerk gelden, waardoor de waarheid van de bijbel in zekere mate werd verduisterd en de deur open ging voor allerlei bijgeloof en afgoderij.

Zo mag Babylon terecht in de bijbel genoemd worden: “de moeder van de hoeren (afgoden) en der gruwelen (afgoderij) der aarde” (Openb. 17:5). Haar geestelijk nakomelingschap is nog altijd over de gehele wereld verspreid en blijft actief, totdat een oordeel Gods aan Babylon een verschrikkelijk einde maakt (Openb. 18).

De oude stad is al vele eeuwen geleden verwoest, maar de bijbel wijst een nieuw Babylon aan, waarin echter de beginselen van het oude wor­den voortgezet. In Openb. 17:9 wordt zelfs een geografische aanduiding gegeven, waar men deze stad kan vinden. Zij is gebouwd op zeven ber­gen en moet dus Rome zijn, omdat deze stad inderdaad op zeven heu­velen is gebouwd.

Nu is het niet juist om hierin een aanwijzing te zien, als zou met dit Babylon alleen de Roomse kerk zijn bedoeld. Veeleer moet worden gedacht aan een conglomeraat van godsdiensten, die niet steunen op het woord der Schrift en andere objecten van verering en aanbidding hebben dan de drie-enige God alleen. Wordt met het apocalyptische Babylon dus ongetwijfeld heel de afvallige kerk bedoeld - onder welke naam die ook existeert - toch zien we de Roomse kerk in de beschrij­ving van de vrouw op het beest duidelijk een voorname plaats innemen (zie Openb. 17:1-6). Opmerkelijk is b.v. dat de Roomse kerk pretendeert de “moederkerk” te zijn. Ook vragen we ons af, waar zoveel scharlaken, goud, edelgesteenten en parels gevonden worden, als juist in de kerk van Rome. En dan die gouden beker “vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij”; die de vrouw in haar hand houdt. Wie denkt daarbij niet aan de gouden monstrans, zoals die bij de mis door de priester ter aan­bidding wordt opgeheven, ten overstaan van de gelovigen? Bevindt zich in deze beker niet de “geconsacreerde” hostie, die toch niet meer dan een doodgewone ouwel is. De Heidelbergse Catechismus heeft de aan­bidding daarvan veroordeeld als “een vervloekte afgoderij”, maar dat te zeggen behoort tegenwoordig in vele protestantse kringen niet meer tot de goede toon. Vooral niet, omdat dit de aanpapperij met Rome in de weg kan staan. Maar het blijft nipt minder waar, dat het knielen voor zo’n stukje brood een gruwelijke afgoderij is.

De vrouw op het beest was dronken van het bloed der heiligen en van de getuigen van Jezus. Wie kan ontkennen, dat de Roomse kerk schuldig is aan het bloed van vele duizenden gelovigen, die de marteldood gestorven zijn onder de beulshanden der Inquisitie?

Het zij verre van ons, om in hetgeen wij hierboven schreven, een oor­deel te vellen over Rooms-katholieke mensen. Hieronder bevinden zich ongetwijfeld veel broeders en zusters, die ofschoon zij in vele opzichten te goeder trouw dwalen, de Here Jezus van harte liefhebben. Ook wordt nogmaals herhaald, dat het Babylon van de eindtijd niet alleen de r.k. kerk zal zijn, doch veeleer een vereniging van kerken, waarin Jezus Christus niet de eerste plaats inneemt, maar gedevalueerd is tot een soort ethisch begrip, om tenslotte, als niet meer overeenkomende met de nieuwe levens- en wereldbeschouwing, buiten de deur der kerk te worden gezet (Openb. 3:20).

Het oordeel over Babylon zal vreselijk zijn. Een geheel hoofdstuk van het boek Openbaring is aan de beschrijving daarvan gewijd. De val van Babylon zal op één dag plaatsvinden en een verschrikkelijke uitwerking hebben op de inwoners der aarde (Openb. 18:8). Doch terwijl alom zal worden geweeklaagd en rouw bedreven, weerklinken in de hemel gewel­dige Halleluja’s en wordt aldaar “Het lied op de val van Babylon” gezon­gen. Vreugde vooral onder de martelaren, omdat God “hun rechtszaak heeft berecht” (Openb. 18:20).

BAZUINEN (® Zeven bazuinen).

BEDELINGEN. De bijbel verdeelt “de tijd”; d.w.z. de gehele periode vanaf de schepping van Adam tot de nieuwe hemel en aarde, in zeven zogenaamde “bedelingen” van ongelijke duur. Vijf daarvan zijn reeds voorbijgegaan, in de zesde leven wij en de zevende moet nog komen. Het is “Gods plan der eeuwen”, waarvan wij de tijdperken (aionen) als volgt kunnen onderscheiden:

1. Bedeling der onschuld (vanaf Adam tot de uitdrijving uit Eden).

2. Bedeling van het geweten (vanaf de uitdrijving uit Eden tot aan de zondvloed). Duur 1655 jaar.

3. Bedeling van de menselijke heerschappij (vanaf de zondvloed tot aan de Babylonische spraakverwarring). Duur 325 jaar.

4. Bedeling der belofte (van Abraham tot uittocht uit Egypte). Duur 430 jaar.

5. Bedeling der Wet (van uittocht uit Egypte tot aan de kruisiging van Christus). Duur 1635 jaar.

6. Bedeling der genade; de huidige bedeling (van kruisiging van Christus tot de opname der Gemeente). Duur niet bekend, doch mogelijk ± 2000 jaar.

7. Bedeling van het Koninkrijk van Christus (vanaf de Wederkomst des Heren tot aan de ontbinding van satan). Duur 1000 jaar.

BEELD VAN HET BEEST (Openb. 13). Terwijl de apostel Johannes zich als banneling op het eiland Patmos ¬ bevindt, ziet hij in één van zijn visioenen achtereenvolgens twee beesten verschijnen. Het eerste komt op uit de zee en symboliseert het herstelde Romeinse rijk ¬ en tevens de persoon van de antichrist ¬, terwijl het tweede beest een voorstel­ling is van de valse profeet ¬ en uit de aarde oprijst. Door de valse pro­feet zal van het eerste beest een beeld worden vervaardigd, dat in Dan. 12:12 en in Matth. 24:15 wordt genoemd “de gruwel der verwoesting, staande op de heilige plaats”. Deze heilige plaats kan geen andere zijn dan de voorhof of misschien zelfs wel het Heilige der heiligen van de tempel te Jeruzalem.

Door wie weet welke occulte satanskracht wordt aan dit beeld “een geest” gegeven, zodat het tot verbazing van heel de wereld zelfs in staat is tot spre­ken. Dan zullen alle inwoners der aarde een oproep krijgen om voor het beeld te Jeruzalem (of mogelijk een afgietsel daarvan op diverse plaatsen) te verschijnen, teneinde zich daarvoor te buigen en het beest te aanbidden. Het zal de meeste mensen niet moeilijk vallen een geniaal wereldleider als de antichrist zal blijken te zijn, goddelijke eer te bewijzen, temeer daar hij over zulke krachten weet te beschikken, dat hij zelfs dode stof kan laten spreken.

Maar wee hen, die zullen weigeren het beest te aanbidden! Op gruwe­lijke wijze zullen zij worden vervolgd en om het leven gebracht worden. Maar zij worden opgewekt en Johannes ziet de martelaren in een ontel­baar aantal staan voor de troon van God en het Lam. Ze zijn bekleed met het witte gewaad der gerechtigheid en hebben de palmtakken der overwinning in de hand (Openb. 7:9-17). Gekomen uit de grote ver­drukking, mogen zij nu staan voor Gods troon en Hem dag en nacht vereren in Zijn tempel. Hij Zelf zal hen weiden en voeren naar water­bronnen des levens.

Zij die aan het bevel tot aanbidding van het beeld gehoor geven, ont­vangen op hun rechterhand of voorhoofd een merkteken, dat hen met lijf en ziel verbindt aan de antichrist en in hem aan de draak ¬, de satan. Zij zijn daardoor voor eeuwig verloren en hun deel zal zijn in de poel van vuur en zwavel.

BEER (® Vier dieren uit de zee).

BEEST UIT DE ZEE (Openb. 13:1-10). In de bijbel is de zee ¬ heel dikwijls het zinnebeeld van de onstuimigheid der volken, die evenals de zee vaak in heftige beroering zijn. Zie Openb. 17:15; Jes 17:12-13; 57:20. Aan het strand van Patmos ¬ krijgt Johannes een gezicht, waarin hij een monsterlijk beest uit de zee ziet opkomen. Het had zeven koppen en de gedaante van een luipaard, maar met de poten van een beer en een muil als die van een leeuw. Verder ziet Johannes, dat het beest tien horens heeft, die elk voorzien zijn van een kroon. De satanische afkomst van het monster blijkt uit de namen van godslastering, zoals die op de zeven koppen geschreven staan.

Vergeleken roet Daniël 7 toont de beschrijving in Openb. 13 aan, dat er veel overeenkomst bestaat tussen het beest door Johannes gezien en de vier dieren, die Daniël achter elkaar uit de zee zag opkomen. Het eerste daarvan was een leeuw met arendsvleugelen (het Babylonische rijk); het tweede gelijk een beer (het Medo-Perzische rijk) ; het derde een luipaard met vier koppen en vier vogelvleugels (het Grieks-Macedonische rijk). Wat het vierde dier betreft, het is niet moeilijk de geaardheid daarvan, verenigd met die van de andere drie dieren, terug te vinden in het ene beest, dat door Johannes wordt beschreven. In betekenis is het beest uit Openbaring gelijk aan het vierde dier uit Daniël 7, waar beide dieren symbolen zijn van het Romeinse rijk ¬. Zowel bij Daniël als bij Johannes blijkt, dat dit Romeinse rijk in zijn eindvorm zal bestaan uit een tienlanden-confederatie, welke zal worden beheerst door een machthebber, in Daniël voorgesteld als “de kleine horen”. Op de kop van het vierde dier bevonden zich namelijk tien horens, temidden waarvan een kleine horen was opgerezen, die drie andere zou uitrukken en ten val brengen. De kleine horen zelf zal uitgroeien tot de grootste macht­hebber van allen en zich in de eindtijd openbaren als de vleesgeworden satan, de antichrist ¬. Voor een nadere omschrijving van Daniëls visi­oen leze men de artt. “Vier dieren uit de zee” en “Statenbeeld”.

Voor hen, die moeite hebben het Romeinse rijk, dat toch reeds lang geleden is ondergegaan, nochtans als toekomstig wereldrijk te beschou­wen, moge de uitleg van de engel aan Johannes voldoende zijn, waar deze zegt: “Het beest dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve” (Openb. 17:8). In hetzelfde vers wordt nogmaals gezegd, dat “het was en niet is en er toch zal zijn”. Hoe raadselachtig deze uitleg ook mag schijnen, bij nadere beschou­wing is het duidelijk, dat hier sprake is van een herleving van het Romeinse rijk, dat er inderdaad is geweest, maar later onderging in de afgrond der volkerenzee. Toch is het niet dood en het huidige woelen der zee, die steeds onstuimiger wordt, duidt aan, dat dit rijk bezig is in herstelde vorm weer op te komen uit de afgrond, om daarna zijn groot­ste maar laatste rol te kunnen spelen op het wereldtoneel.

De verklaring van de engel wijst er op, dat de macht van het herstelde Romeinse rijk niet van lange duur zal zijn. In één adem wordt gezegd: “het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve”. De heer­schappij van het beest zal dan ook niet langer duren dan zeven jaren (® jaarweken).

Uit alles blijkt echter, dat in dit beest niet alleen het Romeinse rijk wordt gesymboliseerd, maar ook zijn dictator, namelijk de antichrist ¬. Deze figuur zal zijn aanstelling als hoofd van dit rijk en de benodigde macht daartoe ontvangen van de draak ¬, dit is de duivel zelf (Openb. 13:3). Vooral de tweede helft van zijn machtsperiode zal zich kenmerken in een voortdurend lasteren van Gods Naam en van alles wat heilig is (13:5, 6). Met nietsontziend geweld zal hij optreden tegen allen, die de Naam des Heren aanroepen en zich niet willen buigen voor het beeld van het beest ¬. Maar velen zullen getrouw blijven tot de dood en daarvoor de kroon des levens ontvangen. Het zijn de overwinnaars van het beest en zijn beeld en terwijl over de aarde de schalen van de gram­schap Gods worden uitgegoten, vinden wij hen aan de oevers van de glazen zee ¬, waar zij het lied van Mozes en het Lam zingen (Openb. 15:1-4).

Overigens zal de populariteit van het beest uitgroeien tot een zo afgodi­sche verering, dat hij in de werkelijke zin van het woord als een god zal worden aangebeden.

Wat de zeven koppen van het beest betreft, daarvan geeft Openb. 17:9 de verklaring. Op die Schriftplaats wordt gezegd, dat de zeven koppen zeven bergen zijn, waarop de stad Babylon ¬ is gebouwd. Dit Babylon wordt voorgesteld als een hoer, met een wereldomvattende praktijk. Zij zetelt op het beest met de zeven koppen en de tien horens, ten bewijze, dat zij behoort tot het Romeinse rijk en haar domicilie heeft te Rome, de stad op de zeven bergen (Openb. 17:9). Het blijkt, dat zij later door hetzelfde imperium zal worden uitgeschakeld, als haar betekenis voor de doeleinden van de antichrist van geen belang meer is. Dan wordt de hoer eenvoudig geliquideerd en het Babylon der mysteriën aan het vuur prijsgegeven. Het zal een vreselijk oordeel zijn, voor de voltrekking waarvan God het beest zal gebruiken. Voor nadere bijzonderheden betreffende de “vrouw op het beest”; zie art. Babylon.

In Openb. 16:13 komen uit de bek van het beest, uit de mond van de valse profeet ¬ en uit de muil van de draak ¬ drie duivelsgeesten te voorschijn, die er op uit worden gestuurd om de wereld te mobiliseren tot de grote eindstrijd van Armageddon ¬. In 19:17-21 vinden we de legers van het beest verzameld en in slagorde opgesteld tot de oorlog tegen Christus en de hemelse heerscharen. Dit alles zal echter uitlopen op de glorieuze overwinning van Jezus Christus, waarbij de wereld­machten zullen worden vernietigd en het beest en zijn valse profeet worden geworpen in de eeuwige poel des vuurs.

BEEST UIT DE AARDE (® Valse profeet).

BILEAM was een heidense ziener, waarschijnlijk afkomstig uit Mesopotamië. Door de Moabitische koning Balak gestuurd om een vloek uit te spreken over Israël, werd hij daarin echter door God verhin­derd en integendeel gedwongen het volk te zegenen (Num. 22 en 23).

Volgens Num. 31:8, 16 werden de kinderen Israëls door Bileam aange­zet tot zondigen en ongehoorzaamheid tegen God. Deze “Bileamsleer” heeft feitelijk de eeuwen door stand gehouden en we zien haar zelfs doorgedrongen in de gemeente van Pergamum, waar sommigen poog­den aan te zetten tot het eten van afgodenoffers en te hoereren (Openb. 2:14).

In judas: 11 is sprake van “bileamsloon” (vgl. Num. 22:16) en in 2 Petr. 2:15 van “de weg van Bileam, die het loon der ongerechtigheid liefhad”.

BOEK. In bijbelse tijden had het boek de vorm van een rol, gemaakt van aan elkaar geplakte stroken papyrus of van perkament. De boeken werden kolomsgewijze beschreven en op stokjes opgerold.

Hoewel op verschillende plaatsen in de bijbel sprake is van boeken, wil­len we ons in dit artikel slechts bepalen tot die, welke direct of indirect verband houden met profetische onderwerpen.

Boek des levens

In Ps. 69:29 en Dan. 12:1 wordt melding gemaakt van het “boek des levens”, dat in de hemel wordt bijgehouden en de namen bevat van hen, die het eeuwige leven zullen beërven.

Ook in het N.T. wordt meerdere malen over dit hemelse register gespro­ken, zoals b.v. in Luk. 10:20; Fil. 4:3; Hebr. 12:23 en Openb. 3:5. Het “boek des levens van het Lam”; genoemd in Openb. 21:27 kan gevoege­lijk worden beschouwd als de “burgerlijke stand” van het Nieuwe Jeruzalem ¬.

Gerichtsboeken

Zo’n boek vinden we voor het eerst vermeld in Dan. 7:10, waar de vier­schaar zich nederzet en de boeken worden geopend, aan de hand waar­van de volken worden gericht. In Matth. 25:31-46 wordt dit gericht, dat zal plaats hebben na de nederlaag van het Armageddon ¬ der volken, nader omschreven.

Ook het boek waarvan sprake is in Openb. 5:1-14 is een gerichtsrol, een oordeelsboek, dat op de Dag des Heren ¬ zal worden geopend door het Lam, dat alleen daartoe waardig is. De opening van het boek, dat verze­geld is met zeven zegels, zal vreselijke gevolgen hebben voor de aarde en haar bewoners. Andere gerichtsboeken worden geopend bij het laatste oordeel ¬, zoals vermeld in Openb. 20:11-15. Als de algemene opstan­ding der doden heeft plaats gehad, worden zij gedaagd voor de Grote Witte Troon ¬, om aan de hand van de boeken te worden geoordeeld naar hun werken.

Ook het boek des levens wordt dan geopend en allen, wier namen daar­in niet geschreven staan, worden geworpen in het eeuwige vuur van de hel.

Geopend boek (Openb. 10:1-11)

In de tijd van de grote verdrukking ¬, tijdens een korte pauze in de lange reeks van oordelen, die door God over de aarde worden uitgestort, verschijnt een sterke engel uit de hemel, die aan de aarde een machtige boodschap proclameert.

Het was een machtige verschijning en Johannes ziet, hoe deze als teken van inbezitname zijn ene voet plaatst op de zee en de andere op de aarde. De beschrijving van die engel getuigt van zo grote heerlijkheid en majesteit, dat in Hem niemand anders kan worden gezien, dan de persoon van de Here Jezus Zelf. Zijn verschijning ging gepaard met zeven donder­slagen ¬ van grote zwaarte. Deze verkondigden elk op zichzelf een hemel­se boodschap, die echter door Johannes niet mocht worden opgeschreven.

Als de laatste donderstem is weggerold, neemt de Engel het woord en zweert bij God, dat er geen uitstel meer zal worden gegeven voor het klinken van de laatste oordeelsbazuin, waarmede tevens de laatste ver­borgenheden der profetieën zullen worden verklaard (10:7).

In dit visioen valt de aandacht bijzonder op een boekje, dat zich in de hand van de Engel bevindt. In tegenstelling met het gesloten en verze­gelde boek uit Openb. 5, is dit echter geopend.

De inhoud van dit boek wordt niet vermeld. De meningen daaromtrent lopen nogal uiteen. Sommigen denken, dat dit het boek Daniël is, dat indertijd door de profeet moest worden verzegeld “tot de tijd van het einde”; doch dat thans geopend is. Persoonlijk acht ik het niet uitgeslo­ten, dat dit boekje speciale opdrachten bevatte voor Johannes, verband houdende met zijn “wederom profeteren over vele natiën en volken en koningen” (10:11) ; dit temeer, omdat hem bevolen wordt het boekje op te eten en zich er als het ware mee te vereenzelvigen. Dit opeten had op Johannes enerzijds een zoete, anderzijds een bittere uitwerking. Mogelijk zag hij in de inhoud van het boek de dageraad aanbreken van een gou­den toekomst van de wederoprichting aller dingen, maar werd de vreug­de van deze verwachting overschaduwd door de aankondiging van de vreselijke oordelen en toestanden, die daar nog aan moeten voorafgaan.

Ook wij hebben in de bijbel een boek van God ontvangen, dat wij “op moeten eten”. Het opent ons wijde horizonten tot een eeuwig, geluk­zalig leven, maar bevat tevens de geopenbaarde wil van God en de opdracht om die te volbrengen, ook in de verkondiging van het Evangelie van Gods genade in Jezus Christus. Wat doet u met die opdracht, nu het nog is “het heden der genade”?

BOK (® Ram en geitenbok).

BOOM DES LEVENS. Dit is één van de twee met name genoemde bomen, die in het midden van de hof van Eden stonden (Gen. 2:9). Het eten van die boom zou onsterfelijkheid hebben geschonken aan het eerste mensen­paar. Door de zondeval werd de mens echter uit het Paradijs verdreven, waarmede het hem tevens onmogelijk werd gemaakt te eten van de boom des levens. Doordat de weg naar de boom des levens werd afgesneden, is ook Adams nageslacht gedoemd te sterven, tenzij de mens wordt wederge­boren door de Heilige Geest, waardoor hij een geheel nieuw leven ontvangt.

In Openb. 2:7 is opnieuw sprake van de “boom des levens”; die echter niet meer gevonden wordt in het verloren paradijs, maar dan zal staan in het paradijs Gods”. Dit moet een plaats zijn van grote heerlijkheid en eeuwig leven, waar alleen zij de vruchten van dat geboomte mogen genieten, die door het geloof delen in de overwinning van Jezus Christus en gered zijn door het bloed van het Lam.

In Openb. 22 vinden we een machtige beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem ¬. Daar staat niet alleen een boom des levens midden op de gouden straat van de stad, maar ze worden ook gevonden ter weerszij­den van de rivier, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam. Dit geboomte zal van maand tot maand vrucht dragen en een overvloed geven van eeuwig, zalig leven.

BOZRA (“ontoegankelijke plaats”) was destijds de hoofdstad van Edom, gelegen in het tegenwoordige Jordanië, ten Z.O. van de Dode Zee ¬. Opgegraven ruïnen herinneren nog heden aan profetieën, als genoemd in Jer. 48:24 en 49:13-22.

In Jesaja 63:1-6 wordt over Bozra geprofeteerd als over de plaats van waaruit een majesteitelijke figuur komt voortgeschreden in fierheid en met grote kracht. Zijn rode prachtgewaad, waarschijnlijk een purperen mantel, getuigt van koninklijke waardigheid.

De anonieme figuur uit Jesaja is ongetwijfeld dezelfde persoon als beschreven wordt in Openb. 19:11-16, waar deze verschijnt als een Ruiter op een wit paard. Hier draagt Hij echter een naam, namelijk “Woord Gods, Getrouw en Waarachtig”. Op beide Schriftplaatsen wordt vermeld, dat het kleed van deze figuur met bloed is bespat en dat dit bloed afkomstig is uit de persbak van de wijn van de toorn Gods.

Het is niet moeilijk te ontdekken, dat wij hier in beide gevallen te doen hebben met de persoon van Christus, die als Overwinnaar tevoorschijn treedt uit het “Armageddon” ¬ der volken. In deze eindoorlog zal de Here definitief afrekenen met de heerlegers van de goddeloze wereld­machten en zal Hij de satan, de “overste dezer wereld” voorgoed ont­tronen. Zonder enige aardse hulp zal Hij Zijn vijanden vertrappen (Jes. 63:3) en zich een Wreker betonen van alle ongerechtigheid en boosheid. Maar voor het volk Gods zal Hij Zich op heerlijke wijze openbaren als hun Verlosser en Koning.

BRUID/BRUIDEGOM. In het O.T. vinden we meermalen de verhou­ding van God tot het volk Israël voorgesteld als die van een man tot zijn vrouw (® Hosea 1-3). In dezelfde geest kunnen wij in het N.T. de Gemeente ontdekken als de bruid van Christus. In het O.T. was de Gemeente nog een verborgenheid, maar toch wordt daarin de verhou­ding Bruidegom/bruid schoon getypeerd. Het gehele Hooglied b.v. kan gelezen worden als een bruiloftslied, waarin de liefde van Christus tot Zijn Gemeente en haar wederliefde tot Hem wordt bezongen.

In 2 Cor. 11:2 zegt Paulus over de Gemeente te willen waken, om haar “als een reine maagd voor Christus te stellen”.

Met de “opname der Gemeente” ¬, zoals die beschreven is in 1 Thess. 4:13-18, zullen Bruidegom en bruid elkander in de lucht ontmoeten, om vanaf dat moment voor altijd verenigd, tezamen de hemelse brui­loftszaal binnen te gaan. Als de bruiloft ¬ heeft plaats gehad (Openb. 19:6-10), is de Gemeente geworden “de Vrouw des Lams” en wordt zij aan Johannes getoond als het “Nieuwe Jeruzalem” ¬, dat hij uit de hemel ziet nederdalen (Openb. 21:9, 10).

Een prachtig type van wat wij hierboven omschreven, wordt ons gege­ven in de Oudtestamentische geschiedenis van Izak en Rebekka. Eliëzer wordt door Abraham uitgezonden naar een vreemd land, om daar een vrouw te werven voor zijn zoon Izak. Zo heeft God de Heilige Geest naar de aarde gezonden, als Bruidswerver voor Zijn Zoon, Jezus Christus. Onnodig te zeggen, dat Rebekka in deze geschiedenis het type is van de Gemeente. Nu reist de Gemeente echter nog haar Bruidegom tegemoet en wordt zij door de Heilige Geest toebereid om Hem straks in de lucht te ontmoeten. Vol verlangen ziet zij uit naar het ogenblik, dat zij haar Bruidegom zal mogen zien in al Zijn schoonheid. Vanaf dat ogenblik zal zij geheel aan Hem gelijk wezen (1 Joh. 3:2).

“En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort zegge: Kom! En wie dorst heeft kome, en wie wil neme het water des levens om niet” (Openb. 22:17).

BRUILOFT DES LAMS (Openb. 19:6-10). Het is goed om in te zien, dat deze zal plaats vinden na de opname der Gemeente ¬ en vóór de wederkomst des Heren ¬ in heerlijkheid.

In vs 9 wordt ook gesproken over het bruiloftsmaal des Lams, waar ongetwijfeld verschillende categorieën zullen aanzitten. Zo is daar aller­eerst de Bruidegom (Christus) met Zijn bruid (de Gemeente). Vervolgens zijn er de “vrienden van de Bruidegom” (Joh. 3:29), waartoe b.v. Johannes de Doper zichzelf rekende. Deze vrienden kunnen we dus beschouwen als de Oudtestamentische heiligen, die - hoewel niet beho­rende tot de bruidsgemeente - toch als vrienden zullen delen in de vreugde van de bruiloft.

Tenslotte lezen we in Openb. 19:9 over een vierde categorie, namelijk “de genodigden tot het bruiloftshaal des Lams”. Deze groep kan noch tot de bruid, noch tot de vrienden van de Bruidegom gerekend worden, doch bestaat mogelijk uit de gezaligden, die gekomen zijn uit de grote verdrukking ¬ (Openb. 7:9-14).

Zo zullen deze allen straks tezamen in gelijke mate deel hebben aan het grote bruiloftsfeest, waarbij de halleluja’s als zware donderslagen door de hemel zullen weergalmen (Openb. 19:1).

 

C

CHERUB (® Engelen).

CHILIASME. Leer van het “duizendjarig rijk” ¬, omschreven in Openb. 20. Het woord “chiliasme” is afgeleid van het Griekse “chilias” = duizend, en wordt door de kerk gebruikt als aanduiding van een leer, die door haar wordt afgewezen.

De zgn. “chiliasten” houden vast aan de letterlijke betekenis van wat geschreven staat in Openb. 20, betreffende de vestiging van een dui­zendjarig rijk na de val van de antichrist ¬ en de valse profeet ¬ en na de binding van satan. Zij geloven, dat dan het Vrederijk van Christus op aarde zal aanbreken, waarbij fit)* plaats neemt op de troon van Zijn vader David, om vanuit Jeruzalem de wereld te regeren met recht en gerechtigheid (Jes. 9:6). Het getal duizend wordt in de eerste zeven ver­zen van Openb. 20 niet minder dan zes keer genoemd. Toch wordt de letterlijke betekenis van dit woord eenvoudig weggevaagd door het aan­voeren van de bekende tekst uit 2 Petr. 3:R, waar staat “dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag”. Dit is echter “eeuwigheidstaal”; zoals die in de hemel past, maar in Openb. 20 gaat het duidelijk om wat geschieden zal “in de tijd”. Bij de Here is duizend jaar als één dag, maar bij de Ziener van Patmos en zijn lezers is duizend jaar duizend jaar.

Wat bij de tegenstanders van het chiliasme voorop staat, is de ver­geestelijkingstheologie van Origenes en Augustinus, welke kerkvaders met hun fantasierijke allegorisering van vele profetieën het verstaan daarvan vrijwel onmogelijk hebben gemaakt.

De “chiliasten” zijn echter met hun letterlijke opvatting van een dui­zendjarig rijk in goed gezelschap met de gelovigen van de eerste twee eeuwen, die er evenmin moeite mee hadden. We weten uit de kerkge­schiedenis, dat ook de eerste kerkvaders, als Barnabas, Clementius, Papias, Polycarpus “chiliasten” waren. Het is wel droevig, dat men de bijbelse grond heeft verlaten om de incest ongerijmde stellingen te aanvaarden. Zo zou b.v. het duizendjarig rijk zijn aangevangen met de eer­ste Romeinse christenkeizer Constantijn de Grote (274-337) en vanaf die tijd nog steeds voortduren. Daar die periode de tijd van duizend jaar reeds ver heeft overschreden, is het duidelijk, dat het getal duizend moest worden geëlimineerd.

Mochten de ogen van hen, die nog altijd de kerk zien als het rijk Gods op aarde, nog eens opengaan voor de geweldige perspectieven, die het profetische woord biedt aangaande het Koninkrijk van Christus, welks komst met zich mee zal brengen de wederoprichting aller dingen ¬.

 

D

DAG. Dit kan zijn: a. een etmaal van 24 uur; b. de tijd tussen zonsop­gang en -ondergang; c. een tijdruimte van soms lange duur. Zo wordt bijv. de grote verdrukking ¬ in Jer. 30:7 genoemd: “een dag zonder weerga; een tijd van benauwdheid voor Jakob”. Hetzelfde geldt voor ter­men als: Dag des Heren ¬, dag des oordeels, dag der wrake enz. Daarbij moet eveneens worden gedacht aan perioden van langere duur.

DAG DES HEREN. Bij “Dag des Heren” denken vele mensen uitslui­tend aan de zgn. jongste dag, de dag van de algemene opstanding der doden ten oordeel. Dit is echter onjuist, want de Dag des Heren omvat heel de periode, die, aanvangende na de opname der gemeente ¬ duurt tot en met het laatste oordeel. Het is de “dag der wrake”, die volgt op de “dag der genade” (Jes. 61:2). Want na het “aangename jaar des Heren” komt “de dag, brandende als een oven” (Mal. 4:1).

Gedurende de tijd van de antichrist ¬, waarin de ongerechtigheid der mensen haar toppunt zal bereiken, gaat God de aarde tuchtigen met een groot aantal gerichten. Daarop volgt dan de laatste grote wereldoorlog, bekend als het Armageddon ¬, waaraan door Christus bij Zijn weder­komst een vernietigend einde zal worden gemaakt. Na het volkerenge­richt ¬ in het Dal van Josafat ¬ volgt dan het Duizendjarig Rijk ¬ van Christus, aan het einde waarvan de satan, voor een korte tijd losgelaten, zijn laatste opstand ontketent tegen de Here en Zijn Gezalfde. Als aan deze laatste poging van satan door vuur van de hemel een vreselijk einde is gemaakt, volgt de dag des oordeels. Ook de gehele schepping valt onder het oordeel Gods en hemel en aarde zullen door vuur ver­gaan.

Dit alles ligt in het begrip “Dag des Heren” besloten. Daarna volgt de “Dag Gods”; de dag der eeuwigheid, waarin de beloften vervuld zullen zijn van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petr. 3:12, 13), en God zal zijn alles en in allen (1 Cor. 15:28). Meer profeten hebben over de Dag des Heren geschreven, zoals o.a.:

Amos. Deze noemde hem een verschrikkelijke dag van duisternis en angst (Amos 5:18-20).

Jesaja voorzegt de komst van een Dag des Heren, die zich zal keren tegen al wat hoogmoedig en trots is (2:12). In 13:6-16 ziet hij die dag naderen als “een verwoesting van de Almachtige”; om de aarde tot een woestenij te maken en de zondaars te verdelgen. Verder geeft de profeet een beschrijving van de angstwekkende natuurverschijnselen en de vre­selijke rampen, die op de grote Dag zullen plaatsvinden, en van de onhoudbare toestanden, waarin de mens dan zal leven.

Micha noemt die Dag een bezoeking, vol ontzetting. Hij overziet in 7:4­6 de toekomst van Israël. In een profetische blik schouwt hij de toe­standen, zoals die zullen zijn ten dage van de grote verdrukking ¬ tij­dens de antichrist ¬, waarbij uit angst en wanhoop zelfs naaste fami­lieleden elkander zullen verraden.

Zefanja beschrijft eveneens de Dag des Heren als een dag van verbolgen­heid en benauwdheid, van vernieling en duisternis, van bazuingeschal en krijgsgeschreeuw (1:14-16).

Ezechiël noemt die Dag “het uur der volken”; in verband met de eind­crisis van Armageddon ¬, waarbij de wereld zal weten, dat God de Here is (30:3-12).

In het N.T. handelt bijna het gehele boek Openbaring over de Dag des Heren. Ook Paulus spreekt daarover in 1 Thess. 5:2-11, waar hij ernstig oproept tot grote waakzaamheid, omdat die Dag zal komen als een dief in de nacht. Het is van het grootste belang, lieve lezer, om dit appèl van de apostel niet te negeren, maar u af te vragen, in hoeverre er voor u persoonlijk misschien reden is, om de Dag des Heren met vreze en beven tegemoet te zien. Denkt u die Dag mee te moeten maken, of weet u zich voor die tijd geborgen in de schuilplaats des Almachtigen, waar geen oordeel kan deren?

Nòg is het de Dag der Genade, maar ook hierover daalt reeds de sche­mering van de komende nacht der verschrikking en weldra is de gena­detijd voleindigd. Het kind van God verwacht spoedig het aanbreken van de gouden morgenstond, de opname der gemeente ¬ (1 Thess. 4:13-18), waardoor hij bewaard zal worden voor de Dag des Heren, die over de aarde zal komen. Voor hen, die niet het eigendom van Christus zijn, breekt dan de nacht aan van oordelen en verschrikkingen, van wening en knersing der tanden. Men vraagt: “Wachter, wat is er van de nacht?” Het antwoord luidt: “De morgen komt en ook de nacht!” (Jes. 21:11, 12).

Hoor wat de profeet zegt: “Komt tot uzelf, ja, komt tot inkeer, voordat het besluit tot uitvoering komt, voordat over u komt de dag van de brandende toorn des Heren . . . Zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult gij geborgen worden op de dag van de toorn des Heren” (Zef. 2:1-3).

DAG DES OORDEELS (® Dag des Heren).

DAG DER WRAKE ONZES GODS (® Dag des Heren).

DAL. Een bergland als Israël heeft uit de aard der zaak ook vele dalen. In de bijbel worden er verscheidene genoemd, die een rol hebben gespeeld in Israëls geschiedenis, zoals het dal Achor, het dal van Ajalon enz.

In het profetisch woord wordt voor de toekomst vooral het “Dal van Josafat” ¬ van grote betekenis geacht.

Dal der beslissing

Onder deze naam wordt in Joël 3:14 begrepen het Dal van Josafat ¬.

Dal des dorswagens

Oude vertaling van Dal der beslissing ¬.

Dal van het gezicht

Dit dal wordt genoemd in het opschrift van Jes. 22, waarschijnlijk naar aanleiding van het vijfde vers. In dit dal ontving Jesaja een visioen over het oordeel op Jeruzalems lichtzinnigheid. Welk dal onder deze naam moet worden begrepen, is niet bekend.

Dal van Josafat

Dit dal wordt in Joël 3:2, 12 aangegeven als de plaats, waar na de weder­komst des Heren ¬ en na de slag van Armageddon ¬ het volkerenge­richt ¬ zal plaatsvinden. Over de ligging van dit dal wordt verschillend gedacht. Vroeger meenden velen het te moeten zoeken op de Vlakte van Jizreël ¬, in de nabijheid van de stad Megiddo ¬, maar tegenwoordig wordt het zowel van Joodse als van christelijke zijde vrijwel zeker geacht, dat men hier moet denken aan het Kidrondal, met name liet gedeelte, dat zich bevindt bij de oostmuur van Jeruzalem, ter hoogte van de Gouden Poort.

In deze tijd bevindt zich daar een grote begraafplaats, waar zich rijke Joden uit alle delen der wereld laten begraven, omdat naar hun mening daar de opstanding der doden zal beginnen.

Zie verder het artikel “Volkerengericht”.

DAN, STAM VAN DAN. Dan was de zoon van Jakob en Rachels slavin Bilha (Gen. 30:5 vv). Zijn naam betekent: Hij heeft recht verschaft. Dans nakomelingschap vormde een stam, die zich vestigde in het uiterste noorden van Kanaän.

Volgens Richteren 18 heeft deze stam zich voortdurend schuldig gemaakt aan God-onterende afgoderij, waarbij de gouden stier en ande­re heilige voorwerpen van de oorspronkelijke Kanaänieten werden ver­eerd. De Danieten hadden daarvoor een permanent heiligdom opge­richt, waaraan zelfs koning Jerobeam eer bewees, door er een gouden stierkalf te plaatsen (1 Kon. 12:25-32).

Volgens Deut. 29:18-21 moest al wat zich van God afkeerde en heiden­se goden diende, uit de stammen Israëls worden afgevoerd, “ten verder­ve”. Dit is ongetwijfeld gebeurd met de stammen Dan en Efraïm, die zich beide aan de stiercultus hebben overgegeven, de een te Dan en de ander te Bethel.

Hierin moet hoogstwaarschijnlijk de verklaring worden gezocht van het feit, dat beide namen ontbreken in de lijst van de “honderdvierenveer­tig duizend” ¬ verzegelden uit de twaalf stammen Israëls (Openb. 7:4­8). Dit betekent, dat zij straks onverzegeld de grote verdrukking ¬ zul­len moeten doormaken.

Uit genoemde stammenlijst blijkt voorts, dat de ontbrekende namen zijn vervangen door die van Levi en Jozef. Straks, bij de wederoprich­ting aller dingen, zullen zowel Dan als Efraïm echter weer een plaats ten erfdeel verkrijgen in het Duizendjarig Rijk ¬ van vrede en gerech­tigheid.

Velen, waaronder de kerkvader Ireneus, menen uit de boven omschre­ven feiten te kunnen concluderen, dat de persoon van de antichrist ¬ ­een Daniet zal zijn. Ook al omdat Dan door zijn vader Jakob genoemd werd “een slang aan de weg” (Gen. 49:16, 17). Hoewel aannemelijk, kan deze stelling niet met de bijbel worden bewezen.

DANIEL. Zowel de persoon als het boek Daniël hebben grote betekenis, zowel uit geschiedkundig als uit profetisch oogpunt.

Daniël, de staatsman

Daniël, wiens naam betekent “mijn Rechter is God”; vertoefde als bal­ling aan het hof van de Babylonische koning Nebukadnezar, die regeer­de van 604-561 vC. Door zijn grote wijsheid en staatkundig talent ver­kreeg hij al spoedig een hoge positie, die hem echter niet verhinderde trouw te blijven aan zijn geloof in de God des hemels en dat geloof in alle dingen steeds op de voorgrond te stellen. Ook onder Darius, de Meder, bekleedde Daniël een erepositie. Door Nebukadnezar en ande­ren werd hem veel lof toegezwaaid als droomuitlegger. Hij wees deze echter onverbiddelijk van de hand, om alleen de God des hemels eer te geven.

Daniël, de profeet

Het zienerschap van Daniël wordt door de moderne theologie betwist.

Zelfs zijn historiciteit wordt daarin dubieus gesteld. Men wijst de profe­tieën van Daniël als zodanig van de hand, omdat het voor hen niet anders is dan geschiedschrijving, die te boek werd gesteld honderden jaren nadat Daniël heeft geleefd.

Maar Daniël was een profeet, ook door Jezus als zodanig genoemd (Matth. 24:15.) Alleen dat moet reeds voldoende zijn, om Daniël als profeet te erkennen. God heeft Daniël toekomstige dingen geopen­baard, die voor zijn tijd onbegrijpelijk waren, maar thans als een geo­pend boek voor ons liggen. Dat een deel van die profetieën reeds binnen het tijdsbestek van een paar honderd jaar in vervulling zijn gegaan, maakt het profetische gedeelte van het boek Daniël (de hoofdstukken 7­12) nog maar niet tot geschiedschrijving.

Daniël, door de engel Gabriël aangesproken als “gij zeer beminde man” (Dan. 10:11), was iemand met een verheven karakter, wijs en goed, getrouw niet alleen in het grote, maar nauwgezet ook in het kleine. Geld en roem interesseerden hem niet, maar God en Zijn Woord waren hem dierbaarder dan zijn leven.

Dat was Daniël, de ziener. Door de wijsheid dezer wereld gereduceerd tot een sprookjesfiguur, maar in werkelijkheid een groot profeet! God heeft deze man gebruikt, om ons een duidelijke blik te doen slaan in de vol­voering van Zijn plan met betrekking tot de machten van deze wereld. Door Daniël is ons geopenbaard, dat aan de heidense wereldheerschap­pij een definitief einde zal worden gemaakt, om plaats te maken voor het Rijk van Christus, waarin Hij als Koning zal heersen met recht en met gerechtigheid.

Daniël, het boek

Het boek Daniël kan duidelijk in twee delen gesplitst worden, elk bestaande uit zes hoofdstukken. Het eerste deel heeft hoofdzakelijk een historisch, het tweede in zijn geheel een profetisch karakter. Evenwel komt ook reeds in Dan. 2 een zeer belangrijke profetie voor

Statenbeeld), terwijl sommige voorzeggingen in het “profetische deel” inmiddels reeds door de geschiedenis zijn achterhaald geworden.

De moderne theologie wijst het profetisch karakter van het boek Daniël zonder meer van de hand en ontkent zelfs; dat het door Daniël geschre­ven is. Deze zou immers hebben geleefd tijdens de Babylonische bal­lingschap, die gesteld moet worden op 598-528 vC. Maar volgens de bijbelcritici is het boek vier eeuwen later (omstreeks 165 vC) geschre­ven door een vrome Jood, met het doel daarmede het volk Israël te troosten in zijn beproevingen tijdens de hevige vervolging van Antiochus Epifanes ¬. Zij weten ook al precies, dat deze schrijver de geschiedkundige feiten ontleend heeft aan een aantal Aramese verhalen, die eerst van mond tot mond, later schriftelijk in omloop waren geko­men. De rest wordt dan toegeschreven aan de fantasie van de schrijver, die in de vorm van visioenen zijn eigen gedachten weergaf en deze in de mond legde van de Daniël uit de volksverhalen.

Maar een verklaring als deze loopt vast op de feiten. Er zijn aanwijzin­gen, dat men in ieder geval 300 vC het boek Daniël al kende. Ook uit de boeken der Makkabeeën valt duidelijk op te maken, dat in de tijd der Hasmoneeën de geschiedenis van Daniël gehouden werd voor iets uit lang vervlogen dagen. En zouden de Schriftcritici kunnen verklaren, hoe ooit het boek Daniël in 286 vC kon worden opgenomen in de Septuagint (de vertaling van de zeventigen), als het volgens hen eerst in 165 vC werd geschreven?

Zonder overigens als bepaald bewijs te kunnen worden aangevoerd, is er het opmerkelijke verhaal van Flavius Josephus, waarin beweerd wordt, dat de hogepriester Jaddua het boek Daniël aan Alexander de Grote ter inzage heeft gegeven. Dit zou geweest zijn in 322 vC.

Uit de felle bestrijding van de authenticiteit van het boek Daniël kan worden afgeleid, dat de grote vijand der zielen dit boek haat en schuwt als de pest. Het geeft naar de smaak van satan teveel messiaanse voor­zeggingen en het voorspelt het einde van zijn heerschappij op aarde.

In onze rationalistische tijd, waarin de wetenschap aanval na aanval doet op het Woord van God, worden de gelovigen, die een boek als Daniël voor serieus nemen, belachelijk gemaakt en beleefd uitgescholden voor biblicisten. Zij zien echter in de reeds uitgekomen profetieën niet alleen wonderen van God, maar vinden daarin ook volkomen garantie ten aanzien van de nog niet vervulde profetieën. Zij zijn niet deze visie in goed gezelschap van hun Heiland, die Daniël eveneens een profeet noemde en één van zijn nog onvervulde profetieën aanhaalde (Matth. 24:15). En was het Jezus niet, die heeft gezegd: “O onverstandi­gen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gespro­ken hebben...”? (Luk. 24:25).

Zeiden we reeds, dat de eerste helft van het boek Daniël hoofdzakelijk bestaat uit geschiedschrijving, toch vinden we in hoofdstuk 2 een zeer belangrijke profetie in de verhandeling over liet droombeeld van Nebukadnezar, waarin de opeenvolging wordt getoond van de grote wereldrijken en hoe daaraan een einde wordt gemaakt door de komst des Heren en de vestiging van het Koninkrijk van Christus (® Statenbeeld).

Het tweede, profetische deel van het boek, geeft in hfdst. 7 de beschrij­ving van een visioen, waarin Daniël vier dieren achtereenvolgens ziet opkomen uit de zee. Dan volgt in hfdst. 8 het gezicht van de ram en de bok (® Ram en geitenbok), terwijl in het 9e hfdst. de engel Gabriël aan Daniël verschijnt met een bijzondere boodschap over de zeventig jaar­weken ¬. Daniël 10 verhaalt het visioen van de Man, met linnen omkleed en van nog een andere figuur: “een, den mensenkinderen gelijk”.

Daniël 11 is op het eerste gezicht een moeilijk hoofdstuk en zonder ken­nis van de wereldgeschiedenis niet te begrijpen.

Het laatste hoofdstuk zinspeelt op Armageddon ¬ en de rol, die de aartsengel Michael (® Engelen) daarin zal spelen.

Velen vinden Daniël een moeilijk boek en - wat de tweede helft betreft - niet ten onrechte. Toch zien wij, naarmate de tijd zich voortspoedt naar het einde, de wetenschap omtrent deze dingen steeds meer verme­nigvuldigd worden (Dan. 12:4). Vooral het boek Openbaring heeft de zegels verbroken, waarmede het boek Daniël verzegeld is geweest. De zich in onze dagen steeds meer toespitsende tekenen der tijden ¬, doen ons steeds vaker grijpen naar boeken als Daniël en Openbaring, waarin verkondigd wordt hetgeen hierna moet geschieden.

Daniël twee (® Statenbeeld).

Daniël zeven tot twaalf

De laatste zes hoofdstukken van het boek Daniël vormen het “profeti­sche” deel, waarvan zelfs een korte beschouwing een werk als dit te omvangrijk zou maken.

DEMONEN (® Duivelen).

DIABOLOS (® Duivelen).

DIEPTEN DES SATANS. Deze uitdrukking komt voor in Openb. 2:24, waar een deel van de gemeente te Thyatira niet de leer van de in die gemeente optredende valse profetes Izebel volgde en daardoor ook niet “de diepten des satans” had leren kennen. Zij lieten zich niet door deze vrouw verleiden tot hoererij (afgoderij) en onthielden zich van het eten van wat aan de afgoden gewijd was. In deze dingen was het diepste wezen van de satan verborgen, maar door hun standvastigheid hebben zij die diepte niet leren kennen.

DODENRIJK (Hebr. sjeool, Gr. hades). In het antieke wereldbeeld werd het heelal voorgesteld als bestaande uit drie etages. De aarde zelf was een platte schijf, waarboven zich de hemel welfde, als de plaats waar God woonde, terwijl onder de aarde het dodenrijk werd gevonden. In de vroegste tijden schijnt men onder Israël nog niet veel begrip te heb­ben gehad van een leven na dit leven. Men nam aan, dat als iemand “tot de vaderen verzameld was”, hij dan voortleefde in zijn nakomeling­schap. Vandaar, dat kinderloosheid als niet minder dan een ramp werd beschouwd.

Onze Statenvertaling heeft in het denken van de eenvoudige bijbellezer een zekere verwarring teweeggebracht, door het woord sjeool of hades dikwijls te vertalen met “hel”. Dit woord (vertaling van “gehenna”) heeft namelijk een geheel andere betekenis en duidt niet het dodenrijk aan, maar de plaats van de eeuwige straf (® Hel). Daarin bevindt zich thans nog niemand. De eersten, die daarin worden geworpen, zijn de antichrist ¬ en de valse profeet ¬. Daarna volgen de satan en de god­delozen uit de opstanding der doden (Openb. 20:10; 21:8).

Van alle gestorvenen - zowel gelovigen als ongelovigen - gaat de ziel naar het dodenrijk, waar men door poorten binnenkomt (Jes. 38:10; Matth. 16:18). Het dodenrijk wordt echter in tweeën gedeeld door een diepe kloof (Luk. 16:23). Aan de ene zijde daarvan bevindt zich een heerlijke plaats, het “paradijs”; waar zich de zielen der rechtvaardigen mogen verlustigen in wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen (1 Cor. 2:9). Aan de andere zijde is het een plaats van buitenste duisternis, waar wening is en knersing der tanden (Matth. 24:51). Daar is de plaats, waar de zielen der goddelozen en zondaren wachten tot de opstanding der doden plaats heeft, om daarna geoordeeld te worden voor de Grote Witte Troon ¬. Ofschoon het dodenrijk voor de gelovigen een paradijs is, in de volle zin van het woord, is het echter nog niet de volkomen zaligheid. Deze wordt verkregen als ziel, geest en lichaam - bij de dood uiteengevallen - weer verenigd zullen worden bij de opstanding uit de doden, als de opname der gemeente ¬ zal plaats hebben. Dan worden de in Christus ontsla­penen opgewekt (1 Cor. 15:52; 1 Thess. 4:13-18). Op dat moment treedt voor hen en ook voor de levend achtergebleven kinderen Gods de vol­komen zaligheid in, die zij tot in eeuwigheid deelachtig zullen zijn.

De overige zielen blijven in de duisternis van hun dodenrijk, totdat ook dit zal worden ontsloten en zij uit de graven opstaan, om geoordeeld te worden, naar hetgeen in de boeken geschreven staat (Openb. 20:12). Daarna zullen zij voor eeuwig geworpen worden in de hel, “de poel des vuurs, die brandt van vuur en zwavel” (Openb. 21:8).

DODE ZEE. De oppervlakte van deze binnenzee, ook wel Zoutzee of Ooste­lijke Zee genoemd, ligt 390 m beneden het peil van de Middellandse Zee. Met nog eens 360 m diepte is zij de laagste zee ter wereld. De Dode Zee ligt in het zuid­-oosten van Israël en wordt in hoofdzaak gevoed door de Jordaan. Zij heeft geen enkele afvloeiing zodat het steeds toege­voegde water alleen kan verdwijnen door een sterke verdamping, die bevor­derd wordt door de grote hitte ter plaat­se. Door de achterblijvende zoutdelen is het water zozeer verzilt geworden, dat daarin geen leven mogelijk is en zelfs in de wijde omtrek geen grassprietje ge­vonden wordt. Deze zee bevat een fabelachtige rijkdom aan mineralen, sulfaten, potas en chemicaliën.

Tijdens het Duizendjarig Rijk ¬ zal de Dode Zee met haar omge­ving een geheel ander beeld vertonen. Het landschap, dat thans kaal en doods is, zal dan groen en fris en vol leven zijn. In Ezech. 47:1-12 wordt gesproken over een beek, die ontspringen zal onder de dorpel van het tempelgebouw te Jeruzalem (® Tempelbeek). Deze beek zal zijn weg vinden naar het oosten en steeds dieper worden, om tenslot­te uit te stromen in de Dode Zee. Daar zal het klare, levende water wonderen verrichten. De door tal van mineralen vergiftigde Dode Zee zal daardoor gezond gemaakt worden en een levende zee wor­den, vanwege de menigte der vissen.

Aan weerszijden van de stroom schieten vruchtbomen op, die niet maar eenmaal ‘s jaars, doch elke maand vrucht zullen dragen en waar­van de bladeren geneeskracht zullen hebben. Een paradijselijke toe­stand en dit alles door het water uit het heiligdom.

Een vergelijking van Ezech. 47:1-12 met Openb. 22:1-5 toont een opmerkelijke overeenkomst tussen de tempelbeek uit het Duizend­jarig Rijk en de “rivier van het water des levens”, die straks vanuit het Nieuwe Jeruzalem ¬ zal stromen.

DONDER. Een indrukwekkend natuurverschijnsel, dat we nog altijd beschouwen als een openbaring van Gods majesteit in de natuur. Israël zag daarin een van de machtsopenbaringen van God en vernam Zijn stem in het rollen van de donder. Ontmoetingen met God, zoals op de berg Sinaï, gingen gepaard met zware donderslagen (Ex. 19:16; 20:18). “Hij dondert met de stem Zijner Majesteit” (Job 37:4). Toen Jezus in een toespraak Zijn aanstaande dood verkondigde, klonk uit de hemel de stem van Zijn Vader, die Hem verheerlijkte. De toeluisterende schare hoorde die stem als een donderslag (Joh. 12:29). Ook in het boek Openbaring speelt de donder een voorname rol. Reeds Jesaja 29:6 spreekt van een “bezoeking” met zware donder tijdens de eindstrijd van Armageddon ¬. In een visioen, waarin door Johannes een blik geslagen wordt in de hemel, ziet hij bliksemstralen uitgaan van de troon van God en hoort hij stemmen en donderslagen (Openb. 4:5). In Openb. 6:1 spreekt één van de vier dieren ¬, die voor de troon van God zijn, met een stem als een donderslag. Bij de opening van het zevende zegel ¬wordt vuur op de aarde geworpen en komen donderslagen, stemmen, bliksemstralen en een aardbeving (Openb. 8:5). Ook het nieuwe gezang van de 144.000 verlosten zal klinken als de stem van zware donder (Openb. 14:2). Hetzelfde zal het geval zijn als het Halleluja! weerklinkt op de Bruiloft des Lams ¬ (Openb. 19:1- 5). Als een sterke engel (Christus) zijn voeten plaatst op de aarde en de zee, klinken bij zijn spreken de stemmen van zeven donderslagen (Openb. 10:3).

DRAAK. In de mythologie der volken speelt de draak een grote rol en treedt zij altijd op als een godevijandig wezen. Ook in de bijbel komt de draak voor als een God vijandige macht (Ps. 74:13). In Openb. 12 wordt de duivel zinnebeeldig voorgesteld als een grote, rossige draak, in vs 9 genoemd “de oude slang, genaamd duivel en satan”. Door de kracht, die de antichrist ¬ van deze draak ontvangt, zal hij de wereld zodanig tot verbazing brengen, dat men het beest als een god zal aanbidden (Openb. 13:4). Ook de valse profeet zal, ondanks zijn gedaante van een onschuldig lam, dezelfde leugenachtige en lasterlijke taal spreken als de draak (Openb. 13:11). Tezamen met de antichrist en de valse profeet vormt de draak een trio, dat niet anders is dan een helse imitatie van de Drie-eenheid Gods. In deze nabootsing zien we de draak als anti-vader, de antichrist als anti-zoon en de valse profeet als de anti-geest.

In Openb. 20 wordt de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, voor de tijd van duizend jaren gebonden en in de afgrond geworpen, om daarna voor een korte tijd nog te worden losgelaten. Zijn definitief einde zal echter zijn in de poel des vuurs, waarin de antichrist en de valse profeet hem dan reeds zullen zijn voorgegaan.

DRIE (® Getallensymboliek).

DRIE-EN-HALF JAAR. Zowel in het boek Daniël als in de Openbaring is meerdere malen sprake van een periode van drieënhalf jaar, met welke termijn de helft wordt aangeduid van de zeventigste, dat is de laatste jaarweek ¬ uit Daniël 9. Deze jaarweek ¬ omvat de zeven jaar durende heerschappij van de antichrist ¬.

Het tijdsbestek van drieënhalf jaar wordt aangegeven in termen als “een tijd, tijden en een halve tijd” (Dan. 7:25; Openb. 12:14), ook als “twaalf­honderdzestig dagen” (Openb. 12:6) of als tweeënveertig maanden” (Openb. 11:2). Al deze aanduidingen hebben betrekking op een halve periode van het antichristelijke tijdperk.

DRIE ONREINE GEESTEN (Openb. 16:13, 14). Bij het uitgieten van de zesde toornschaal ¬ op de aarde, komen uit de bekken van de draak en het beest, alsook uit de mond van de valse profeet, drie onreine geesten tevoorschijn. Ze hebben de gedaante van kikvorsen, maar het zijn de geesten van duivelen, die wonderlijke tekenen doen. Hun opdracht is de koningen en machthebbers der gehele wereld te bewegen tot liet mobi­liseren van legermachten, die door de antichrist ¬ zullen worden geconcentreerd in de Vlakte van Jizreël ¬. Het zijn de voorbereidingen tot de grootste en laatste wereldoorlog, in de bijbel aangeduid als het “Armageddon” der volken.

DOODSBEENDERENDAL. In Ezech. 37:1-14 wordt een boeiend visi­oen beschreven, waarin de profeet een dal ziet, dat bezaaid ligt niet een grote menigte dorre doodsbeenderen. Volgens vs 11 verbeelden deze beenderen het gehele huis van Israël, dat, nationaal en geestelijk dood als het is, verstrooid is geworden over de gehele wereld. Dit volk kan dan ook tot geen andere slotsom meer komen, dan: “onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan!” (vs 11).

Maar als de profeet op bevel van God de beenderen toespreekt, ontstaat een geruis en ziet hij beweging onder de beenderen komen. Voor zijn verwonderd oog ziet hij, hoe zij zich stuk voor stuk bij elkander voegen en eindelijk hele geraamten vormen. Maar daar blijft het niet bij, want op de skeletten verschijnen ook weer vlees en spieren en na verloop van tijd zijn het weer geheel complete, hoewel nog levenloze lichamen.

Maar dan krijgt de profeet opnieuw een bevel tot profeteren en geschiedt het wonder, dat de dode lichamen tot herleving komen en weer op hun voeten gaan staan. Een geweldig groot leger (vs 10).

Hij, die niet alleen een open oog heeft voor het wereldgebeuren, maar ook het woord der profeten kent, weet, dat dit visioen van Ezechiël van­daag begonnen is werkelijkheid te worden. Reeds hebben de beenderen zich voor een deel verzameld uit alle windstreken der aarde en reeds hebben zij zich gevormd tot een staatslichaam, waarin wij zien, hoe het nationaal herstel van Israël zich hoe langer hoe zekerder voor onze ogen voltrekt. Sedert 14 mei 1948 is Israël, na vijf eeuwen van heidense over­heersing en daarna nog twintig eeuwen verstrooiing onder de volken, weer een vrije, autonome staat geworden, die zich - ondanks de oor­logstoestand, waarin Israël zich sedert zijn oprichting bevindt - heeft weten te plaatsen in de rij der volken.

Het is duidelijk, dat God de draad niet Israël weer heeft opgenomen, teneinde Zijn plan met dit volk tot uitvoering te brengen. Nog is het geestelijk dood, maar de tijd komt en kan niet ver meer zijn, dat de adem van Gods Geest dit dode volk zal doen herleven. De bijbel zegt, dat dit zal geschieden op de dag van Christus’ wederkomst ¬. Dan zul­len zij zien, in Wien zij gestoken hebben en zich in zak en as bekeren (Zach. 12:10.14).

Als Israël dan zijn Koning heeft aanvaard vangt het Vrederijk van Christus aan, waarin Israël zal schitteren aan het hoofd der volken. Zie verder art. Israël.

DROOMBEELD VAN NEBUKADNEZAR (® Statenbeeld).

DUIVELEN. Onder deze verzamelnaam volgt hieronder een beknopte beschrijving van de in de bijbel gesignaleerde boze geestelijke machten. Het zijn vreselijke vijanden en daarom is het niet minder dan noodza­kelijk, om deze machten en hun gedragingen te kennen, teneinde ze in het geloof te kunnen weerstaan. God heeft ons een geestelijke wapen­rusting ter beschikking gesteld (Ef. 6:10-20), zodat wij niet machteloos staan tegenover de boze geesten in de hemelse gewesten. Het is zaak, vooral in onze tijd, om deze wapenrusting ook aan te doen, opdat wij “krachtig in de Here en in de sterkte Zijner macht” stand kunnen hou­den in de strijd tegen de verleidingen van de duivel en de demonen.

Aan het hoofd van alle boze machten staat de satan. Vóór alles dient te worden vastgesteld, dat de satan niet slechts een boze invloed is, maar een persoon, een geschapen wezen. In ongevallen staat was hij een der hoog­ste engelvorsten, een zgn. “cherub” (® Engelen). Van deze hoogst eigen­aardige wezens vinden wij een poging tot beschrijving in Ezechiël 1.

Niet tevreden riet de hoge positie, waarin hij was gesteld, ontstond in het hart van deze cherub de zonde van de hoogmoed, die hem tenslot­te aanzette tot opstand tegen God. Niet alleen wilde hij zich verheffen boven de andere morgensterren (cherubs), maar hij begeerde een troon voor zich, om aan de Allerhoogste gelijk te kunnen zijn (Jes. 14:12-15).

Door deze zonde is de morgenster ten val gekomen en werd in de hemel een strijd ontketend, die nog tot op de dag van heden voortduurt. De lichtdrager Lucifer werd de vorst der duisternis.

Dankzij de Middeleeuwse uitbeeldingen stellen wij ons de satan meest­al voor als een sinister wezen, compleet met horentjes, sik en bokkenpo­ten, maar dan vergeten wij, dat hij er waarschijnlijk nog net zo uitziet als toen hij geschapen werd, namelijk als een wezen van onvergelijkelijke schoonheid. Men leze slechts de beschrijving in Ezech. 28:11-19, waar de satan wordt getypeerd in de koning van Tyrus. De val van de morgen­ster heeft ontzettende dingen teweeggebracht, zowel in de hemel als op de aarde. Hij heeft onder de engelen een opstand ontketend en kans gezien een derde deel van de hemelwezens voor zijn kwade zaak te win­nen (Openb. 12:4). Zij zijn allen van hun oorspronkelijke plaats verwij­derd en bewonen thans de “hemelse gewesten” als boze geesten, overhe­den, machten en wereldbeheersers der duisternis (Ef. 6:12).

Het meesterwerk van satan wordt straks de manifestatie van de anti­christ ¬ in wie alle boosheid en ongerechtigheid belichaamd zal zijn. Wie hem dan ziet, ziet de duivel. Hiermede gooit de satan zijn laatste troef op tafel, die hem echter geen winst zal opleveren, maar tot de vol­komen nederlaag zal leiden. Want nadat de antichrist en de valse pro­feet ¬ bij de wederkomst des Heren ¬ hun deel zullen hebben gevon­den in de poel des vuurs, wordt de satan voor duizend jaar geworpen in de afgrond. Daarna zal hij - na nog een korte tijd losgelaten te zijn geweest - voor eeuwig geworpen worden in de poel des vuurs.

Satans namen en bijnamen

Satan = van de tegenpartij, lett. wegversperder. Voor zijn wezen, zie beschrijving hierboven.

Duivel, Gr. diabolos = lasteraar, aanklager (Gen. 3:5). Zijn tactiek is God aan te klagen bij de mensen en de mensen bij God (Openb. 12:10; Zach. 3:1 ).Duivel en satan zijn twee wezensnamen voor een en dezelfde persoon. Als er in de bijbel sprake is van duivelen, dus in de meer­voudsvorm, dan worden daarmee de gevallen engelen bedoeld, die in zijn dienst staan.

Beëlzebul = heer der onreine geesten. Het woord is afgeleid van Beëlzebub, van de vliegengod der Filistijnen. Aan deze werd de verant­woordelijkheid toegeschreven voor de soms vreselijke luchtplagen, die in het oosten door muskieten werden veroorzaakt. Een goede bijnaam voor de satan, die immers de overste is van de onreine geesten in de lucht. Hieruit blijkt tevens hoe uiterst lasterlijk de Farizeeën over Jezus spraken, toen zij zeiden, dat Hij duivelen uitwierp en genezingen ver­richtte door Beëlzebul, de overste der geesten (Matth. 12:24).

Oude slang. In het paradijs gebruikte de satan een slang als medium, om zich met de mens in verbinding te stellen. Sindsdien komt hij meer­malen in de bijbel voor onder de benaming “oude slang” (Openb. 12:9). Hij is een zeer giftige slang, wiens beet dodelijk is. Maar zoals Mozes tij­dens een slangenplaag in de woestijn een koperen slang verhoogd heeft, zo is eens op Golgotha een kruis opgericht, opdat de mensen, die allen door de slang zijn gebeten, door een blik op de Here Jezus daaraan niet zouden sterven, maar het eeuwige leven hebben (Joh. 3:14-16).

Draak. Als zodanig wordt de satan gesymboliseerd in het boek Openbaring. In Openb. 12:3 wordt de draak ¬ voorgesteld als een groot, rossig monster met zeven koppen. In het 4e vers lezen wij, hoe de draak een derde deel van de sterren des hemels meesleepte. Deze sterren des hemels zijn de gevallen engelen, die eerst hun operatieter­rein in de lucht hadden (Ef. 6:12), maar thans door de draak op de aarde werden geworpen. Het is aan deze draak, dat de antichrist ¬ zijn macht en kracht zal ontlenen (Openb. 13:4).

Belial = tot niets nut. Een naam, die zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament werd gebruikt, om er nietswaardige, slechte mensen mee aan te duiden. In het N.T. wordt hij vereenzelvigd met de geest van het kwade en als zodanig identiek gesteld met satan (2 Cor. 6:15).

Briesende leeuw. Deze bijnaam wordt in 1 Petr. 5:8 aan de satan gege­ven, omdat hij als een woedend en verscheurend dier de christenen ver­volgde. De satan heeft echter moeten ervaren, dat de hierin aan de dag gelegde tactiek niet bepaald de beste was, omdat het bloed der martela­ren het zaad van de Gemeente bleek te zijn.

Engel des lichts (2 Cor. 11:14). Onder deze bedrieglijke vermomming is de satan op zijn gevaarlijkst. Als hij op zijn manier, al dan niet in toga gehuld, het woord verkondigt, dan liegt hij en zegt de waarheid niet. De duivel is een meester in het zaaien van twijfel. Dit deed hij al in het paradijs met zijn “is het niet dat God gezegd heeft . . . ?” (Gen. 3:1). Ook Jezus viel hij in de woestijn aan met het Woord van God: “Daar staat geschreven”. Maar Jezus wederstond hem, door eveneens het Woord Gods te gebruiken als het zwaard des Geestes: “Daar staat ook geschre­ven …” (Matth. 4:1-11). Hoe noodzakelijk is het voor elk kind van God dit zwaard te kunnen hanteren, door de bijbel te onderzoeken en zich de inhoud daarvan eigen te maken.

Vader der leugen. In joh. 8:44 wordt satan niet alleen genoemd “de mensenmoordenaar van den beginne”; maar ook “de vader der leugen”: Hij kan niet anders dan leugen spreken, omdat in hem geen waarheid is.

De boze. Van alle boosheden in de lucht, is satan DE boze. Rusteloos is hij er op uit, om de mensen in zijn greep te krijgen en hen tot zonden te verleiden. Maar welke invloed hij ook op de kinderen Gods moge uit­oefenen, hij kan ze niet meer voorgoed in zijn macht krijgen, want de eigenlijke nieuwe mens is voor hem onaantastbaar. “Wij weten, dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God gebo­ren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem” (1 Joh. 5:18).

Verzoeker (1 Thess. 3:5). Als verzoeker tracht hij de mens door de ver­lokkingen van zonde en werelds genot van de rechte weg af te leiden en daardoor de evangelieverkondiging nutteloos te maken (1 Thess. 3:5).

God dezer eeuw. Als zodanig laat de duivel zich op allerlei wijzen en onder allerlei vormen aanbidden (2 Cor. 4:4). Speculerende op de reli­gieuze gevoelens van de mensen, probeert hij ervoor te zorgen, dat deze niet gericht worden op de God des hemels, maar op allerlei andere zaken, die tot zijn rijk behoren.

Overste dezer wereld. Deze betiteling wordt door Jezus Zelf aan satan gegeven in joh. 12:31. Hij heeft zich de heerschappij over de wereld onrechtmatig toegeëigend en oefent zijn regeermacht uit vanuit de lucht, waar hij zijn residentie heeft. Omdat hij daar tevens heerst over zijn trawanten, wordt hij ook genoemd de “overste van de macht der lucht” (Ef. 2:2).

Het rijk der boze geesten. In de val van satan zijn vele engelen mee­gesleurd. Volgens Openb. 12:3 wel een derde deel van alle hemelwe­zens. Zij zijn uit de hemel gebannen en vertoeven nu in het luchtruim rond de aarde. Het zijn de “engelen des satans”, de boze geesten, over wie de satan heerst als “overste van de macht der lucht” (Ef. 2:2).

Behalve deze gevallen engelen, die door satan in zijn val werden betrok­ken, zijn er ook engelen, “die hun beginsel niet bewaard hebben”. Dit waren “de zonen Gods, die de dochters der mensen aanzagen, dat zij schoon waren” en zich daaruit vrouwen genomen hebben (Gen. 6:1-4). In de brief van Judas, vs 6, worden zij genoemd: “engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden er. hun eigen woning verlieten”. Deze geesten zijn niet actief. Zij zijn geworpen in de Abyssus, de put des afgronds ¬, om daar in duisternis bewaard te blijven tot de dag des oordeels. Hun koning is Abaddon ¬, ook wel genoemd Apollyon. In Openb. 9:11 heet hij “de engel des afgronds”.

Demonen zijn de boze geesten of duivelen, die zelfs woning kunnen maken in de mensen, waardoor deze dan “bezeten” zijn. Hun aantal is zeer groot en zij vormen een rijk (Matth. 12:26), dat heerschappij uit­oefent over de gehele wereld (Luk. 4:6). Bij het laatste oordeel ¬ wor­den zij geworpen in de poel des vuurs.

DUIZENDJARIG RIJK. Ook ten aanzien van een veelomvattend onderwerp als dit, zullen wij de nodige beperking in acht moeten nemen en ons slechts bepalen tot de voornaamste zaken.

De komst van een rijk van vrede en gerechtigheid, onder directe heer­schappij van Jezus Christus, wordt op tal van plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament voorzegd. Helaas hebben de meeste christenen omtrent dit Rijk een totaal verwrongen en onschriftuurlijk beeld. Want ondanks de waarschuwing in 2 Petr. 1:20, wordt ook aan de profetieën aangaande deze zaak een “eigenmachtige uitlegging” gegeven, waardoor men niet alleen de gouden glans van dit heerlijke toekomstbeeld ver­duisterd heeft, maar ook aan het Woord van God geweld heeft aange­daan. (Zie artt. Allegorie en Chiliasme)

Vooral de aangegeven tijdsduur van duizend jaar wordt door de theolo­gie niet aanvaard. Dat dit getal in de eerste zeven verzen van Openb. 20 niet minder dan zesmaal wordt genoemd, doet blijkbaar niet terzake.

Om bepaalde dogma’s niet in gevaar te brengen, mag volgens de Calvinistische Schriftbeschouwing in het in concreto gegeven tijdsbe­stek slechts gedacht worden aan een periode van zeer lange, doch onbe­kende duur. Ook de bijbelse voorstellingen aangaande de toekomstige glorietijd van de wederoprichting aller dingen, van vrede en gerechtig­heid, van herstelde paradijstoestanden, onder de persoonlijke regering van Christus, te Jeruzalem, worden op de meest fantasierijke wijze ver­draaid en vergeestelijkt. Soms worden hiertoe belangrijke zaken uit de bijbel eenvoudig op de kop gezet. Dan wordt de kerk Israël . . . dan is het Koninkrijk van Christus de overwinning van het christendom .... dan is de stad Jeruzalem nu eens in de hemel, dan weer op aarde, zoals dit natuurlijk ook het geval is met de troon van David. Zij die deze opvattingen verwerpen, maar zich eenvoudig houden aan het woord van de bijbel, worden voor vleselijk, aardsgezind, chiliastisch, sektarisch, bibli­cistisch en wat niet al uitgemaakt en soms “uit de synagoge geworpen”. Wij hopen ons echter snaar te houden aan wat er staat en zoals het er staat, want wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is. Men doet wel daarop acht te geven als op een licht, dat schijnt in de duisternis van de wereld.

Waar wordt het Rijk van Christus gevestigd?

Het antwoord is: op aarde. Hieromtrent is de bijbel zeer duidelijk. In Dan. 2:34, 35 wordt het statenbeeld ¬ uit Nebukadnezars droom aan de voet getroffen door een Steen (Christus), die de wereldheerschappij vernietigt en Zelf Zijn rijk opricht, waarin Hij Koning zal zijn over de gehele aarde. Ook is er de belofte van de engel Gabriël aan Maria, dat Jezus de troon van David zou ontvangen, om als Koning te heersen over het huis van Jakob tot in eeuwigheid (Luk. 1:32, 33). Zowel de troon als het huis van Jakob (Israël) bevinden zich op aarde. Onder de eerste christenen en hun kerkvaders leefde sterk de verwachting van een Christusrijk op aarde. Na twee eeuwen van schriftuurlijke toekomstver­wachting in deze, werd de blik op het profetisch woord plotseling ver­duisterd door de heilloze leer van de kerkvaders Origenes en Augustinus, die er voor zorgden, dat voortaan aan de nog niet vervulde profetieën een geestelijke, dus geen letterlijke betekenis werd gegeven, met het gevolg, dat de theologische eschatologie een warwinkel gewor­den is, waar tien zelf niet uitkomt.

Wanneer zal het Christusrijk aanvangen?

Augustinus achtte het Messiaanse Rijk begonnen, toen de satan door Jezus was overwonnen bij Zijn kruisdood op Golgotha. Als gevolg van deze leer ontstond omstreeks het jaar 1000 een paniekachtige toestand. In dat jaar werd immers algemeen het einde der wereld verwacht? De kerk voer er niet slecht bij, want zij ontving enorme schatten aan geld en goederen, waarvoor absolutie van zonden werd gegeven.

Toen dit alles een grote misvatting bleek te zijn geweest, werd uitge­maakt, dat het Rijk van Christus was aangebroken bij de overgang van de Romeinse keizer Constantijn naar het christendom. Toen werd de satan immers gebonden, waardoor een einde kwam aan de Romeinse christenvervolgingen? Toen zegevierde het Evangelie immers over het heidense Rome en werd de christelijke godsdienst zelfs tot staatsgods­dienst verheven?

Nog altijd heerst deze jammerlijke dwaling in onze kerken; nu al zeven­tien eeuwen lang. Hieruit is ook te verklaren, dat het concrete getal dui­zend niet gehandhaafd kan worden in verband niet de duur van het Christusrijk. Dit getal is nu immers al bijna zevenhonderd jaar over­schreden...

Helaas wordt de verwachting van een letterlijk Duizendjarig Rijk nogal in diskrediet gebracht door de kwistig verspreide opvattingen van Jehova’s Getuigen en Zevendedags Adventisten. Beide stromingen hou­den zich ijverig bezig met het maken van allerlei ingewikkelde bereke­ningen, aan de hand waarvan zij de meest fantastische voorspellingen doen. A1 deze berekeningen zijn echter nutteloos en lopen op niets uit, want “Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft” (Hand. 1:7). Daarom blijven dag en uur ons onbekend (Matth. 24:36).

Dit neemt echter niet weg, dat ons wel “tekenen der tijden” ¬ zijn gegeven, waaraan wij ongeveer kunnen zien, hoe laat het is op de pro­fetische wereldklok. Vooral het teken van de vijgenboon ¬, dat zich thans openbaart in de herleving van de staat Israël, bewijst, dat het Koninkrijk van Christus nabij is, zelfs “voor de deur” (Matth. 24:32, 33). Tevoren zullen daaraan echter nog enkele zaken in snelle opeen­volging voorafgaan. Allereerst zal de opname der gemeente ¬ plaats­vinden, zoals beschreven in 1 Thess. 4:13-18. Daarna volgt de zevenja­rige periode van de antichrist ¬, waaraan door de wederkomst des Heren ¬ een einde wordt geinaakt. Dan volgt het Armageddon ¬ der volken, waarin Christus de overwinning behaalt over de heidense wereldheerschappij, en daarna neemt het Rijk van vrede en gerechtigheid een aanvang, onder de persoonlijke regering van Koning Jezus. Dan zal uit Sion de wet uitgaan en des Heten woord uit Jeruzalem. Deputaties uit alle landen der aarde zullen zeggen: “Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren” (Jes. 2:1-5) en bij Slons Vorst hun opwachting maken.

Kentekenen van het Duizendjarig Rijk

1. Gerechtigheid (Jes. 1 1:3-5; 16:5; 42:1-4).

2. Vrede (Ps. 72:3, 7; Jes. 2:4; 9:5, 6; 32:17, 18; 60:17, 18).

3. Geluk (Jes. 8:23-9:3).

4. Lange levensduur; algemene gezondheid (Jes. 65:20-23).

5. Materiële welstand (Ps. 72:16; Jes. 30:23-25; 65:21-23; Amos 9:13, 14; Zach. 3:10; 8:12; Lev. 26:3-5).

6. De natuur van de vloek ontheven (Rom. 8:18-22; Jes. 55:13; 41:18, 19; 11:6-9; Ezech. 34:25, 28).

De heerlijkheid des Heren

Christus’ wederkomst zal zijn in heerlijkheid. Als Hij verschijnt op de wolken des hemels, dan zal elk oog Hem aanschouwen (Openb. 1:7; Matth. 24:30). Daarna zal Hij Zich ook zichtbaar openbaren als Koning, waarbij de ogen Hein zullen zien in Zijn schoonheid (Jes. 33:17).

Als dan de tempel uit Ezech. 40-43 zal zijn gebouwd, komt ook de heerlijkheid Gods weer wonen in het heiligdom. Dan zal de wolkko­lom, de “sjechina”, weer staan boven het Heilige der heiligen, ten teken van Gods tegenwoordigheid in het midden van Zijn volk (Ex. 13:21; Jes. 4:2-5). Het binnentreden van de heerlijkheid des Heren wordt op verheven wijze geschetst door de profeet Ezechiël (Ezech. 43:2). Ook Jesaja duidt daarop, als hij zegt: “Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op” (Jes. 60:1). Men leze verder in dit verband Ezech. 43:4-7; 44:1, 2; Zach. 8:3.

De plaats der Gemeente in het Duizendjarig Rijk

Een ding moeten wij niet uit het oog verliezen, namelijk dat het Duizendjarig Rijk beloofd is aan Israël en de volken. Daaruit komen de burgers van dat Rijk. De Gemeente zal daaraan op geheel andere wijze deel hebben. De kinderen Gods hebben immers op aarde geen burger­recht? Zij zijn op aarde vreemdelingen en bijwoners; hun Vaderland is in de hemel. 7è vaak wordt uit het oog verloren, dat de Gemeente uit­sluitend hemelse beloften heeft en Israël alleen aardse (zie Deut. 28).

De Gemeente zal dan ook in het messiaanse tijdperk niet aan het gewo­ne maatschappelijke leven deelnemen. Toch zal zij zijn daar waar Christus is (1 Thess. 4:17). Is Christus in de hemel, dan is zij met Hem in de hemel; is Hij op aarde, dan is zij met Hem op aarde. Het is zelfs zo, dat de kinderen Gods zullen delen in de heerschappij van Christus op aarde (2 Tim. 2:12; Openb. 1:6; 2:26, 27; 3:21). Gemaakt tot koningen en priesters zullen zij met Christus als koningen heersen (Openb. 5:9, 10). Ook de martelaren uit de grote verdrukking ¬ zullen, hoewel zij niet tot de Gemeente behoren, met Christus als koningen heersen, de duizend jaren (Openb. 20:4-6). Lees ook, wat Jezus daarover gesproken heeft in Matth. 19:28; Luk. 22:28, 29; 19:17-19.

Psalm 8 herinnert er aan, dat de mens door God is geschapen om te heersen over de werken Zijner handen, hetgeen door de zonde tot een onmogelijkheid is geworden. De koning werd tot slaaf. Hoe heerlijk te mogen weten, dat de wedergeboren mens straks in dat gouden tijdperk weer aan zijn oorspronkelijke bestemming mag voldoen en de eer zal mogen hebben te delen in de heerschappij van zijn Heer en Heiland.

Ongetwijfeld rijst de vraag, waar de Gemeente zich dan bevinden zal gedurende het Duizendjarig Rijk. Daarop is niet zo gemakkelijk te antwoorden, omdat de bijbel daarover geen concrete gegevens ver­strekt. Toch zouden wij misschien, met inachtneming van alle voor­behoud, mogen veronderstellen, dat de Gemeente vanuit het Nieuwe Jeruzalem ¬, dat dan nog in de hemel is (Openb. 21:9), aan de heer­schappij op aarde zal deelnemen. Ook de engelen verrichten vanuit hun hemelse woonstede dienst op aarde en de kinderen Gods worden immers aan de engelen gelijk? (Luk. 20:36).

De aardbewoners zullen de verheerlijkte Gemeente zeker aanschouwen bij de wederkomst des Heren. Dit is duidelijk voorzegd geworden in de belofte uit Col. 3:4 “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid”.

De plaats van Israël in het Duizendjarig Rijk

Israël was als uitverkoren volk voorbestemd een priesterlijk koninkrijk te worden en als zodanig te staan aan het hoofd der volken. Door hard­nekkige afwijkingen van de weg des Heren, door zonde, ontrouw en afgoderij is daar echter niets van terecht gekomen en kwam het aan “de staart der volken” te staan (Deur. 28:43, 44). Door zijn onbekeerlijk­heid heeft Israël zich de vloek van God op de hals gehaald, die straks zijn climax zal bereiken in de verdrukking door de antichrist. Maar God zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden, zegt de bijbel. Als het volk Israël tot inkeer komt, zal God Zich weder over Jakob ontfermen en over hen uitgieten de Geest der genade en der gebeden. Dat zal geschieden bij de wederkomst des Heren, als Israël zal zien in Wie zij gestoken hebben en zij zich wenende tot Hem zullen bekeren. Dan zal het volk ook de Zoon van David als zijn Koning erkennen, waarmee de basis voor het Koninkrijk is gelegd. Daarin zal dan het eens verachte volk schitteren aan het hoofd der naties.

Israël was een uitverkoren volk. Uitverkoren om temidden van andere volken het licht van God te verspreiden en Zijn Naam uit te dragen onder de heidenen. Door zijn afkerigheid en ongeloof heeft het ook van deze opdracht weinig of niets terecht kunnen brengen. Toen Jezus Christus Zelf als het waarachtige Licht verscheen in de duisternis van de wereld, hebben zij dat Licht niet aangenomen, maar verworpen. Toen heeft God het volk Israël terzijde gesteld en riep Hij de Gemeente in het aanzijn om het licht der wereld te zijn.

Na diens bekering en wederaanneming zal Israël echter weer zijn oor­spronkelijke taak terug ontvangen en in het Duizendjarig Rijk het zen­dingsvolk worden bij uitnemendheid. Dan zullen zij in de gehele wereld “het Evangelie van het Koninkrijk” prediken, om het hart der volken tot Jezus te brengen (Jes. 4:3; 56:8; 61:6; 66:19, 20).

Onder de heerschappij van Koning Jezus zal iedereen voor Hem de knie moeten buigen, hetgeen door velen slechts node en “geveinsdelijk” zal worden gedaan (Deut. 33:29). Door Israëls zendingsarbeid zullen tallo­zen zich echter vrijwillig en met hart en ziel aan de Here overgeven (Zich. 8:13, 23; Jes. 45:14). Ook Paulus wist, dat Israëls bekering voor de wereld zou worden: leven uit de doden (Rom. 11:12, 15).

Terwijl Israël zal staan aan het hoofd der volken, zal Jeruzalem worden de hoofdstad der wereld. Gelegen op de “navel der aarde”; vormt Jeruzalem straks ook geologisch het middelpunt der wereld, van waar­uit de Here Zijn licht zal doen uitstralen naar noord en zuid, west en oost (Zach. 2:10-12; 8:3, 22; 14:16; Jer. 3:17; Ezech. 43:7).

De volkeren tijdens het Duizendjarig Rijk

Niet alleen Israël, maar alle volken en landen der wereld zullen behoren tot het Rijksgebied, waarover Christus Koninklijke heerschappij zal uit­oefenen. Van Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem en heel de aarde zal zich daaraan moeten onderwerpen, want de Zonen van David zal heersen met een ijzeren scepter en niemand zal Hem ongestraft kunnen wederstaan.

De volken zullen zich echter mogen verheugen in ongekende toestan­den van vrede en gerechtigheid, ja zelfs de dierenwereld zal daarin delen (Jes. 11:6- 8). Er zal geen kwaad meer worden gedaan en geen verderf gesticht, want Hij zal de geringen gerechtigheid doen toekomen en de ootmoedigen in billijkheid richten. “De aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn” (Jes. 11:9, 10).

Terwijl gedurende het Vrederijk de satan gebonden is en onmachtig om tot zonde en ongehoorzaamheid tegen God te verleiden, zal God de mens meer ontvankelijk maken voor het zaad van het Evangelie. Oren, die gesloten waren, zullen horen de prediking van het Woord van God en de ogen der geestelijk verblinden zullen zien (Jes. 29:18; 32:3, 4; 42:6, 7, 16). Welk een heilstijd, als de volken zich gezamenlijk tot de Here bekeren en Hem dienen zullen. Dit betekent echter niet, dat iedereen de Here van harte zal zijn toegewijd, want miljoenen zullen zich slechts noodge­dwongen en met afkeer in het hart aan Jezus onderwerpen. Doch machtige, wereldwijde opwekkingen zullen de heerlijkste kenmerken zijn van het Messiaanse Rijk.

De volken zullen verplicht worden gesteld, om jaarlijks deputaties te zenden naar Jeruzalem, om daar deel te nemen aan het Loofhuttenfeest en zich neer te buigen voor de Koning, de Here der heerscharen (Zach. 14:16).

Schaduwen in het Duizendjarig Rijk

Vele mensen hebben in hun gedachten een meer hemelse dan aardse voorstelling van het Duizendjarig Rijk. Zij denken zich daarin een vol­maakte toestand, zonder zonde, zonder wanklank, zonder vlek of rim­pel. Dit is echter niet het geval. Want ondanks de paradijsachtige heer­lijkheid, waarin de mens zich dan mag verlustigen, ondanks het gebon­den zijn van de satan, die dan niet meer tot zonde kan verleiden en aan­zetten, woont de zonde nog altijd in de harten en doet van binnenuit zijn werk in hen, die zich niet bekeerden. Zodra die zonde echter door iemand in een daad wordt omgezet, wordt hij door de adem der lippen van de Here gedood (Jes. 11:4).

Ook de dood zal er dus nog zijn, hoewel in veel geringer mate optre­dend. Kindersterfte zal tot het verleden: behoren; grijsaards zullen een abnormaal hoge leeftijd (“als die der bomen”) bereiken, terwijl iemand, die de honderdjarige leeftijd bereikt, nog slechts een “jongeling” genoemd wordt (Jes. 65:20). Dankzij de buitengewone omstandigheden en het gezonde leefklimaat, zal in die tijd de dood een zeldzaamheid zijn.

Het Messiaanse Rijk zal zelfs niet de schijn hebben van een democratie, doch de uitgesproken vorm hebben van een Theocratie, dit is Godsregering. Christus zal geheel met eigen hand regeren en alleen daardoor kan er gerechtigheid en vrede op aarde zijn. Nimmer is de mens in vrijheid geweest; altijd waren de volken onderworpen aan de vorst der duisternis. Maar dan zal de Here regeren in alle rechtvaardig­heid. Terwille van de geveinsdelijk onderworpenen zal Hij dit moeten doen met een ijzeren staf, maar dit kan niet anders dan tot heil en zegen voor de wereld zijn. Daarom zal ongehoorzaamheid streng worden gestraft, tot waarschuwing voor anderen (Jes. 66:24).

In zo’n autoritaire regering kan echter op zichzelf geen schaduwzijde van het Duizendjarig Rijk worden gezien. Integendeel. Vrijheid kan ook gevaarlijk zijn en soms leiden tot bandeloosheid, wetteloosheid, anar­chie, misdaad en dood. Alleen een rechtvaardig autoritair bewind, als Jezus straks zal uitoefenen, kan de mensheid vol en blijvend geluk schenken.

Het Koninkrijk van Christus zal een eeuwig Koninkrijk zijn, dat echter in de vorm van het hierboven omschreven Messiaanse Rijk, na duizend jaar een einde zal nemen. Dan zal de mens weten wat het verschil is tus­sen satansheerschappij en Christusregering en in de gelegenheid wor­den gesteld opnieuw eer. vrijwillige keuze te doen. Daartoe zal de satan aan het einde van de duizend jaren voor een korte tijd ontbonden wor­den en uit zijn gevangenis losgelaten (Openb. 20:7). Wederom zal hij de volken der aarde weten te verleiden tot opstand tegen de Allerhoogste. Uit alle werelddelen zullen immense legers worden verzameld tot een nieuw Armageddon (Openb. 20:7, 8). Dat die legers in aantal gelijk zul­len zijn als het zand der zee, toont aan, hoevelen zich onder Christus’ regering slechts geveinsdelijk hebben onderworpen.

Het zal echter satans laatste opstand zijn tegen God. Want als de legers Jeruzalem omsingeld hebben, worden zij vernietigd door vuur uit de hemel en gaat de satan voor eeuwig in de poel des vuurs.

 

E

EDELGESTEENTE. In Openb. 21:11 wordt gezegd, dat de fundamen­ten van het Nieuwe Jeruzalem ¬ met allerlei edelgesteenten waren ver­sierd. Edelstenen worden dikwijls in de bijbel vermeld als aanduiding van de schoonheid en heerlijkheid van Goddelijke en hemelse zaken (Ex. 24:10; Jes. 28:5; Ezech. 1 en 10; Openb. 4:2, 3 ). Zij behoren tot de toekomstige heerlijkheid van de stad Gods (Jes. 54:11, 12).

In het borstschild van de Hogepriester bevonden zich twaalf stenen, voorzien van de namen van de twaalf stammen van Israël (Ex. 28:17 v). In Ezech. 28:13 worden negen stenen genoemd, behorende tot het gewaad van de koning van Tyrus, die daar het type is van de satan in zijn gestalte van gevallen cherub (® Engelen).

Volgens Openb. 21:11 kan de schoonheid van liet Nieuwe Jeruzalem vergeleken worden met de schittering van zeer kostbare stenen (zie onder).

De bijbel vermeldt drie lijsten van edelstenen in groepsverband, n.l.:

Borstschild hogepriester

rode jaspis

chrysoliet

malachiet

haematiet

lazuursteel

prasem

barnsteen

agaat

amethyst

turkoois

chrysopaas

nefriet

Koning van Tyrus (type van satan)

rode Jaspis

chrysoliet

malachiet

haematiet

lazuursteel

prasem

 

 

 

turkoois

chrysopaas

nefriet

Het Nieuwe Jeruzalem

diamant

chrysoliet

robijn

smaragd

lazuursteel

sardonyx

sardius

topaas

amathyst

chrysopaas

saffier

beryl

 

EEUW. In ons taalgebruik heeft het woord “eeuw” de betekenis van een afgerond tijdsbestek van honderd jaar. Dit is in de bijbel meestal niet het geval. In de oorspronkelijke tekst komen de woorden “olam” (Hebr.) en “aioon” (Gr.) voor, die steeds vertaald zijn geworden met “eeuw”. In werkelijkheid betekenen zij echter een langdurige periode en betreffen soms een bepaalde “bedeling” ¬. Als b.v. in het N.T. sprake is van de “tegenwoordige en toekomende eeuw”, dan wordt daarmee bedoeld de huidige bedeling der genade en de hierna komende bedeling van het Duizendjarig Rijk ¬.

In Gods Raadsbesluit is een “plan der eeuwen”, een “eeuwig voorne­men” (Ef. 3:11) opgenomen, dat in zeven bedelingen de tijd omvat, die ligt tussen “van eeuwigheid tot eeuwigheid”. Vijf daarvan zijn reeds ver­leden tijd, in de zesde leven wij, terwijl de zevende en laatste bedeling volgens de tekenen der tijden ¬ in de nabije toekomst verwacht kan worden.

Voor nadere bijzonderheden zie men het art. “Bedelingen”.

EEUWIGHEID. Het begrip “eeuwigheid” is door het menselijk brein onmogelijk te vatten. In ons bewustzijn heeft het de betekenis van een begin en eindloze tijd. In werkelijkheid heeft eeuwigheid echter niets met tijd te maken. Zij is namelijk geen opeenvolging van dagen, jaren en eeuwen, maar - hoe onbegrijpelijk het ook is - een constant heden, een eeuwig nu. Hoewel geschapen voor de eeuwigheid, kunnen wij niet anders dan uitsluitend “in tijd” denken, eenvoudig omdat wij leven in de tijd.

De tijd is er niet altijd geweest. Mogelijk was zij de eerste scheppings­daad van God, hoewel de bijbel daar niets over zegt. In ieder geval is “in den beginne” door Gods almacht op een bepaald “ogenblik” van de eeuwigheid de klok van de tijd beginnen te tikken. Zij tikt nog steeds voort, hoewel zij eenmaal stil zal staan. Want de tijd heeft een begin gehad, maar zal ook een einde hebben. Als Gods plan der eeuwen vol­tooid zal zijn, dan gaat de tijd weer over in eeuwigheid, waarin God zal zijn “alles en in allen” (1 Cor. 15:24, 25). De vraag zou kunnen worden gesteld, of God Zelf ook aan de tijd gebonden is, maar daar moet beslist ontkennend op worden geantwoord. Hij is de God van tijd en eeuwig­heid, maar is toch niet aan tijd gebonden. In de hemel is geen tijd; daar zijn duizend jaar als één dag en één dag als duizend jaar (2 Petr. 3:8) en dat is dan nog maar bij wijze van spreken. God is de Eeuwige, de Eeuwig-zijnde. Hij is de “Ik ben” (Ex. 3:14). In deze zelfde eeuwig­heidstaal heeft Jezus zich typisch uitgedrukt, toen Hij de eigenaardige woorden sprak: “Eer Abraham was, ben Ik!” (1oh. 8:58 ).

Wij kunnen “de tijd” dus zien als zijnde een afgebakende periode, die een lijn onderbreekt, lopende “van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

 

  van eeuwigheid                                            DE TIJD                                            tot eeuwigheid

 

EFEZE (® Zeven gemeenten).

EGYPTE. Dit land van de Nijl heeft van oudsher een diepgaande invloed uitgeoefend op zijn noordelijke naburen. Ook Israël heeft in politieke zin veel roet Egypte van doen gehad. We willen in het kader van dit werk echter voorbijgaan aan hetgeen de geschiedenis daarom­trent vermeldt en ons voornamelijk bezighouden met de rol, die dit land zal spelen in de eindtijd van de menselijke heerschappij.

Jezus heeft gezegd: “Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat liet Koninkrijk Gods nabij is” (Luk. 21:29-31 ).

Bomen zijn in de bijbel het zinnebeeld van volken en de vijgenboom speciaal dat van de natie Israël. Uit de woorden van Jezus moet dus wor­den opgemaakt, dat aandacht moet worden geschonken aan de herle­ving van Israël (de vijgenboom), maar ook aan die van de buurlanden (de bomen). Welnu, indien ooit van wederopleving gesproken kan wor­den, dan geldt dit de landen van het Midden-Oosten. In het begin van onze eeuw wist men van sommige daarvan amper dat zij bestonden, maar thans zijn zij dagelijks in het nieuws en het onderwerp van meni­ge zorgvolle bespreking in de Assemblee der Verenigde Naties. Er gaat haast geen avond voorbij of het TV-journaal geeft berichten en beelden, die wijzen op een voortdurende spanning tussen de vijgenboom en de andere bomen.

Vreselijk is de haat, die Arabische volken hebben tegen de jonge staat Israël. Maar tot nu toe hebben alle Arabische pogingen om Palestina aan Israël te ontnemen, schipbreuk geleden. Nog nooit is de bedrei­ging de Joden in de Middellandse Zee te drijven tot uitvoering geko­men en dit zal ook nooit geschieden, om de eenvoudige reden, dat God dit niet zal toelaten. Hij is bezig Israël weer te verzamelen uit al de volken, waarheen zij verstrooid zijn geweest, en heeft gezegd: “Ik zal hen planten in hun grond en zij zullen niet meer worden uitge­rukt uit de grond, die Ik hun gegeven heb, zegt de Here, uw God” (Amos 9:15).

Toch mag uit dit alles niet de gevolgtrekking worden gemaakt, als zou Israël nu niets meer kunnen gebeuren. O neen. Ondanks het feit, dat God de draad met dit volk weer op zo duidelijke wijze heeft opgeno­men, is Zijn gramschap vanwege hun onbekeerlijkheid nog niet ten einde of ook maar zelfs verminderd. Aan de hand van de profetieën kunnen wij met zekerheid zeggen, dat Israël nog een afschuwelijke tijd tegemoet gaat, die zelfs de vreselijkste zal zijn uit zijn geschiedenis. Ook de “koning van het Zuiden” (Egypte) zal daarin aan het hoofd van zijn Arabische entente ongetwijfeld een rol spelen. Deze koning van het Zuiden wordt genoemd in Daniël 11:40, dat ons verplaatst in de eind­tijd ¬. Hoewel met deze koning in de eerste plaats het staatshoofd van Egypte wordt bedoeld, moet men hem in breder verband zien als leider van een Arabisch/Afrikaans blok, waar in ieder geval Egypte, Ethiopië en Lybië deel van zullen uitmaken. De pogingen die Egypte zou gaan doen om Arabieren en Afrikanen in een derde wereldmacht te vereni­gen, wijzen onmiskenbaar op een dergelijke blokvorming. Het feit, dat straks de antichrist ¬ de wereldmacht in handen zal hebben, wil aller­minst zeggen, dat de noordelijke, oostelijke en zuidelijke statenblokken zich zonder slag of stoot aan hem zullen onderwerpen. Ook zullen deze machtsblokken onderling elkander niet goed gezind zijn. In Daniël 11:42, 43 lezen wij, hoe de koning van het uiterste noorden (Rusland en zijn satelietstaten) een geweldige aanval zal doen op het Egyptische blok. Ook Ezechiël profeteert van groot onheil over Egypte, als “het uur der volken” zal zijn geslagen. De Russische invasie zal veel verwoesting teweegbrengen, zowel in Egypte, als in de met deze staat verbonden lan­den (Ezech. 30:1-9).

Men moet toch wel verblind zijn, om in het licht der profetie het heden­daagse wereldgebeuren niet te onderkennen als een voorbereiding tot de aangekondigde dramatische slotfase van de menselijke heerschappij. Men moet wel horende doof zijn, om niet de taal “der bomen” te ver­staan, die ons zegt, dat het Koninkrijk nabij is (Luk. 21:29-31).

Het einde der aardse wereldmachten is in zicht. In een razend tempo ontwikkelen zich de gebeurtenissen, die aan de wederkomst des Heren ¬ moeten voorafgaan. Maar Hij komt om Zijn Rijk te vestigen van vrede en gerechtigheid en daarover als Koning te heersen

Duizendjarig Rijk). Dan zal God Zich ontfermen over de volken der aarde. Egypte zal zich dan tot de Here bekeren en door Hem worden aangenomen als “Mijn volk”. De woorden uit Jes. 19:25 zullen werke­lijkheid worden: “Gezegend zij Mijn volk Egypte en het werk Mijner handen, Assur en Mijn erfdeel Israël”.

EINDTIJD. Steeds wordt in dit boek het woord “eindtijd” genoemd. Daar dit mogelijk zou kunnen worden misverstaan, is het niet ondien­stig even te vermelden, dat dit woord geen betrekking heeft op “het einde der wereld”. Bij het woord eindtijd moet worden gedacht aan die periode, waarin zich de slotfase voltrekt van de geschiedenis der men­selijke heerschappij. De eeuwen door heeft deze gestaan onder de ver­derfelijke heerschappij van de satan, de “overste dezer wereld”; doch in de eindtijd zal de wederkomst des Heren ¬ daaraan een definitief einde maken. Dan zal alle wereldse macht vernietigd worden en sticht Christus Zijn Rijk van vrede en gerechtigheid.

ELIA (mijn God is Jahweh) was een der meest dynamische geestelijke leiders, die Israël ooit heeft gekend. Helaas kunnen wij in dit bestek niet ingaan op de bewogen geschiedenis van deze grote man Gods, noch op zijn betekenis als profeet, maar moeten wij ons bepalen tot de rol, die Elia nog zal hebben te spelen in de toekomst.

Vooraf moeten wij echter even vaststellen, dat Elia nooit gestorven is, doch lichamelijk ten hemel voer (2 Kon. 2:11). Later is hij van daaruit in gezelschap van Mozes verschenen op de berg der verheerlijking en hadden zij een gesprek met Jezus over diens aanstaande lijden in Jeruzalem (Luk. 9:31).

Over de terugkeer van Elia werd reeds geprofeteerd in Maleachi 4:5, waar God zegt: “Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte Dag des Heren ¬ komt”.

Deze verwachting leeft nog altijd onder het Joodse volk. Op familie­feesten en speciaal op het Paasfeest is het de gewoonte, om aan de tafel een plaats voor Elia gereserveerd te houden. Soms wordt er zelfs voor hem gedekt. Dit alles ten bewijze, dat hij welkom is, als hij binnen mocht komen.

Het kan haast niet anders, of de drie discipelen, die met Jezus op de berg der verheerlijking waren, hebben bij het zien van Elia gedacht aan de profetie van Maleachi. Zij hebben althans aan Jezus de vraag gesteld: “Hoe kunnen de Schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen...?” Het dubbelzinnige antwoord, dat zij kregen, moet hen wel raadselachtig in de oren geklonken hebben: “Elia zal wel komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is...” (Matth. 17:10-13). Hieruit begrepen de discipelen dat Hij hen over Johannes de Doper gesproken had. De man in kwestie zelf had echter al eerder ont­kend, dat hij Elia was. Een deputatie van de Joden, bestaande uit priesters en levieten, had hem pertinent gevraagd: “Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen!” (Joh. 1:21).

Dit alles schijnt wel tegenstrijdig aan elkander, maar het is mogelijk, dat de verklaring daarvan is, dat Maleachi’s profetie ten dele vervuld werd in de komst van Johannes de Doper, maar dat de eindvervulling nog moet komen. 1n Johannes de Doper is ongetwijfeld de geest en de kracht van Elia openbaar geworden. Voegen we bij dit alles nog het feit, dat Jezus’ verklaring over de komst van Elia geschiedde nadat Johannes de Doper reeds gedood was, dan kan eenvoudig worden gesteld: Elia is gekomen en hij zal nog komen! Maleachi’s profetie gaat ook beslist ver­der dan de tijd van Johannes de Doper en betreft duidelijk de tijd van het einde. Zij voorzegt Elia’s terugkeer om Israël voor te bereiden op de grote en geduchte Dag des Heren.

Openb. 11:1-14 geeft ons omtrent die terugkeer nadere inlichtingen, want, ook al wordt hij daarin niet bij name genoemd, Elia is in dit Schriftgedeelte duidelijk te herkennen als één van de twee getuigen ¬, die tijdens de antichrist ¬ van Godswege op aarde zullen prediken.

ENGELEN. Het woord “engel” komt van het Gr. angelos = boodschap­per. Het zijn bovenaardse, doch niettemin geschapen wezens. Zij bekle­den in de verschillende orden, waarin zij zijn gesteld, verheven en soms zeer machtige functies.

Het is goed enige kennis te verkrijgen omtrent dit onderwerp, omdat we dagelijks met engelen te maken hebben en temidden van hen leven, ook al zijn we ons dat niet bewust.

Gelovigen mogen er zeker van zijn, dat God engelen uitzendt om hen te dienen, waar en wanneer dit ook maar nodig is (Hebr. 1:14). Er zijn vele voorbeelden van, dat kinderen Gods bijv. op onverklaarbare wijze voor gevaar werden gewaarschuwd, of gedrongen werden iets te doen of ergens heen te gaan, waaraan zij uit zichzelf niet zouden hebben gedacht. Dat zijn “de engelen, die ons omringen of zweven voor ons heen” uit het bekende gezangvers. Toch moeten wij ook hierin de geesten onderscheiden of zij uit God zijn, want ook demonen kunnen ons op gelijke wijze beïnvloeden.

Het ontstaan en bestaan der engelen

De schepping der engelen had plaats “in den beginne” (Gen. 1:1), nog voor de aarde geschapen was (Job 38:4-7). Daar het geslachtloze wezens zijn, hebben zij zich niet door voortplanting vermenigvuldigd, doch zijn ze ieder afzonderlijk geschapen door Jezus Christus (Col. 1:15, 16). Hoe groot het aantal van deze hemelbewoners is, kan bij benadering niet worden geschat. Volgens Job 25:3 zijn het ontelbare scharen. Enkele malen worden getallen genoemd van engelenmassa’s, die tot een bepaal­de groep behoren.

Daniël 7:10 geeft een aantal van duizend maal duizenden (dat is mini­reaal 2.000.000) dienende engelen en tienduizend maal tienduizenden (dat is een meervoud van 100.000.000) engelen, die voor Gods troon staan. Ook Openb. 5:11 vermeldt een astronomisch aantal engelen, die zich rondom de troon van God en het Lam bevinden, namelijk tien­duizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen. Van de che­rubs ¬ wordt gezegd: “Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, dui­zenden bij duizenden” (Ps. 68:18).

Orde van engelen

Uit gegevens, die de bijbel verschaft, is het mogelijk vast te stellen, dat de engelenmassa in verschillende orden of klassen is ingedeeld. In de enge­lenwereld is sprake van “tronen, heerschappijen, overheden en machten” (Col. 1:16), die ook worden onderscheiden in de volgende groepen:

a. Cherubs. Deze wezens verkeren in de onmiddellijke nabijheid van de troon Gods. Zij vormen als het ware een muur rondom de Allerhoogste, doch bevinden zich ook onder de troon, waarom zij soms “troondra­gers” worden genoemd. “Hij troont op de cherubs” (Ps. 99:1; Jes. 37:16). De functie der cherubim wordt op aanschouwelijke wijze afgebeeld in de tabernakel. Zo zien wij in het Heilige der heiligen een tweetal cherubs hun vleugels uitspreiden over het verzoendeksel van de ark, die het sym­bool was van de troon van God. Ook de toegang tot het Heilige der hei­ligen was afgesloten door een voorhang, waarop cherubs waren afge­beeld. Zij riepen als het ware de stervelingen een onverbiddelijk halt toe, als deze het zouden wagen het Allerheiligste binnen te treden en de troon van God te naderen.

Op het door Jezus uitgesproken “Het is volbracht!” bij Zijn kruisiging, is de voorhang echter gescheurd en heeft ieder, die gered is door het bloed van het Lam, een vrije en open toegang tot de troon van God (Hebr. 10:19-22).

Van de gedaante der cherubs wordt in Ezech. 1 en 10 een wonderlijke beschrijving gegeven. Daar maakt de profeet melding van een tweetal visioenen, waarin hij een eigenaardig soort “levende wezens” aan­schouwde, die door hem pas in het tweede gezicht werden herkend als cherubs.

Hoewel ze ergens de gedaante hadden van een mens, waren zij daarvan toch geheel onderscheiden, doordat zij vier aangezichten hadden en vier vleugels. Het meest vreemde waren de raderen, waarop zij zich voortbewogen. Met behulp daarvan konden zij alle kanten heengaan, zonder zich om te keren. Ook die raderen leefden en de velgen daarvan waren vol ogen. Men leze de interessante beschrijving van deze won­derbare wezens in de genoemde hoofdstukken van Ezechiël.

b. Serafs. Deze worden slechts eenmaal in de bijbel genoemd en wel in Jesaja 6. Daar blijkt, dat deze hemelwezens enige overeenkomst hebben met cherubs. Ook zij bevinden zich in de directe nabijheid Gods, met dit verschil, dat \vaar de cherubs zich onder en rondom de troon van God bevinden, de serafs zich daarboven ophouden (Jes. 6:2). In hun gedaante verschillen zij in zoverre van de andere engelen, dat zij zes vleugels hebben. Hun taak is voortdurend de heiligheid van de Here der heerscharen te verkondigen.

De naam seraf is afgeleid van het werkwoord saraf, dat “branden” bete­kent. Zij staan derhalve in verbinding met vuur en bedienen het altaar. Bij Jesaja was het een seraf, die hem aanraakte met een kool van het altaar, waarmee de onreinheid van zijn lippen verzoend en hij geheiligd werd tot de dienst van God. Dit mag ons er aan herinneren, dat ieder, die op enigerlei wijze dienst wil verrichten in Gods Koninkrijk, zich eerst moet verootmoedigen voor het aangezicht des Heren, om gerei­nigd te worden van alle besmettingen des geestes en des vlezes.

c. Aartsengelen. In de bijbel wordt slechts één aartsengel roet name genoemd, namelijk Michaël. Toch is mogelijk ook Gabriël een aartsen­gel. De apocriefen hebben bovendien nog Uriël en Rafaël, terwijl in de Joodse literatuur niet minder dan zeven aartsengelen vermeld worden.

MICHAEL. Zijn naam betekent: “Wie is God gelijk?” Reeds uit deze naam blijkt, dat Michaël de volstrekte pendant is van satan, die immers aan God gelijk wilde zijn? (® Duivelen). We zien Michaël dan ook herhaaldelijk in strijd verwikkeld met satan, nu eens om het bezit van het lichaam van Mozes (Judas:9), dan weer met de “luchtvorst van Perzië” (Dan. 10:13). Ook bij de opname der Gemeente ¬ zal Michaël een rol vervullen, als hij met de stem van een aartsengel de doden, die in Christus gestorven zijn, uit het graf zal roepen (1 Thess. 4:16).

In de eindtijd zal Michaël, tezamen met zijn engelen, zegevierend tevoorschijn komen uit zijn laatste strijd met de draak ¬, dat is de dui­vel (Openb. 12:7-12).

GABRIEL (“man Gods” of “God heeft zich machtig betoond”). Tot zijn taak behoorde het aankondigen van Gods Raadsbesluiten en het bren­gen van bijzondere boodschappen (Luk. 1:19 en 26). Ook in Dan. 8:16 en 9:21 is hij Gods boodschapper.

d. Engel des Heren. Komt in het O.T. ook voor onder de naam Engel des Verbonds of Engel des aangezichts, waar hij optreedt als vertegen­woordiger van Christus, voor Diens menswording. Dat hij volkomen volmacht heeft of mogelijk de Here Zelf is, blijkt b.v. uit Gen. 16:10, waar de Engel des Heren tot Sara zegt: “Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken”. Vgl. ook Gen. 31:11 met 31:13.

Het wezen der engelen

Engelen zijn geestelijke wezens, maar hebben toch een lichaam. Dit lichaam is van een etherische stof, die wij niet kennen en die niet gebon­den is aan onze natuurlijke wetten van ruimte, tijd en stoffelijke beper­kingen. Vandaar, dat zij zich in een oogwenk kunnen verplaatsen van de hemel naar de aarde (Dan. 9:20). Hun uiterlijk moet van onbeschrijfe­lijke heerlijkheid en schoonheid zijn (Matth. 28:3). Zij kunnen zich ech­ter ook manifesteren in gewone menselijke gedaanten, zoals b.v. bij Abraham (Gen. 18:2), Lot (Gen. 19:1), Daniël (Dan. 3:25) enz. Ook nu komt het nog voor, dat engelen zich in mensengedaante met aardbewo­ners in verbinding stellen. Hierover bestaan betrouwbare getuigenissen. Bovendien is daar het bewijs uit Hebr. 13:1 “Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, enge­len geherbergd”:

Engelen in de eindtijd

Nog altijd is satan de “overste dezer wereld”. Naarmate hij echter de tijd ziet naderen, dat door Christus aan zijn onrechtmatige heerschappij een einde wordt gemaakt, zal hij in steeds grotere woede de machten der duisternis mobiliseren, om zijn regiem nog zolang mogelijk te kunnen handhaven en de goddeloosheid en ongerechtigheid ten toppunt te voeren.


Maar dan ook zullen Gods oordelen over de aarde worden uitgestort, waartoe engelen worden gebruikt, die macht hebben over het vuur, de wateren, de aarde en de hemellichamen. Onder bevel van Michaël zul­len de engelen strijd voeren tegen de draak ¬ in de hemelse gewesten (Openb. 12:7). Ook zullen legioenen engelen worden ingezet voor de grote slag van Armageddon ¬ waarin een einde wordt gemaakt aan satans wereldheerschappij.

Onze verhandeling over de engelen, die wij hiermee besluiten, kan geen aanspraak maken op volledigheid, maar toch hopen wij er in geslaagd te zijn u enig inzicht te hebben gegeven in wat de bijbel ons openbaart aangaande de wondere wereld der engelen.

Zij zijn voor ons voorbeelden van gehoorzaamheid aan God. Vandaar, dat Jezus ons heeft leren bidden: “Uw wil geschiede, op aarde als in de hemel...”

ESCHATOLOGIE is een onderdeel der theologische wetenschap en betreft de leer der laatste dingen ¬.

EUFRAAT. Deze rivier, die op de bergen van Armenië ontspringt, stroomt over een lengte van 2850 km door Mesopotamië en mondt uit in de Perzische Golf.

In de bijbel neemt de Eufraat een bijzondere plaats in, o.a. als één van de grenzen van het Paradijs en ook als de toekomstige grens van het eens aan Abraham beloofde land (Gen. 15:18; Deut. 11:24; Joz. 1:4).

Ook op het wereldtoneel heeft de Eufraat een rol gespeeld, als natuur­lijke hindernis voor oprukkende legerscharen.

In de eindtijd echter, als de legers van de koningen der aarde zich zullen verzamelen op de bergen van Israël, tot de slag van Armageddon ¬, zal de Eufraat geen beletsel kunnen vormen voor de opmars van de mil­joenenlegers uit het Verre Oosten. Want als de zesde toornschaal ¬ van de gramschap Gods wordt uitgegoten over de Eufraat, dan zal het water van die rivier opdrogen, waarmee “de weg bereid wordt voor de konin­gen, die van de opgang der zon komen” (Openb. 16:12).

EZECHIËL (God geeft kracht) was in de tijd van de ballingschap een der grootste profeten. Na in 597 vC met vele anderen naar Babel te zijn weggevoerd, woonde hij te Tell-Abid, nabij de rivier de Kebar. Ofschoon hij oorspronkelijk priester was te Jeruzalem, werd hij in 592 geroepen tot het profetenambt, dat hij minstens twintig jaar lang moet hebben bekleed.

Het naar Ezechiël genoemde bijbelboek bevat zeer belangrijke profetie­ën, waarvan vele nog op vervulling wachten. Betreffende de strijd tegen Gog ¬ vermelden de hoofdstukken 38 en 39 uitgebreide bijzonderhe­den. Ook het bekende visioen van het “doodsbeenderendal” ¬ in Ezech. 37 is een belangrijke profetie van de nationale en geestelijke opstanding van het volk Israël.

In dit hoofdstuk wordt ook het onmiskenbaar bewijs geleverd, dat de twee en de tien stammen eenmaal weer verenigd zullen worden tot één rijk, waarvan de Zoon van David, Christus, Koning zal zijn (Ezech. 37:15-28).

Opmerkelijk is voorts, wat Ezech. 40-44 mededeelt aangaande de tem­pel, die ten tijde van het Duizendjarig Rijk ¬ zal staan te Jeruzalem. Niet minder dan vier lange hoofdstukken zijn gewijd aan een architec­tonische beschrijving van deze prachtige tempel. Ook worden uitge­breide inlichtingen gegeven aangaande de dienst, die daarin zal worden uitgeoefend.

 

F

FILADELFIA ¬ Zeven gemeenten.

FIOLEN. Oude benaming voor schalen of schotels van nogal ruime omvang. In de Statenvertaling spreekt het boek Openbaring van “zeven fiolen, vol van de toorn Gods” (Openb. 15:7; 16:1; 17:1; 21:9). De Nieuwe Vertaling heeft daarvoor eenvoudig het woord “schalen”.

 

G

GABRIEL ® Engelen.

GEITENBOK ® Ram en geitenbok.

GENADETIJD. Meermalen wordt de vraag gesteld, of er na de opname der Gemeente ¬ nog behoudenis mogelijk is. We kunnen op grond van de bijbel daarop bevestigend antwoorden, ofschoon daarbij moet wor­den opgemerkt, dat men dan niet meer zalig kan worden uit genade alleen. Nu leven wij nog in de “welaangename tijd”; dat wij “om niet gerechtvaardigd worden uit Gods genade, door de verlossing in Christus Jezus” (Rom. 3:24). Op het moment van Christus’ komst voor de Zijnen, zal de dag der genade echter een absoluut einde genomen hebben. Wie behouden is wordt opgenomen en gaat met Christus in de vreugde van de Bruiloftszaal. Wie niet is wedergeboren blijft achter in de nacht der boosheid, die dan over de aarde zal vallen. Na de opname begint de periode van de antichrist ¬ en onder zijn regiem de “ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal” (Openb. 3:10). Dat zal niet alleen zijn “de dag der benauwdheid voor Jakob”; maar ook voor allen, die het “merkteken van het beest” ¬ afwijzen en de God des hemels trouw blijven. Iedereen zal het “beeld van het beest” ¬ moeten aanbidden om zijn merkteken op rechterhand of voorhoofd te kunnen verkrijgen. Weigeraars stellen zich dan bloot aan de afschuwelijkste ver­volging, die eindigt met een vreselijke dood.

Groot zal echter de schare overwinnaars zijn, die in het aangezicht van foltering en dood “neen” zullen zeggen tegen het beest en de valse profeet ¬. Johannes ziet ze in een ontelbare menigte voor de troon van God en van het Lam, gehuld in witte klederen en met de palmtak der overwin­ning in de handen (Openb. 7:9-17). Na de hitte der vervolging heeft God Zelf Zijn tent over hen uitgespreid en hen de tranen van de ogen gewist. Zij zijn behouden, maar hebben de behoudenis verkregen tegen de hoge prijs van eigen bloed en leven.

Blijkens het bovenstaande is het dus zeker, dat na de opname nog behoudenis mogelijk is, maar ook, hoe ontzaggelijk moeilijk het zal zijn om die te verkrijgen en staande te blijven in de ure der verzoeking.

Nu is het nog mogelijk behouden te worden enkel “uit genade door het geloof” (Ef. 2:8). Na de opname kan de zaligheid alleen verworven wor­den op bovenvermelde wijze. Voor het heden der genade geldt: “De straf, die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53:5). Na de genadetijd zal men zelf de straf moeten dragen, zelf de striemen moeten ondergaan, om door lij­den tot heerlijkheid te kunnen komen.

Hoe noodzakelijk is het dan om nu, in de tijd der genade, de goede keuze te doen. De apostel zegt: “Zie, nu is het de tijd des welbehagens; zie, nu is het de dag des heils!” (2 Cor. 6:2). Maar de avondstond van deze dag is reeds lang aangebroken. Nog even en dan komt de nacht der boosheid en verdrukking.

Wat gaat u doen? Wilt u nu de goede keuze doen, door hart en leven aan Jezus Christus over te geven, om behouden te worden uit genade? Of wilt u straks voor die keuze staan, maar dan tegenover de antichrist, met geen ander alternatief dan vervolging en dood?

Luister naar de roepstem uit het Woord van God: “Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet!” (Hebr. 3:15). “In naam van Christus vragen wij u: Iaat u met God verzoenen” (2 Cor. 5:21).

GERICHT. Dit woord komt vele malen in de bijbel voor, hoofdzakelijk in het 0.T. en heeft dan de betekenis van rechtspraak. Zonder recht­spraak zal God nimmer oordelen.

Ten aanzien van het burgerlijke en gemeentelijke leven vermaant de apostel Paulus, om bij onderlinge geschillen niet bij ongelovigen recht te zoeken, doch desnoods liever schade en onrecht te lijden. Paulus vindt voor hemzelf alleen het goddelijk gericht belangrijk. I let mense­lijk gericht raakt hem minder, want hij is zich van niets bewust (1 Cor. 4:1-5).

In de toekomst zullen van Godswege drie grote gerichten plaats hebben, in de volgorde als hieronder vermeld:

1. Het gericht over de werken der gelovigen. Bij dit gericht, waarvoor alleen de kinderen Gods zullen verschijnen, zal het niet gaan over het behouden of verloren zijn, maar of en in hoeverre men loon zal ont­vangen (1 Cor. 3:10-15). Het gericht zal plaatsvinden voor de “Rechterstoel van Christus” ¬ (2 Cor. 5:10).

2. Het gericht over de volken der aarde. Dit zal plaats hebben na de slag van Armageddon ¬ en gehouden worden in het Dal van Josafat ¬. Bij deze gelegenheid zullen de volken zich tegenover de wedergekomen Christus snoeten verantwoorden ten aanzien van de wijze, waarop zij zich jegens Israël hebben gedragen (Matth. 25:31-46). Zie art. Volkerengericht.

3. Het jongste gericht of laatste oordeel ¬. Dit zal plaatsvinden aan het einde van alle dingen, voor de Grote Witte Troon, na de algemene opstanding der doden (Openb. 20:11-15).

Het jongste gericht betreft:

a. het oordeel over de gevallen engelen, die tot zolang bewaard zijn geweest in de “put des afgronds” ¬;

b. het gericht over de doden uit de laatste opstanding. Deze worden geoordeeld naar wat in de boeken beschreven staat;

c. het gericht over de kosmos (2 Petr. 3:7). Zie: Wereldondergang.

Het gericht wordt uitgevoerd door Christus (Joh. 5:22).

Klink GETALLENSYMBOLIEK.

(Kritische noot van A.P. Geelhoed bij dit onderwerp. Persoonlijk vind ik de onderstaande uitleg soms te speculatief en daarom niet echt overtuigend.)

Hieronder verstaan wij een zinnebeeldig gebruik van getallen. Dit kwam voor bij alle volken en werd ook aangetroffen onder Israël. In de bijbel hebben sommige getallen eveneens een verborgen betekenis. In tegenstelling tot de geheimleer der Joodse “kab­bala”, die in de mystieke uitleg van getallen erg speculatief is, dient deze symboliek zich in de bijbel aan als zinvol en wezenlijk.

Voor de hierna volgende verklaring van een aantal getallen, hebben wij verschillende uiteenzettingen nageslagen en kunnen u als resultaat daarvan het volgende weergeven:

Eén = God (Deut. 6:4) in de verborgen absoluutheid van Zijn Wezen, Hij is de volstrekt eerste oorzaak, welke niet beter kan worden uitge­drukt, dan in het getal één. Door God bestaan alle dingen. De eenheid is de grondslag en steun van alle voortzetting.

Twee = Christus, de tweede Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid. Het is het eerste getal van de één afgerekend, doch in zichzelf niet compleet. Het is het voortbrengende getal, dat pas compleet is, als het product eraan is toegevoegd. Man en vrouw is één, maar het product is nodig om een familie te kunnen vormen. Zo gaat de Geest uit van de Vader en de Zoon.

Drie = de Drieëenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Het getal der per­soonlijke voltooiing, samengesteld uit drie getallen, die ieder op zichzelf één zijn. Als symbool van de Drieëenheid is van drie dus elk getal God en nochtans zijn de Drie tezamen Eén. De drie is de eerste en meest vaste samengestelde eenheid in de wiskundige wetenschap. Ook de een­voudigst samengestelde figuur in de meetkunde, de driehoek. Als Drieëenheid bestaat het ook in al Gods werken. De mens bestaat uit lichaam, ziel en geest; de familie bestaat uit man, vrouw en kind; gods­dienst bestaat uit kennis, handeling en ondervinding. Telkens drie-een.

Vier = de wereld. Vier komt voort uit drie en sluit drie in zich. Uit de drie van de Drieëenheid is de vier van de schepping, het heelal, voort­gekomen. De wereld lost zichzelf op in vier elementen: vuur, lucht, aarde en water. Er zijn vier kompasstreken: noord, zuid, west en oost; vier winden en vier jaargetijden. De bijbel spreekt van vier grote wereld­machten (Dan. 2). Ook de oosterse wijsgeren zien in de vier algemeen het beeld van de wereld en het heelal.

Vijf = de vooruitgang, snaar onvolkomen. Het is de volkomen drie, met de onvolkomen twee. Op de vijfde dag werd het leven geschapen in de zee, maar nog niet op het land. De vijfde toornschaal ¬ wordt uitgego­ten over de zetel van het beest, die daardoor echter nog niet geheel wordt verwoest. Vijf wijze en vijf dwaze maagden, die aantonen, dat de ene klasse niet al de verlosten insluit en de andere niet allen bevat, die aan de gesloten deur kloppen.

Zes = de mens. Hij werd op de zesde dag geschapen. Zes dagen van de week zijn voor menselijke arbeid. Het getal van “de mens der zonde”; de antichrist ¬ is zeshonderdzesenzestig ¬. In deze afschuwelijke drie-eenheid openbaart zich straks de antivader (de duivel), de antizoon (het beest) en de antigeest (de valse profeet).

Zeven = de volheid. Dit getal sluit in zich het begrip van heiligheid, zich in de wereld openbarende. Het is de Drieëenheid in verband niet het geschapene: de goddelijke Drie met de wereldse vier. Het getal heeft altijd betrekking op het verbond tussen God en mensen en komt aan de orde, daar waar Schepper en schepsel elkander ontmoeten. Daarom wordt de zeven een “heilig getal” genoemd. We vinden dit in de gehei­ligde zevende dag, alsook in de eed, waarin een Hebreeuws woord wordt gebruikt, dat dit getal bevat. Soms zien we het in gevallen van gemeen­schap tussen God en mens (de Goddelijke Een + de menselijke zes) of in voorstellingen van hetgeen heilig is in het aardse. De bijbel is vol van voorbeelden. Vooral het boek Openbaring is een boek van zevens: zeven kandelaren, zeven zegels, zeven bazuinen, zeven toornschalen enz. (Zie art. “Zeven in de Openbaring”).

Acht = nieuw begin, opstanding. De achtste dag is de eerste van een nieuwe week; de achtste toon de eerste van een nieuwe toonladder. Het Joodse jongetje wordt op de achtste dag besneden. Met Noachs familie van acht personen begon God na de zondvloed een nieuwe mensheid. Christus stond op uit het graf op de achtste dag, de eerste der nieuwe week. De achtste dag was vastgesteld voor de reiniging van melaatsen, onreine mannen, kraamvrouwen en Nazireeërs.

Negen. Voor dit getal wordt blijkbaar in de bijbel geen bepaalde bete­kenis gevonden.

Tien = het getal der menselijke verantwoordelijkheid. De wet van God heeft tien geboden. Over Egypte kwamen tien plagen. Het grote beest van de wereldse macht in de eindtijd (® Romeinse rijk) heeft tien hoornen, zoals het statenbeeld ¬ uit Daniël 2 tien tenen heeft. De han­delingen der mensen worden letterlijk uitgevoerd door de handen, die tien vingers bevatten.

Twaalf = het getal der volkomenheid. Een jaar heeft twaalf maanden, de dierenriem heeft twaalf tekens. Israël heeft twaalf stammen, de Gemeente twaalf apostelen. Het Nieuwe Jeruzalem heeft twaalf poorten en twaalf fundamenten.

Veertig = het getal van de wachtenstijd. Mozes moest, alvorens Israël uit Egypte te kunnen leiden, veertig jaar de woestijn in om de wijsheid der Egyptenaren af te leren. Mozes was veertig jaar oud, toen hij meende het volk te kunnen verlossen, maar hij was 2 x 40 = 80 jaren oud toen het eindelijk zover was en 3 x 40 = 120 jaren oud, toen zijn taak voleindigd was en hij stierf op de berg Nebo.

Veertig jaar heeft Israël moeten wachten, alvorens het beloofde land te kunnen binnentrekken. Veertig dagen heeft Mozes op de berg vertoefd, alvorens het volk de stenen tafelen der Wet te kunnen geven. Veertig dagen was Jezus in de woestijn, om verzocht te worden door de duivel.

Veertig dagen liggen tussen de opstanding en hemelvaart van Christus. Veertig eeuwen heeft de wereld gewacht op de vervulling van de moe­derbelofte uit het paradijs.

Zeventig = het getal der voleinding. Zeventig jaren duurde de Babylonische ballingschap. Zeventig jaarweken ¬ worden genoemd in het boek Daniël, de tijd omvattende van de herbouw van Jeruzalem tot de voleinding der menselijke heerschappij. Zeventig was ook het aantal oudsten in Israël, alsook het aantal discipelen, dat door Jezus werd uit­gezonden om te prediken. Zeventig maal zeven is het aantal keren, dat mensen elkander moeten vergeven.

Klink GETAL ZESHONDERDZESENZESTIG. Dit raadselachtige getal, dat reeds zovele Schriftonderzoekers heeft beziggehouden, komt voor in Openb. 13:17, 18. Wij lezen daar “dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest of het getal van zijn naam heeft. Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want het is het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzes­enzestig”.

De vraag, die zich onmiddellijk voordoet, is: Hoe kan in een getal een naam worden uitgedrukt? Het antwoord ligt in de omstandigheid, dat hier gerekend moet worden met de Griekse taal, die geen cijfers kent, maar voor getallen lettersymbolen gebruikt. Zo bestaat ook het getal 666 uit drie letters:

c

(chi)

=

600

x

(xi)

=

60

V

(sigma)

=

6

Zo heeft dus ook elk Grieks woord een bepaalde getalswaarde en kan derhalve uit het getal 666 één of meer woorden worden berekend. In het getal van Openb. 13 ligt daarin verborgen de naam van het beest uit de zee ¬, de antichrist ¬.

Zolang het boek Openbaring bestaat, is dit onderwerp een uitdaging geweest aan de Schriftverklaarders, om te trachten deze puzzel op te los­sen. De meest fantastische verklaringen zijn daarvan het resultaat geweest. Wat heeft men gerekend en geknutseld en gespeculeerd. Vaak construeerde men een verklaring, die eigen leerstellingen of Schriftbeschouwing ten goede kwam. Zo wordt graag aangenomen, dat met het getal 666 de Romeinse keizer Nero is bedoeld, omdat de letters, waaruit de woorden “keizer Nero” bestaan, een getalswaarde hebben van 666. Dit past wel mooi in de Augustiniaanse eschatologie, maar geeft geen enkel bewijs. Want welke waarde aan zulk soort berekeningen moet worden gehecht, blijkt uit het feit, dat op deze wijze legio uit­komsten zijn verkregen, die keurig kloppen wat getalswaarde betreft, maar die volkomen tegenstrijdig zijn.

De Roomsen berekenden uit 666 de naam Luther, de protestanten daar­entegen haalden er de naam van sommige pausen uit. Anderen meenden een goede oplossing te hebben gevonden in namen als Mohammed, Napoleon of Hitler. Een typisch voorbeeld van willekeurige berekening geven b.v. de Zevendedags Adventisten. Deze broeders beweren, dat de paus aan zijn tiara een lint draagt, waarop de woorden staan: “Vicarius Filii Dei”; hetgeen betekent: “Stedehouder van de Zoon Gods”: Nu heb­ben zij van deze woorden de volgende getalswaarde berekend, waarop men tenslotte uitkwam op het getal 666:

V

I

C

A

R

I

U

S

=

=

=

=

=

=

=

=

5

1

100

0

0

1

5

0

¾

112

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

F

I

L

I

I

D

E

I

 

+

=

=

=

=

=

=

=

=

0

1

50

1

1

500

0

1

¾

554

 

 

 

 

 

 

 

 

 

=   666

De getalswaarde van dit opschrift bedraagt inderdaad 666, doch reeds het opschrift zelf bewijst, dat een paus of het pausdom nooit de anti­christ kan zijn, omdat deze zich verheffen zal “tegen al wat God of voor­werp van verering heet” (2 Thess. 2:4), en zich dus in geen geval “Stedehouder van de Zoon Gods” zou willen noemen.

De Zevendedags Adventisten zullen het wel niet prettig vinden, dat de naam van hun eigen profetes mrs. Ellen Gould White toevallig ook het getal 666 oplevert:

E

L

L

E

N

 

 

=

=

=

=

=

 

 

0

50

50

0

0

¾

100

 

G

O

U

L

D

 

+

=

=

=

=

=

 

 

0

0

5

50

500

¾

555

 

W

H

I

T

E

¾

+

=

=

=

=

=

 

 

10

0

1

0

0

 

11

 

 

 

 

 

 

=

 

 

 

 

 

 

666

Natuurlijk is noch de paus, noch mrs. White de antichrist, daar zij bei­den erkennen dat Christus de Zoon van de levende God is (1 Joh. 2:22). Naar onze overtuiging zal God in de periode van de antichrist voldoen­de licht, wijsheid en verstand schenken, om het getal van zijn naam te kunnen berekenen. Voor onze tijd is die van geen enkel nut, en daarom zullen tot zolang ongetwijfeld alle berekeningen falen.

GETUIGEN (® Twee getuigen).

GEVANGENIS (® Afgrond).

GEZANG VAN MOZES (® Lied van Mozes en van het Lam).

GEZICHT (® Visioen).

GLAZEN ZEE. Deze wordt genoemd in Openb. 4:6 en 15:2, waar Johan­nes door een geopende deur in de hemel een blik krijgt op de majesteitelijke troon van de Allerhoogste. De heerlijkheid, door hem aanschouwd, kan hij slechts tot uitdrukking brengen in aardse bewoordingen, die geheel ontoereikend zijn om de schoonheid der hemelse dingen weer te geven.

Zo zag hij voor de troon iets, dat hij vergelijkt roet een “glazen zee, kristal gelijk”. Hier is wel enige overeenkomst met wat de profeet Ezechiël schrijft over een soortgelijk visioen (Ezech. 1:22). Ook hij zag de troon Gods, rustende op iets “dat geleek op een uitspansel als ont­zagwekkend ijskristal”. We kunnen hierbij denken aan een enorm kristallen plateau, dat niet zo maar in de ruimte hing, maar gedragen werd door eigenaardige gevleugelde wezens. Deze troondragers herken­de hij in hoofdst. 10 als “cherubs” (® Engelen). Ook Johannes zag vier van deze zelfde wezens, die door hem “dieren” worden genoemd, rond­om de troon van God.

Opent,. 4:6, vergeleken met Ezech. 1:22 geeft dus gerede aanleiding om bij “glazen zee” te denken aan een reusachtig “plein” van doorzichtige stof en van grote schoonheid en glans. Iets, dat een indruk geeft van ijs­kristal. Zo moet ook de straat wezen van de hemelse stad, het Nieuwe Jeruzalem. Deze is immers ook van zuiver goud, “gelijk doorschijnend glas”? (Opent,. 21:21).

Voor J. A. Bengel was de glazen zee als “een spiegel, die de alwetendheid, de oneindige wijsheid van de menigte Zijner verborgenheden en oor­delen in hun onpeilbare diepte weerkaatste, en dat in volkomen klaar­heid en doorzichtigheid” (Gnomon Novi Testamenti - 1742).

GOG EN MAGOG. Wat deze eerste naam betreft, mag worden aange­nomen, dat met Gog een persoon wordt aangeduid, die in de eindtijd zal optreden als hoofd van een land of een confederatie van landen uit het “verre noorden” (Ezech. 38:15). De hoofdstukken 38 en 39 van Ezechiël geven uitgebreide inlichtingen over Gog en het land Magog, met betrekking tot de rol die zij zullen spelen in de eindfase van de menselijke heerschappij. In Ezech. 38:2 wordt hij genoemd: “Gog in het land van Magog, de grootvorst van Mesech en Tubal”. Het is dus duide­lijk, dat Gog een persoon is en Magog zijn land.

Eeuwen geleden heeft men al erkend, dat Ezechiël met het land uit het “verre noorden” op Rusland doelde. In 1866 schreef Dr. John Cumming in zijn boek “The Destiny of Nations” ten aanzien van Gog en Magog: “Ik vermoed dat deze koning uit het noorden de autocraat van Rusland is . . . Dat Rusland in het profetisch woord een plaats inneemt, en een zeer betekenisvolle plaats, wordt erkend door bijna alle onderzoekers”.

Tal van schriftuurlijke aanwijzingen duiden er op, dat in de eindtijd een noordelijk blok tot stand zal komen, waarvan Rusland aan het hoofd zal staan. De Leidse Vertaling heeft, in navolging van de Septuagint: “Mensenkind, vestig uw oog op Gog in het land van de vorst van Ros, Mesech en Tubal” (Ezech. 38:2). Reeds de klankverwantschap met Rusland, Moskou en Tóbolsk (de laatste als hoofdstad van Aziatisch Rusland) komt ten goede aan de mening van verschillende geleerden en Schriftverklaarders, als Gesenius, Eliot, Bagster, Plinius en anderen.

Gog en Magog zullen in de eindtijd een zeer belangrijke rol spelen. Rusland is zeer geïnteresseerd in het Midden-Oosten, een belangstelling, die, naarmate de tijd voortschrijdt, sterk zal toenemen. Tenslotte zal Rusland zijn bondgenoten bewapenen en uitrusten tot een massale aan­val op het herstelde Israël. We lezen in Ezech. 38:10-12: “Zo zegt de Here Here: Te dien dage zullen er plannen in uw hart opkomen; gij zult een boze aanslag beramen, - gij zult zeggen: ik zal optrekken tegen een land van dorpen, een overval plegen op vreedzame lieden, die in gerustheid wonen, allen zonder muur, grendels of poorten - om buit te maken en roof te plegen, om uw hand te keren tegen de weer bewoonde puin­hopen en tegen een natie, die uit het gebied der volken bijeen gebracht is, die have en goed heeft verworven, die op de navel der aarde woont”. Rusland zal er geen vermoeden van hebben, dat het God Zelf is, die hen drijft naar de bergen Israëls (38:4-7; 39:2), om daar een verschrikkelijk wraakgericht tegemoet te gaan. Deze Russische aanval zal escaleren in de laatste wereldoorlog, waarbij alle naties betrokken zullen zijn. Daarbij zullen Rusland en zijn bondgenoten volkomen worden vernie­tigd door een machtsdaad van God, waardoor Hij Zich de Heilige zal betonen en de volken zullen weten dat Hij de Here is (Ezech. 39:6, 7).

Een ontzettende nederlaag zal God bereiden aan “de koning van het verre noorden” en diens bondgenoten. Niet alleen door het zwaard zul­len zij vallen, maar ook door vreselijke plagen als een enorme aardbe­ving, pest, stromende regen, hagel, vuur en zwavel. Bovendien zal onder de verbonden legers een conflict uitbreken, waardoor de zwaarden zich tegen elkander zullen keren.

Zo zullen Gog en al de volken, die met hem zijn, tenslotte vallen op de bergen Israëls. Zeven maanden zal enen nodig hebben voor het maken van massagraven ten oosten van de Dode Zee. Deze plaats zal men daar­na noemen: “Dal van Gogs menigte”. Zeven jaar zal men stoken van het achtergebleven wapentuig (Ezech. 39:9-12). Dit laatste is voor de bijbel­critici altijd een lachertje geweest. Waar wordt nog houten oorlogstuig gevonden? Maar waarom zouden wij hierbij niet mogen denken aan buitgemaakte atoomladingen, met behulp waarvan Israëlische kerncen­trales zeven jaar lang energie zouden kunnen opwekken?

In dit alles zal God Zijn heerlijkheid onder de volken brengen en alle landen der wereld zullen het gericht zien, dat Hij voltrokken heeft. Ook Israël zal weten, dat de Here hun God is, van die dag af en voortaan (Ezech. 39:21, 22).

Is Magog in Ezechiël een land, in Openb. 20:8 wordt hij voorgesteld als een persoon. Nu is het waarschijnlijk zo, dat bij het lezen van genoem­de Schriftplaatsen niet meer moet worden gedacht aan een bepaald land of volk, maar veeleer aan een conglomeraat van alle goddelozen, die na het Duizendjarig Rijk ¬ de zijde van satan zullen kiezen in zijn laatste opstand tegen de Here en Zijn Gezalfde.

GOMER. (1) In Ezech. 38:6 wordt Gomer genoemd als één van de bondgenoten van Gog ¬ = Rusland. De stamvader van dit volk was Gomer, de oudste zoon van Jafeth en een kleinzoon van Noach. Volgens Dr. Young wijzen de meest recente archeologische vondsten er op, dat dit volk zich vestigde ten noorden van de Zwarte Zee en zich vervolgens zuid- en westwaarts heeft verspreid naar de uitersten van Europa.

In onze tijd wordt door de Joden aangenomen, dat met Gomer Duits­land wordt bedoeld. Dit land wordt in het Hebreeuws dan ook Gomer genoemd. Een oude Romeinse kaart doet hen wonen in het gebied, dat nu bestaat uit Polen, Tsjechië-Slowakije en het oosten van Duitsland tot de oever van de Donau. Dit geografische beeld komt ook voor in de Joodse Talmud.

(2) Een gomer is een oosterse droge inhoudsmaat van ± 36 liter.

(3) Gomer was de naam van de ontuchtige vrouw van de profeet Hosea.

GRIEKS-MACEDONISCHE RIJK (® Statenbeeld).

GROTE ROSSIGE DRAAK (® Draak).

GROTE STAD GENAAMD SODOM EN EGYPTE (® Jeruzalem).

GROTE VERDRUKKING. Hieronder verstaan wij de rampzalige toe­stand, die ten tijde van de antichrist ¬ over de aarde zal komen. Dit zal geschieden in de 70e jaarweek (® Dan. 9:27). Deze jaarweek ¬ betreft de periode van zeven jaar, die ligt tussen de opname der gemeente ¬ en de wederkomst des Heren ¬.

Terwijl vanuit de hemel een groot aantal oordelen over de aarde en de mensheid wordt uitgestort, buigt zich de wereld onder de heerschappij van de antichrist en zijn valse profeet ¬, die beiden zullen zijn toege­rust met de macht en de kracht van de duivel (Openb. 13:2b).

Inmiddels is dan liet Romeinse rijk ¬ weer herrezen, dat zal bestaan uit een confederatie van tien verschillende staten. Over dit rijk zal de anti­christ als dictator een despotisch bewind voeren en van daaruit heel de wereld aan zich onderwerpen.

Met de openbaring van de persoon van de antichrist is voor God de maat van de ongerechtigheid vol geworden. De genadetijd is geëindigd en op vreselijke wijze zal God wraak doen over alle goddeloosheid en onbekeerlijkheid. Dan breekt de grote en -geduchte Dag des Heren ¬ ­aan, die komt, brandende als een oven (Mal. 4:1, 2). Een groot aantal ontzettend zware oordelen zullen van Godswege over aarde en mens losbarsten, waarbij het woord bewaarheid zal worden, dat God “de mensen zal benauwen, zodat zij gaan als blinden, want zij hebben tegen de Here gezondigd” (Zef. 1:17).

Gods oordelen zullen rechtvaardig zijn, want talloze malen is de mens daarvoor in de bijbel gewaarschuwd en tot bekering geroepen. Nog tot op de dag van vandaag roept dit Woord de mensen toe: “Komt tot uzelf, ja, komt tot inkeer, voordat het besluit tot uitvoering komt, voor dat over u komt de brandende toorn des Heren .... Zoekt de Here, zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult gij geborgen worden op de dag van de toorn des Heren” (Zef. 2:1-3).

In het boek Openbaring worden deze gerichten gerangschikt in drie groepen van Zeven. Zij voltrekken zich:

a. bij de opening der zeven zegels, waarmee het boek des gerichts is gesloten (Openb. 5:1-5);

b. bij het blazen van zeven oordeelsbazuinen ¬ (Openb. 8:2);

c. bij het uitgieten van zeven toornschalen ¬, gevuld met de gram­schap Gods (Openb. 15:5-8).

De heerschappij van de antichrist is op zichzelf al een oordeel Gods. Zijn verschijning als de ruiter op het witte paard (Openb. 6:1, 2) wordt pas mogelijk, als het eerste zegel geopend wordt. De satanische afkomst van deze zoon des verderfs is te herkennen aan zijn lasteren van God, zijn grootspraak, despotisme, sluwheid en valsheid. De draak ¬, dit is de duivel, zal heen zijn macht en kracht geven (Openb. 13:4).

De grote verdrukking is voorzegd:

a. aan de volken der aarde (Ezech. 30:3; Ier. 25:15-17; 26:29-33; Obadja 15-16; Hag. 2:21, 22);

b. aan Israël, als “een tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jer. 30:5-7).

Wellicht vraagt u zich af wat het lot van de Gemeente zal zijn gedu­rende de vreselijke tijd van de grote verdrukking. Met zekerheid kun­nen wij uit de bijbel opmaken, dat, terwijl de aarde wankelt onder de zweepslagen Gods, de Gemeente met haar Heer en Heiland verenigd is in de hemel (1 Thess. 4:17b). De Bruidegom zal Zijn bruid van de aarde wegnemen, nog voor die gehuld wordt in de nacht van boos­heid en geweld van de wrake Gods. Juist zoals Henoch werd wegge­nomen voor de zondvloed kwam.

Reeds in het begin van de Dag des Heren zien wij de Gemeente voltal­lig in de hemel, voorgesteld in de vierentwintig oudsten, die rondom de troon van God zijn geschaard. Bovendien is daar de belofte van de Heiland: “Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven ver­wachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal” (Openb. 3:10).

In het bijzonder heeft de hiergenoemde “ure der verzoeking ¬ betrek­king op de onherroepelijke keuze, die ten overstaan van het “beeld van het beest” ¬ zal moeten worden gedaan door iedere sterveling. Dit beeld zal door de valse profeet ¬ worden opgericht op het tempelplein te Jeruzalem en moet door ieder worden aangebeden, op straffe van ver­volging en een afschuwelijke dood. Zij, die daaraan gehoorzamen, ont­vangen een merkteken op rechterhand of voorhoofd, dat huil leven vei­lig stelt en maatschappelijk verkeer waarborgt. De weigeraars, die de God des hemels niet willen verzaken, worden overgeleverd aan de sata­nische woede en wreedheid van de antichrist.

O, waarom hebben zij het heil in Christus niet aangegrepen toen het nog was de dag der genade, dan zouden zij niet voor deze zware keuze geplaatst zijn geworden. De weigeraars hebben echter overwonnen en God zal hun standvastigheid en trouw niet onbeloond laten. Want Johannes ziet hen als gezaligden staan voor de troon Gods, in het witte kleed der gerechtigheid en niet de palmtak der overwinning in de hand. De vraag rijst onwillekeurig: op grond waarvan hebben die mensen in de ure der uiterste verzoeking het merkteken van het beest ¬ kunnen wei­geren en ten koste van hun leven de zijde van God kunnen kiezen? Hoe kwamen zij in die tijd aan Godskennis en geloof?

Hierbij moet in de eerste plaats niet vergeten worden, dat zich bij de opname der Gemeente ¬ onder de achterblijvenden ongetwijfeld zeer veel godsdienstige mensen zullen bevinden, die wij zouden kunnen ver­gelijken met de dwaze maagden uit de gelijkenis. Wellicht zeer meele­vende leden van hun kerk of gemeenschap. Zij hebben Jezus Christus echter nooit aangenomen als hun persoonlijke Verlosser en Zaligmaker er. zijn daardoor ook niet het nieuwe leven der wedergeboorte deelachtig geworden. Zij menen stellig “er ook bij te behoren”; maar als zij zich niet overgeven aan Jezus Christus zullen zij straks kloppen aan een gesloten deur. Dan blijft hen slechts de duisternis van de nacht, waarin behoudenis door genade alleen niet sneer mogelijk is. Hoevelen zullen zich dan met wanhoop en wroeging afvragen: Waarom heb ik altijd de roepstern van Jezus in mijn hart versmoord? Waarom heb ik telkens weer de gevaarlijke weg van het uitstel gekozen …?

Intussen is het wel duidelijk geworden, dat er tijdens de grote verdruk­king velen zullen zijn, die het evangelie kennen. Ook zal God in die tijd nog een speciale engel zenden, die vanuit het luchtruim “een eeuwig evangelie” zal verkondigen (Openb. 14:6, 7). Wat dit evangelie voor boodschap behelst, wordt niet vernield. Het gaat gepaard met een oproep tot het brengen van eer en aanbidding aan de God des hemels en een waarschuwing voor het laatste oordeel, waarin allen, die het merkteken van het beest ontvangen hebben, verwezen worden naar de poel des vuurs.

Ook zal het woord van God nog worden verkondigd door twee getui­gen ¬ die gedurende drieënhalf jaar onder zeer bijzondere omstandig­heden zullen profeteren (Openb. 11:1-14).

Hoevelen tijdens de grote verdrukking ook nog de goede keuze mogen doen, het gros der aardbewoners blijft onder de oordelen Gods onbe­keerlijk en neemt zelfs toe in goddeloosheid en verharding. Zelfs als bij het blazen van de zesde oordeelsbazuin een derde deel der mensheid gedood wordt door vuur, rook en zwavel, komt er geen verootmoedi­ging voor God (Openb. 9:13-21). De verzengende hitte door de vierde toornschaal teweeggebracht, brengt evenmin de mensen tot bekering, maar doet integendeel de naam van God des te meer lasteren (Openb. 16:8, 9).

Ook Israël zal in de tijd der grote verdrukking een zeer hachelijke positie innemen, ja, juist voor Israël zal het zijn “een tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jer. 30:5-7). Nog altijd onbekeerlijk van hart en hardnekkig in het verwerpen van Christus als Messias, zal God hen in de smeltkroes van de grote verdrukking moeten werpen, om tenslotte met dit volk tot zijn groot en heerlijk doel te kunnen komen (Zach. 13:8, 9).

De satan zal echter alle pogingen in het werk stellen om het volk Israël tot de laatste man uit te roeien, teneinde daardoor het Koninkrijk van Christus onmogelijk te maken. Maar God zal deze pogingen verijdelen en zorgen dat een rest overblijft. Een engel krijgt opdracht om uit de twaalf stammen 144.000 Israëlieten te verzegelen, opdat deze bewaard blijven in de gerichten (Openb. 7:1-8).

Gedurende een bepaalde tijd zal er in de periode van de antichrist ook een “kerk” zijn, echter geheel aangepast aan de goddeloze doelstellingen van deze “mens der zonde”. In Openb. 17 zien wij, hoe de Laodiceakerk in die dagen is uitgegroeid en verworden tot een religieus monstrum. Zij wordt afgeschilderd als “de hoer op het beest” en draagt de naam: “moeder der hoererijen”. De zetel van deze kerk is gevestigd te Babylon = Rome. Voor bijzonderheden over deze valse kerk, haar oorsprong en haar ontzettend einde (Openb. 18) verwijzen wij naar het artikel “Babylon”.

Het einde van de laatste jaarweek ¬ loopt uit op het grote Armageddon ¬ der volken. De draak, de antichrist en, de valse profeet zullen hun onreine geesten doen uitgaan tot de machthebbers in de wereld, ten einde hun legers te mobiliseren tot een laatste oorlog tegen de Here en Zijn Gezalfde (Openb. 16:13, 14).

Deze oorlog - waarvan u de bijzonderheden vindt in het artikel “Armageddon” - wordt de eindkrijg der volken, de finale der menselijke heerschappij. Zij zal uitlopen op de volkomen nederlaag van satan, die gebonden wordt en in de gevangenis geworpen, terwijl de antichrist en de valse profeet levend geworpen worden in de poel des vuurs.

Zo zal de wederkomst des Heren een definitief einde maken aan de “tij­den der heidenen” ¬ en daarmee aan de heerschappij der volken. In Openb. 19:11-16 zien wij Hem glorieus als overwinnaar tevoorschijn komen en zich in majesteit manifesteren als de Koning der koningen en de Here der heren.

Met het Armageddon is ook tevens geëindigd de tijd van de grote ver­drukking.

Hieronder volgen nog enkele teksten, die over de grote verdrukking op de Dag des Heren handelen:

Jesaja 13:6-13; 24:17-21; 26:20-21; 33:10-14; 42:13-15a; 66:14-16.

Jeremia 30:23-24.

Ezechiël 30:2-3.

Joël 1:15; 2:1-2:11.

Zefanja 1:14-18.

Amos 5:18-20.

Maleachi 4:1.

GROTE WITTE TROON (® Laatste oordeel).

GRUWEL DER VERWOESTING of “verwoestende gruwel”. Uit ver­scheidene plaatsen in de bijbel blijkt, dat met “gruwel” moet worden gedacht aan een afgodsbeeld (zie bijv. Deut. 27:15, Jes. 44:19 enz.). In Dan. 11:31 wordt gesproken over het oprichten van “een gruwel, die verwoesting brengt”. Dit geschiedde door Antiochus Epifanes ¬, koning van Syrië (175 - 164 vC). Het Joodse volk was onder zijn heer­schappij gekomen en werd door hem op de meest kwalijke wijze beje­gend. De uitoefening van hun godsdienst werd verboden en op het brandofferaltaar in de voorhof van de tempel werd een afgod, een “gru­wel” opgericht. Om de joden te krenken en vooral ook om hun God te onteren moesten op het altaar zelfs zwijnen worden geofferd, het meest onreine dier in Israël. Zie verder voor deze ontheiliging Dan. 8:11-12. Ook Dan. 12:1 1 spreekt van een “gruwel der verwoesting”, maar daar ziet de profeet in de verre toekomst van de eindtijd. In Matth. 24:15 vin­den we deze profetie door Jezus aangehaald, waaruit kan worden vast­gesteld, dat het hier gaat over de tijd van de grote verdrukking ¬ en van de antichrist ¬ Israël zal dan weer een tempel hebben (Matth. 24:15; Mark. 13:14; 2 Thess. 2:3; 8:12; Openb. 13:14-15), die evenals in de dagen van Antiochus Epifanes op godslasterlijke wijze ontheiligd zal worden. Ook in dit verband wordt door Jezus de term “gruwel der ver­woesting” gebruikt. Er is dan ook alle aanleiding om hierbij te denken aan het beeld van het beest ¬, dat ten tijde van de antichrist in Jeruzalems tempel, de “heilige plaats”, zal worden opgericht (Openb. 13:14-15) door de valse profeet ¬.

 

H

HADES (® Dodenrijk).

HALLELUJA (Hebr. Hallelu Jah = looft de Here). Deze uitroep werd -evenals “amen” - dikwijls gebezigd in de tempelliturgie en in de latere synagogediensten. Hiermee werden de aanwezigen uitgenodigd hun lof­prijzing te brengen aan de Allerhoogste. Volgens rabbi Jozua ben Levi was dit de incest verkieslijke uitdrukkingsmogelijkheid tot lofzegging, omdat in deze term zowel de Naam van Jahwe (Jah’) als de lofzegging “hallelu” voorkomen. De cyclus van de Psalmen 113-118 heet bij de Joden het “Hallel”, dat gezongen wordt bij de Paasmaaltijd. Ook de lofzang, waar­mee het laatste avondmaal van Jezus met Zijn discipelen werd beëindigd, behoorde tot dit “Hallel” uit de Psalmen (Matth. 26:30; Mark. 14:26).

In het boek Openbaring worden een viertal daverende Hallelujah’s ver­meld. Drie daarvan betreffen een massale lofprijzing van de hemelbe­woners, die oprijst na de voltrekking van het oordeel over Babylon ¬ ­(Openb. 19:1-4), terwijl een vierde halleluja met het geluid als van vele wateren en zware donderslagen door de hemel weergalmt, als de Bruiloft des Lams ¬ plaatsvindt (Openb. 19:6-8).

HARMAGEDDON (® Armageddon).

HEERSCHAREN. Dit woord, dat veelal ook in de profetieën wordt gebruikt, is de vertaling van het Hebr. “tsebaoth”. In Ex. 12:41 en Joz. 5:14 worden met “heerscharen” de legers van het volk Israël aangeduid, later ook de hemelse engelenmacht (Richt. 5:20). De Here der heer­scharen is God, die zowel de heerschappij heeft over Israëls legerscharen als over de hemelse. Als zodanig komt Hij dikwijls voor in de profetie­ën van Jesaja en Jeremia.

HEILIG, HEILIGEN, HEILIGHEID. Een enigszins afdoende verklaring van deze begrippen zou ons dermate op het vlak der theologische wetenschap voeren, dat de doelstelling van een werk als dit zou worden voor­bijgestreefd. We willen ons dan ook slechts beperken tot het doen van een poging tot wegneming van een zeker misverstand, dat vaak wordt opgeroepen bij woorden als bovenstaande. Menigmaal wordt daarbij immers gedacht aan zondeloosheid of een toestand van ethische vol­maaktheid? Toch is dit ten enenmale onjuist, want de grondgedachte van het woord heilig is niet zondeloos of volmaakt, maar “afgezonderd”:

In de tabernakel en later in de tempel waren bepaalde heilige voorwer­pen, gereedschappen “geheiligd”, d.w.z. afgezonderd tot de dienst van God. Ze mochten absoluut voor geen andere bezigheid gebruikt wor­den. Op dezelfde wijze zijn ook de gelovigen geheiligd - apart gezet van de wereld - om de Here en Zijn dienst geheel toe te behoren. Zonder deze heiligmaking, dus zonder door de Heiland apart te zijn gezet, door de wedergeboorte tot het kindschap Gods, zal niemand de Here zien (Hebr. 12:14).

Niet minder dan zestig maal worden de gelovigen in het N.T. “heiligen” genoemd (Hand. 9:32-41; Ef. 1:1 enz.). In Rom. 1:7 “geroepen heiligen van Jezus Christus”: Dit predikaat werd door Paulus gegeven aan allen, die door de wedergeboorte waren ingelijfd in het lichaam van Christus, de Gemeente Gods.

HEL. Dit woord is de vertaling van “gehenna”; dat weer afkomstig is van “gê-hinnom” = dal van Hinnom. In dit dal, ten Z.O. van Jeruzalem, werd ten tijde van Achaz en Manasse de afschuwelijke Molochdienst gehouden, waarbij kinderen levend ten offer werden geworpen in de brandende buik van dit koperen afgodsbeeld. Door koning Josia werd deze gruwelijke afgoderij drastisch uitgeroeid. Daarna wist men aan dit dal, dat door Jeremia het Moorddal werd genoemd, geen betere bestem­ming te geven, dan om tot vuilverbrandingsplaats te dienen voor de stad Jeruzalem.

Aan deze plaats, “waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uit­geblust” (Mark. 9:44), ontleende Jezus de naam “géhenna”; daarmee de eeuwige strafplaats der goddelozen typerend. Het is de plaats der duisternis, geween en tandengeknars (Matth. 8:12), in het boek Openbaring herhaaldelijk genoemd “de poel van vuur en zwavel” (Openb. 19:21), soms ook de “tweede dood” ¬ (Openb. 20:14).

Tot op heden is de hel nog leeg. De eersten, die daarin geworpen worden, zijn de antichrist en de valse profeet ¬ (Openb. 19:20). Na het Duizendjarig Rijk volgt de satan (Openb. 20:7-10), alsmede de Dood en het Dodenrijk ¬ (Openb. 20:14). Tenslotte volgen bij het laatste oor­deel ¬ allen, wier namen niet geschreven staan in het boek des levens ¬ ­(Openb. 20:15). Ten onrechte worden plaatsen als “het dodenrijk” en “de afgrond” ¬ vaak vereenzelvigd met de hel. Tot deze verwarring heeft de Statenvertaling niet weinig bijgedragen, door de oorspronkelijke woorden hades en abyssus (dodenrijk en afgrond) meestal te vertalen met “hel”: Zeer terecht is in de nieuwe vertaling dit onderscheid wel gemaakt.

De hel is eeuwig, al wordt dit ontkend in dwaalleringen als die van de zgn. “Alverzoening”. De consequentie van die leer is, dat in de “weder­oprichting aller dingen” ¬ ook de duivel begrepen is, zodat die tenslot­te ook nog zalig wordt. De bijbel spreekt evenwel duidelijk over het eeuwige vuur, dat de duivel en de zijnen bereid is. Vooral het boek Openbaring tekent de hel als een oord van onuitsprekelijke verschrik­king (Openb. 14:9-11). Daarom: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding ¬; over hem heeft de tweede dood (de hel) geen macht” (Openb. 20:6a).

HEMEL. Dit woord komt in de bijbel ook vele malen in meervoud voor, zoals b.v. in Ps. 19:2: “De hemelen vertellen Gods eer” of in Ef. 4:10 “opgevaren boven alle hemelen”: Er is in de bijbel dus sprake van meer dan één hemel. De apocriefe boeken en de Rabbijnse literatuur hebben er twee, zeven of zelfs tien. In de bijbel worden echter slechts drie hemelen genoemd, die onderscheiden worden in: een wolkenhemel (Gen. 1:8, 20), een sterrenhemel (Deut. 4:19) en een hemel der heme­len, de woonplaats van God en de engelen (Ps. 115:16).

Bij deze laatste willen we ons in dit artikel bepalen, want daar is de toe­komstige woonplaats der gezaligden, die gered zijn door het bloed van het Lam. De hemel is niet slechts een zalige toestand, zoals nog al eens wordt beweerd, maar wel degelijk een bepaalde plaats. Dit blijkt duide­lijk uit Schriftplaatsen als joh. 3:13; Joh. 14:3 en vele andere. Van deze hemel, waarin zich de troon van God bevindt en waarin Christus is ingegaan, om “ons ten goede voor het aangezicht Gods te verschijnen” (Hebr. 9:24), zijn de kinderen Gods nu reeds de burgers (Fil. 3:20) en als zodanig in de “burgerlijke stand” van dat rijk ingeschreven (Fil. 4:3b). Daarom zijn zij hier op aarde niet meer dan vreemdelingen en bijwo­ners (Hebr. 11:13-11) en behoren zij in deze wereld reeds nu te wande­len “als in de hemel” (Fil. 3:20 o.v.).

De h emel is er niet altijd geweest, doch werd evenals de aarde in den beginne geschapen (Gen. 1:1). De tegenwoordige hemelen zullen er ook niet altijd zijn, want bij het laatste oordeel zullen de aarde en de hemel vluchten voor het aangezicht van Hem, Die zit op de grote witte troon ¬ (Openb. 20:11). “De tegenwoordige hemelen en de aarde zijn ten vure bewaard tegen de dag van liet oordeel”... “Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan” (2 Petr. 3:7-10).

Dat ook de hemel onder het oordeel valt, is misschien omdat deze ook verontreinigd is geworden door de opstand van de satan, die in de hemel begonnen is en waarbij de gevallen cherub een derde deel van alle engelen in zijn val heeft meegesleept.

Als door Jezus Christus de volkomen overwinning is behaald over de satan en al zijn boze geesten, dan zal het heelal door vuur worden gerei­nigd en komt er niet alleen een nieuwe aarde, maar ook een nieuwe hemel (Openb. 21:1), en zal God zijn “alles en in allen” (1 Cor. 15:28).

Op de vraag, waar ergens in het heelal de hemel moet worden gezocht, kan geen afdoend antwoord gegeven worden. In ieder geval moet liet een plaats zijn, die zich bevindt boven de aarde (Hand. 1:10, 11). Er zijn evenwel enkele bijbelse gegevens, die ons heenwijzen naar een plaats ergens in de noordelijke hemelstreken. Zo zegt Jesaja 14:13, dat God zetelt op de berg der samenkomst “aan de zijden van het noorden”. Ook Psalm 48:3 spreekt van Gods paleizen op de berg Sion, “ver in het noor­den”. En als de profeet Ezechiël de heerlijkheid des Heren in een visioen aanschouwt, dan komen de hemelse beelden tot hem “als een storm­wind uit het noorden” (Ez. 1:4-28).

Ieder christen zal wel eens getracht hebben zich een voorstelling te maken van de hemel. De beelden, die hij zich daarvan in zijn fantasie heeft gevormd, zijn echter ten enenmale onjuist, omdat de werkelijk­heid iedere verbeelding te boven gaat en geheel anders is. Het enige dat wij met zekerheid kunnen weten is, dat het een plaats is van onuitspre­kelijke schoonheid en heerlijkheid. De hoedanigheid daarvan kan let­terlijk met geen pen beschreven worden. Het is het geheel andere, dat zich niet in aardse termen laat omschrijven. Het is voor ons aardbewo­ners nu eenmaal onmogelijk om “hemels” te denken. Als Paulus in een bijzondere openbaring opgetrokken is geweest tot in de derde hemel (2 Cor. 12:2-4), dan kan hij absoluut niet weergeven, wat hij daar heeft gezien en gehoord. Hij probeert ook in het geheel niet er iets van na te vertellen, om de eenvoudige reden, dat er geen woorden voor zijn. Wat de bijbel er ons evenwel over mededeelt, is ruimschoots voldoende, om een indruk te krijgen van de heerlijkheid en volkomenheid van die bovenaardse wereld. Straks zullen wij van de ene verbazing in de ande­re vallen, als wij de wonderen des hemels mogen aanschouwen. Dan zien wij de troon van God aan de glazen zee ¬ (Openb. 4:1-6) en ook het Lam, in het midden van de troon (Openb. 7:17); dan aanschouwen wij de stad Gods, het Nieuwe Jeruzalem ¬ met haar paarlen poorten en gouden straten en de met edelstenen versierde fundamenten (Openb. 21-22:5); dan zien wij ook de vele miljoenen engelen ¬. Maar het heer­lijkst zal zijn, dat wij Jezus daar mogen zien, gelijk Hij is (1 Joh. 2:2).

In de hemel is het Vaderhuis met de vele woningen, waar Jezus nu voor de Zijnen een plaats bereidt (Joh. 14:2, 3). Straks zullen de gelovigen er hun volkomen zaligheid vinden en zal het loon der heiligen overvloedig zijn (Matth. 5:12). Het is de eeuwige woonplaats (2 Cor. 5:1), waar God Zelf ons een plaats heeft gegeven in Christus Jezus (Ef. 2:6).

Intussen, waar zich de hemel ook mag bevinden en hoe het er ook zal wezen, daar eens te zijn is onze zalige hoop. Want “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opge­komen, heeft God bereid voor degenen, die Hem liefhebben” (1 Cor. 2:9). Wij moeten onze pinnen dan ook maar niet vast in de aarde slaan, want wij wonen hier in den vreemde en zijn als pelgrims op weg naar een beter Vaderland. Wat wij verwachten, dat is de stad met fundamen­ten, waarvan kunstenaar en bouwmeester God is (Hebr. 1 1:9-10).

HOERERIJ. In het O.T. wordt de wederzijdse verhouding van God met het volk Israël vaak vergeleken met een “huwelijksverbond”. Om die reden wordt ontrouw van de zijde van het volk, ten aanzien van dit ver­bond, dan ook gelijkgesteld met ontucht (Jes. 1:21) en op tal van plaat­sen in de bijbel gekwalificeerd als “hoererij”.

In die zin was Israël een zeer “overspelig” volk, welks trouweloosheid typisch wordt weergegeven in het hoereren van Hosea’s ontuchtige vrouw Gomer (Hos. 1-3).

Ook in het boek Openbaring wordt afgoderij meermalen vergeleken niet hoererij. In de hoofdstukken 17 en 18 wordt de valse kerk van de eindtijd gesymboliseerd in de grote “hoer op het beest” en ook verzin­nebeeld in de grote stad Babylon. Na een laatste waarschuwing vanuit de hemel (Openb. 18:4), wordt deze stad en haar valse religie getroffen door een vreselijk oordeel. Men leze het artikel Babylon.

HONDEN. Deze werden in Israël tot de onreine dieren gerekend en door de mohammedanen ook thans nog als zodanig beschouwd. In de bijbel worden honden vuilniseters genoemd (Ex. 22:31). Toch werden ze als huisdier vaak gewaardeerd om hun trouw en waakzaamheid. Wanneer zij echter zonder meester vaak in troepen rondzwierven, zich voedende met aas en lijken, werden zij geschuwd en gevreesd (1 Kon. 14:11).

Dikwijls werden de heidenen honden genoemd. Hieruit is het te verkla­ren, dat Jezus tot de Griekse vrouw, die in Syro-Fenicië geboren was, zei:

“Het is niet goed het brood der kinderen (Israëls) te nemen en het de honden (heidenen) voor te werpen”. Zo noemen de Mohammedanen de niet-islamieten nog altijd “ongelovige honden”.

In Openb. 22:15 wordt gezegd, dat honden de Heilige Stad niet zullen mogen binnengaan. Als “onreine” ongelovigen hebben zij geen toegang in het Nieuwe Jeruzalem ¬ (Openb. 21:27).

HONGERSNODEN waren in Israël en de omringende landen zeer gevreesde plagen, die het gevolg waren van droogte of oorlogen. Zij kunnen beschouwd worden als oordelen Gods, evenals het zwaard en pestilentie.

In de “ruiterstoet uit Openbaring 6” verschijnt als derde het zwarte paard van de honger. Dit was het gevolg van de opening van het derde zegel, waardoor de aarde geteisterd werd door een vreselijke hongers­nood (Openb. 6:5, 8 ).

HOOP. Hoop is het vooruitzicht op iets goeds, dat voor het tegen­woordige blijdschap geeft. Zo heeft de gelovige een hoopvol uitzicht op de hem voorgestelde heerlijkheid en de vervulling van Gods beloften. Dit zijn voor het kind van God niet slechts “mogelijkheden”, waarvan te hopen valt, dat zij nog eens werkelijkheid zullen worden, maar zekerhe­den, op welker vervulling hij wacht (Rom. 8:18-30).

De hoop der gelovigen vindt haar basis in de opstanding van Jezus Chris­tus (1 Cor. 15:14-19;1 Petr.1:3). Zij wordt in de bijbel genoemd “een anker der ziel, dat veilig en vast is” (Hebr. 6:19) en behoort, tezamen met het geloof en de liefde, tot de voornaamste elementen van het geloofsleven (1 Cor. 13:13). Hoop is ook een vrucht van de rechtvaardiging (Rom. 5:1-5). De gelovige heeft veel te hopen, maar het meest gaat zijn verwachting uit naar de “verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus” (Titus 2:13). Want “wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is” (1 Joh. 3:2, 3).

HORENS. Een horen is in de. bijbel het symbool van een heersend machthebber. Koningen en goden van het Midden-Oosten droegen vaak horens, als zinnebeeld van hun macht en rijkdom (1 Sam. 2:1, 10).

In de hoofdstukken 7 en 8 van het boek Daniël worden visioenen ver­meld, waarin verschillende gehoornde dieren voorkomen:

a. een dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk, met niet minder dan tien horens op de kop. Het was een voorstelling van het Romeinse rijk ¬ zoals dit zich in de eindtijd opnieuw zal openbaren in een con­federatie van tien verschillende staten (Dan. 7:7). Een kleine horen, tus­sen de tien andere oprijzende, zal zich dan ontpoppen als de antichrist ¬, die de dictator zal zijn van het laatste wereldrijk der menselijke heer­schappij;

b. een ram met twee horens, waarvan de ene het Medische en de ande­re het Perzische rijk voorstelt (Dan. 8:3);

c. een geitenbok, met aanvankelijk één horen tussen de ogen. Deze horen stelt Alexander de Grote ¬ voor (Dan. 8:5). Toen deze horen plotseling werd afgebroken (Alexander stierf op jonge leeftijd), kwamen daarvoor vier andere in de plaats. Het rijk werd namelijk verdeeld onder diens vier veldheren (Dan. 8:8).

Uit één van die vier horens sproot nog een andere voort, namelijk die van Antiochus Epifanes ¬, de beruchte koning van Syrië (Dan. 9:9).

Ook in de visioenen van het boek Openbaring treden beesten op, even­eens voorzien van horens op de koppen:

a. de draak ¬ met zeven koppen en tien horens (Openb. 12:3). Deze draak symboliseert “de oude slang”; genaamd duivel en satan (:9);

b. het beest uit de zee ¬, eveneens met zeven koppen en tien horens, die hier echter gekroond zijn (Openb. 13:1-10). Dit beest komt overeen niet het vierde dier uit Dan. 7 en stelt het Romeinse rijk ¬ voor in zijn eindvorm van een tienstatenconfederatie. Ook wordt in dit beest de persoon van de antichrist ¬ gesymboliseerd;

c. het beest uit de aarde (Openb. 13:11-18). Dit beest is de valse profeet ¬. Het heeft twee horens, die hem op een lam doen gelijken, maar hij spreekt de taal van de draak.

HONDERD VIERENVEERTIG DUIZEND. In het boek Oenbaring wordt tot tweemaal toe gesproken over een schare van 144.000 verze­gelden uit de twaalf stammen van het volk Israël, namelijk in Openb. 7:1-8 en 14:1-5. De verzegeling heeft plaats ten tijde van de grote ver­drukking ¬, dus gedurende de periode van de antichrist ¬. Deze peri­ode valt samen met de Dag des Heren ¬, waarop aarde en mensheid door oordelen Gods worden getroffen.

Waaruit dit zegel bestaat, wordt niet vermeld, doch Openb. 14:1 geeft sterke aanleiding tot het vermoeden, dat het de naam is van het Lam en Zijn Vader. Het werd door een engel, aan wie de beschikking over het zegel Gods was toevertrouwd, aangebracht aan de voorhoofden van de honderdvierenveertigduizend.

Ten tijde van de profeet Ezechiël heeft iets dergelijks plaatsgevonden. Toen werd een gericht voltrokken over de inwoners van Jeruzalem, onder dezelfde omstandigheden. Zes mannen met vreselijke vernieti­gingswapens moesten de straf over Jeruzalem voltrekken. Doch ook toen werd een persoon gezonden, die de voorhoofden van de Godsgetrouwen van een teken moest voorzien, dat hen onaantastbaar maakte voor het verderf der wapenen (Ez. 9:1-11).

Dit is ook het oogmerk van de verzegeling der 144.000 uit de Openbaring. Temidden van de dood en verderf brengende oordelen Gods zullen 12.000 uit iedere stam van Israël door de verzegeling wor­den veilig gesteld, zodat een rest uit iedere stam behouden blijft. Mogelijk zijn het dezelfden als zij, die vluchtende voor de draak ¬ een schuilplaats zullen vinden in de woestijn, die daar voor hen door God is bereid (Openb. 12:6).

Zowel met de identificatie van de verzegelden als met hun aantal is ver­schrikkelijk gesold. De Adventisten en de Jehova’s Getuigen beweren, dat zij die 144.000 zijn. Anderen zeggen, dat deze schare het totaal der gelovigen betreft. Het kost geen moeite om het getal 144.000 symbo­lisch op te vatten. Maar de bijbel zegt, dat het gaat om 144.000 verze­gelden uit Israël. 12.000 uit iedere stam, die zelfs met name worden genoemd. We hebben dus recht noch reden om daarvan iets anders te knutselen. Al wordt in de bijbel gebruik gemaakt van allegorische voor­stellingen en getallensymbolieken, dan geeft dit geen enkel recht om naar believen te vergeestelijken en te verdraaien, waar dit maar in de kraam te pas komt. Ook temidden van de vele zinnebeelden in het boek Openbaring moet, waar enigszins mogelijk, de letterlijke betekenis wor­den aangehouden. Ten opzichte van de schare van 144.000 geeft dit in het geheel geen moeilijkheden.

 

I

ISRAEL EN ZIJN LAND. Geen volk heeft de wereld ooit voor zoveel raadsels gesteld als het volk Israël. Het is gebleken, dat het, bij alles wat het heeft wedervaren, het geslacht is, dat niet voorbijgaat (Matth. 24:34). Het is het volk van God (Deut. 6:8), dat woont in het land van God (Lev. 25:23). De geschiedenis geeft alle aanleiding om ten aanzien van Israël te spreken over “het wondervolk Gods”.

Israël een wondervolk

Reeds zijn ontstaan is een wonder, gezien de exceptionele geboorte van Izak uit oude mensen als Abraham en Sara. Heel zijn bestaan is even­eens een indrukwekkende reeks van wonderdaden van God en ook de gebeurtenissen van de laatste tientallen jaren moeten in dat licht wor­den bezien. Dat het volk er nog is, is een wonder. Dat Israël weer een natie is onder de naties, is een wonder. Dat Israël zich weet te handha­ven temidden van zoveel vijandige staten, is een wonder. Het feit, dat de Joden na twintig eeuwen van verstrooiing onder de volken een volk zijn gebleven en hun ras hebben bewaard, stelt de wetenschap voor een onoplosbaar raadsel.

Met de constitutie van de staat Israël op 14 mei 1948, is de voorwaarde geschapen voor de vervulling van eeuwenoude bijbelse profetieën en nu is het zaak om nauwlettend acht te geven op Jezus’ wenk: “Let op de vij­genboom!” ¬. De vijgenboom is immers in de bijbel het symbool van Israël als natie. Hoezeer gaat sedert het bestaan van de nieuwe staat ook het woord van Zach. 12:3 in vervulling, dat Jeruzalem een schaal der bedwelming is voor de naburige volken en een lastige steen voor de Verenigde Naties. Hoezeer hebben de omringende landen niet reeds ervaren, dat wie die steen trachtten op te tillen er deerlijk door verwond werden.

In welke mate wetenschapsmensen van verschillende levensbeschou­wing door het raadsel Israël werden geïntrigeerd, blijkt uit enkele uit­spraken.

Prof. Gunning: “De betekenis van Israël voor de volken is: het volk te zijn, dat aan alle volken der wereld ten middelpunt strekt . . . Omdat nu Israël als het ware volk in het middelpunt der wereldgeschiedenis staat, daarom grijpt zijn geschiedenis in die van andere volken in”.

Renan (Frans filosoof): “De filosofie der geschiedenis faalt ten enen­male in haar verklaring van de Jood”.

Hegel (Duits filosoof) verklaarde, dat de geschiedenis van de Jood hem als een donker raadsel zijn leven lang gekweld heeft.

De hofprediker van Frederik de Grote gaf op diens vraag: “Geef mij eens in een paar woorden een duidelijk bewijs voor het bestaan van God” ten antwoord: “De Joden, Majesteit!”

Mark Twain (schrijver): “Alle dingen zijn sterfelijk, behalve de Jood. Alle andere machten gaan voorbij, maar hij blijft. Wat is het geheim van zijn onsterfelijkheid?”

Zo is iedere Jood, die men ziet, als een handtekening Gods onder Diens beloften voor dit volk en een garantiebewijs voor alle nog onvervulde profetieën.

Het profetisch woord opent zeer wijde perspectieven aangaande het land en volk van Israël. En naarmate de tijd voortschrijdt, zal steeds sterker aan de dag treden, dat Israël de spil is, waar heel de wereld om draait.

Een uitverkoren volk

Van alle volken der aarde is er één, dat door God is uitverkoren Zijn volk te zijn (Deut. 6:8). Niet omdat Israël op zichzelf zo uitzonderlijk was, maar omdat de Here dit volk liefhad heeft Hij Zich daaraan ver­bonden met eden en beloften, reeds aan Abraham gegeven (Deut. 7:7, 8). Nog in Egypte sprak God al door Mozes: “Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn” (Ex. 6:6).

In zijn uitverkiezing had Israël de roeping tot het uitdragen van Gods Naam onder de volken en Zijn licht te laten schijnen onder de heidenen. De Here van Zijn kant heeft hen daartoe de woorden in de mond gelegd en met de schaduw Zijner hand bedekt (Jes. 51:16).

Maar Israël heeft deze roeping verzaakt en is trouweloos geweest aan zijn verbond met God, waardoor het terzijde is gesteld geworden.

God schiep iets nieuws om het licht der wereld te zijn: de Gemeente van Jezus Christus. Maar als Israël zich straks, bij de Wederkomst des Heren ¬ in zak en as bekeerd zal hebben, zal het in het dan volgende Duizendjarig Rijk ¬ volledig tot zijn doel komen en als het zendings­volk zijn eigenlijke roeping volbrengen.

Nòg zijn de Joden vijanden van het evangelie, maar zij blijven naar de verkiezing geliefden om der vaderen wil. Straks zullen de afgebroken tak­ken wederom geënt worden op de olijfboom (Rom. 11:17-24), want “de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk” (Rom. 11:28, 29).

Ook was Israël uitverkoren om een koninkrijk van priesters en een hei­lig volk te zijn (Ex. 19:5, 6). Hierin is Israël eveneens ongehoorzaam geweest en heeft zich koningen gekozen naar eigen begeerten. Tot op de dag van heden heeft God Zijn doel met het uitverkoren volk niet kun­nen bereiken. Er zullen nog vreselijke dingen moeten gebeuren, eer dit volk tot inkeer en volle verbreking des harten zal komen. Tot zolang zal het smart op smart moeten vrezen en de toorn van God hebben te dra­gen. Maar de Here weet wat Hij doet. Zijn oog is op Israël en Hij zal het niet verder laten komen, dan nodig is.

Intussen: wee de volken, die het kwalijk zullen bejegenen, want er staat geschreven: “Wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Voorwaar, zie Ik beweeg Mijn hand tegen hen en zij zullen hun knechten ten buit wor­den” (Zach. 2:8).

Het beloofde land

Van alle landen der aarde is er ook slechts één, waarvan God gezegd heeft: “Dit is Mijn land” (Lev. 25:23). Dat land is Palestina, hetwelk aan Israël en aan geen ander land tot een eeuwigdurend erfdeel is gegeven.

Reeds bij de belofte aan Abraham zijn de grenzen door God vastgesteld geworden. Wij vinden deze vermeld in Gen. 15:18-21; Deut. 11:24, 25; Jozua 1:2-6. Uit die gegevens blijkt, dat de daarin aangegeven grenzen die van het huidige Israël verre overtreffen. Nog nooit heeft Israël het Beloofde Land tenvolle bezeten; zelfs niet in zijn grootste uitgestrekt­heid ten tijde van David en Salomo (zie kaart “Het beloofde land”). Ook ten opzichte hiervan zal God echter Zijn woord gestand doen en Zijn belofte houden. Eenmaal zal Israël zijn erfdeel ten volle bezitten. Niet slechts voor een tijd, maar voor altoos (Gen. 13:14, 15).

Bij de inbezitneming van Kanaän was het een land overvloeiende van melk en honing. Na de verstrooiing van het volk, in het begin van onze jaartelling, kwam het land al spoedig onder Mohammedaans bewind en werd het, vooral tijdens de Turkse bezetting, aan de erosie en ver­woesting prijsgegeven. Dit heeft geduurd tot 1917, in welk jaar de Volkenbond het mandaat over Palestina aan Engeland toekende. Vanaf die tijd begon de hercultivering van dit totaal verwaarloosde land. In het begin van de vorige eeuw werd door Zionistische nederzettingen aangevangen met het treffen van de eerste voorzieningen, waarmee de weg werd voorbereid voor de terugkeer van het Joodse volk naar Eretz-­Jisraël, het oude land der vaderen. Vooral na Wereldoorlog II zijn de Joden in grote golven gerepatrieerd naar het land waaruit zij twintig eeuwen geleden werden verdreven. En nu is het deel van Palestina, waarover Israël beschikt, reeds een toonbeeld geworden van culturele welvaart en gaat zelfs de Negev-woestijn bloeien als een roos.

Tenslotte nog even ter informatie: het land heette oorspronkelijk Kanaän = laagland, nederland. De naam Palestina is afgeleid van Filistea, het land der Filistijnen. In Dan. 11:41a heet het “Sieraadland” en in Ez. 38:12b “de navel der aarde”.

Gods verbonden met Israël

Een verbond is een akkoord tussen twee partijen, die beiden daarin hun rechten en verplichtingen hebben. Zie als voorbeeld het verbond tussen David en jonathan (1 Sam. 18:3).

Zo heeft God ook verbonden gesloten, met personen als Noach, dat de regenboog tot verbondsteken had; Abraham, met de besnijdenis als teken, maar ook met het volk Israël, welk verbond werd gesloten bij de berg Sinaï. Het was het verbond der wet, waarbij het volk zich ver­plichtte de wet des Heren te houden en geen andere god dan Jahwe te vereren (Ex. 34:14). Maar Israël was een ongehoorzaam en afkerig volk, dat telkens weer Gods wetten schond. Eeuwen later was God bereid tot een nieuw verbond, waarbij Hij zeide: “Ik zal Mijn wet in hun binnen­ste leggen en die in hun hart schrijven” (Jer. 31:31-37). Als teken van de onveranderlijkheid van dit verbond stelde God de zon, de maan en de sterren en andere vaste verordeningen der schepping. In Jer. 32:40, 41 wordt het een eeuwig verbond genoemd, met daarbij de belofte gevoegd, dat de Israëlieten voorgoed in het land zullen worden geplant. 1n Ier. 33:20-26 worden ook de Levieten in het verbond betrokken, als­mede de troon van David, die altijd een nageslacht zal hebben. Als teken van de onwankelbaarheid van dit nieuwe verbond worden wederom de verordeningen gesteld van de dag en de nacht.

Zegen en vloek

In Samaria liggen twee bergen tegenover elkander, de Gerizim en de Ebal.

De eerste wordt genoemd de berg van de zegen, de andere de berg van de vloek (Deut. 11:29).

Zowel de zegen als de vloek zijn afhankelijk van Israëls gedragingen ten aanzien van Gods wil en wet. In Deut. 28 wordt vanaf de Gerizim een lange lijst van beloften uitgesproken, die als een zegen over Israël zullen komen, wanneer zij wandelen in de weg van God. Daartegenover wor­den vanaf de Ebal evenzovele bedreigingen met vloek aangezegd, indien van God en Zijn gebod wordt afgeweken.

Opmerkelijk is, dat zowel de zegeningen als de vloeken alle betrekking hebben op het aardse leven. Voor Israël dus uitsluitend aardse zegen en aardse vloek; dit in tegenstelling met de gemeente, die gezegend is met alle “geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus” (Ef. 1:3).

Israël was echter een hardnekkig en weerspannig volk, dat telkens weer de doolweg ging en de wegen des Heren niet wilde kennen (Ps. 95:10). Daarmee heeft het zich tot op de huidige dag gesteld onder de vloek van de Ebal. Nog altijd grotendeels verstrooid onder de naties, vindt het geen rust temidden der volken. Hoog is de prijs van hun ontrouw: een bevend hart, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel. Voortdurend was en is en zal er vooral in de toekomst nog zijn de vrees voor gevaar, ook van het leven. De dagen zullen komen, dat men angst zal hebben, zowel voor de dag als voor de nacht (peut. 28:64-68). Dit alles vanwege Israëls ontrouw jegens God en Zijn verbond.

Israëls weerspannigheid

In schrille woorden beschrijven de Psalmen 78, 106 en 107 de ondank van Israël tegenover God en de wijze, waarop dit volk telkens weer de Aller­hoogste heeft getergd, door voortdurende ongehoorzaamheid en afgoderij. In Jes. 5:1-7 wordt het geestelijk bestaan van Israël vergeleken roet een wijngaard, waarvan God de Landman is. Hij heeft niets nagelaten om een goede oogst te waarborgen, maar desondanks leverde de wijngaard slechts wilde vruchten op. Daarom wierp de Landman zijn muur omver en werd de wijngaard prijsgegeven aan vertreding en verwildering.

Ook Jezus sprak in een gelijkenis over de wijngaard Israël, waarheen de eigenaar (God) van tijd tot tijd slaven (profeten) zond. Maar deze wer­den door de pachters (Israël) buiten de wijngaard geworpen. Toen zond de heer van de wijngaard zijn geliefde zoon (Christus), doch zelfs deze werd niet ontzien, maar verworpen en gedood (Luk. 20:9-16).

De godsdienst van Israël had uiterlijk een schone schijn, maar was niet meer dan een dode vormendienst, waar het hart buiten bleef (Jes. 29:13, 14). Men bracht huichelachtige offers, die de Here tot een gruwel wer­den (Jes. 1:12, 13) en men ontzag zich zelfs niet de dienst van God te verruilen voor afgoderij (Ier. 2:1 1-13).

Dit alles en vooral de verwerping van Jezus Christus als de van God gezonden Messias, heeft de toorn van de Here doen ophopen en de ter­zijdestelling van Israël als volk van God tengevolge gehad.

Israël verstrooid, het land verwoest

Reeds in Deut. 4:27 werd Israël bedreigd met verstrooiing onder de vol­ken, wanneer het niet zou blijven in de weg van God. Het zou worden voortgejaagd en vervolgd (Deut. 28:64-68) en de risée worden onder de naties (Deut. 28:37).

Als straf van God werd in het )aar 721 vC het rijk der tien stammen weggevoerd naar Assyrië, vanwaar het later onder de volken verloren is geraakt en onvindbaar gebleven tot op de huidige dag. Het tweestam­menrijk Juda ging in 587 vC in ballingschap naar Babel, waaruit het 70 jaar later mocht terugkeren. De muren van het verwoeste Jeruzalem werden herbouwd, de grondslag van een nieuwe tempel gelegd, de voor­geschreven feesten weer in ere hersteld en de Wet Gods werd weer het fundament van het Joodse bestaan. De boeken Ezra en Nehemia getui­gen van een grote geestelijke opwekking, die echter niet heeft stand gehouden, want allengs viel het volk weer terug in een verstard en dood formalisme. Godsdienst genoeg, maar zonder enige kracht. De vijgen­boom prijkte in een prachtige bladerdos, maar leverde geen vrucht op. Ook de komst van Jezus Christus als Zoon van God en Zoon des men­sen heeft daarin geen ommekeer teweeg gebracht. Integendeel. Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11), maar verworpen en gekruisigd. Zij hebben over zichzelf de vloek uitgeroepen: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen” en 37 jaar later is dat bloed in stromen beginnen te vloeien bij de inname van Jeruzalem in het jaar 70 en nog vloeit het Joodse bloed en het zal blij­ven vloeien, totdat zij hun Messias erkennen en zullen roepen: “Gezegend, Hij die komt in de Naam des Heren”.

De val en verwoesting van Jeruzalem in 70 nC werd reeds voorzegd in Micha 3:12 en Zach. 7:14. Ook Jezus heeft daarvan geprofeteerd in Luk. 21:24. De verstrooiing van de Joden onder de volken is begonnen na de verwoesting van Jeruzalem, maar werd volkomen na de represailles op de mislukte opstand van Bar Kochba in 135 nC. Vanaf toen werd het land vertreden door de heidenen en tot een woestenij gemaakt. Dit zou duren, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.

ISRAELS GODSDIENSTIGE POSITIE

IN VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST

Bedelingen

BEDELING
DER WET

BEDELING
DER GENADE

TOEKOMENDE
BEDELING

Gods verhouding
tot Israël

“Ammi”

(Mijn volk)

“Lo-Ammi”

(niet Mijn volk)

“Ammi”

(Mijn volk)

Verblijfplaats

Palestina

Verstrooid onder

de volken

Beloofde Land

Godsdienst

Dienst van God
volgens de

Mozaïsche wetten

Vruchteloze

godsdienst

Dienst van God en

Jezus Christus

Verbonden

Het oude verbond

der wet

“Het nieuwe verbond

in Zijn bloed”

“Het verbond ná deze dagen (Jer. 31:31-34)

 

De tijden der heidenen (Luk. 21:24)

Deze zijn aangevangen met de wegvoering van Israël en Juda, respectie­velijk naar Assyrië en Babel. Sinds die tijd heeft het volk geen eigen koning meer gehad en was het onderworpen aan vreemde volken. Afwisselend werd het land bezet door de vier grote wereldrijken, die we voorgesteld vinden in het statenbeeld ¬ uit Daniël 2. Heel lang zou het duren, voor Israël weer nationaal en geestelijk geheel hersteld zou zijn. “Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen” (Hosea 3:4, 5). Israëls kroon moest worden afgezet en zou omgekeerd blijven, totdat de rechtmatige Koning komen zal (Ez. 21:25-27).