Profetisch
Perspectief
Handboek bij de studie van de bijbelse profetie
C. van der Haagen Uitgeverij Het Zoeklicht, postbus 99, 3940 AB Doorn, ISBN 90 6451-017-2 A B
C D
E F
G H
I J
K L M N O P Q R S T U V W X
Y Z Dit
encyclopedisch handboek bij de studie van de profetie is geplaatst met
toestemming van ds. Schouten van het Zoeklicht. Lees ook het voorwoord dat
broeder Schouten heeft geschreven. Het
boek is op dit moment (november 2006) nog steeds te bestellen bij Uitgeverij
het Zoeklicht of via de boekhandel. In perspectief
Voor u ligt een heruitgave van een boek dat
we reeds in 1975 mochten uitgeven. We hebben besloten dit boek opnieuw uit te
brengen, omdat we merkten dat er in onze omgeving behoefte aan is. Er is grote
onduidelijkheid aangaande het profetisch woord en de heilshistorische lijn die
daarin te vinden is, maar vooral blijkt er grote onkunde te zijn waar het om
concrete bijbelse woorden gaat, juist met betrekking tot de laatste dingen. Natuurlijk zijn er veel boeken aangaande
die laatste dingen geschreven, niet zelden waren het zelfs “bestsellers”. Bij
veel van die boeken vinden we een tijdgebonden klank. De auteur, levend in een
bepaalde maatschappelijke en politieke context, schreef vanuit die achtergrond
en daar klonk naast veel goeds steevast iets door van die gedateerde situatie.
De kracht van dit boek is dat hier zuiver gezocht is naar de betekenis van bijbelse
woorden, los van maatschappelijke of politieke context. U vindt in dit boek dan
ook niet primair een eschatologisch raamwerk, maar het boek biedt wel hulp tot
het verkrijgen van meer inzicht in Gods plan met de wereld. Juist door dit boek
willen we stimuleren tot meer onderzoek in de profetische schriften. De kamerling, onderweg vanuit Jeruzalem,
las het profetisch woord. Op de vraag “verstaat gij wat gij leest?” moest hij
het antwoord schuldig blijven. Er was niemand die hem de weg wees. De toegetreden
Filippus mocht hem het profetisch woord openen. In geloof werd de Heiland
aanschouwd. Gaat het daar ten diepste in profetie niet om? Daarin wordt ons de
weg gewezen waarlangs het straks tot aanschouwen van de Heiland mag komen. Profetisch Perspectief is niet een boek om
zo uit te lezen, het is ook niet een studieboek in de directe zin. Het is meer
een hulpboek bij bijbelstudie, vooral waar het woorden aangaande de laatste
dingen betreft. Daarom zou dit boek in geen enkele boekenkast van een
bijbelstudent mogen ontbreken. Mijn bede is dat het velen helpen zal in
hun studie van het profetisch woord tot eer van onze God en Heiland. Hein
verwachten wij, naar Hem zien wij uit. Maranatha, Jezus komt! Doorn, februari
2002 DS.
HENK SCHOUTEN
De pijltjes
¬ in de tekst verwijzen naar
elders in dit boek behandelde onderwerpen A
AARDBEVINGEN
kwamen in de bijbelse landen sinds voorhistorische tijden veelvuldig voor. Van
de in het O.T. vermelde aardbevingen, schijnt die, welke plaats had ten tijde
van koning Uzzia (Zach. 14:5), een zeer grote indruk te hebben gemaakt. In het
N.T. vinden wij ze genoemd als begeleidende verschijnselen bij de kruisiging
van Jezus (Matth. 27:54) en bij diens opstanding (Matth. 28:2). Paulus en Silas
werden door een aardbeving bevrijd uit de gevangenis te Filippi (Hand. 16:26). In
de eindtijd zal de Dag des Heren ¬ met
geweldige aardbevingen gepaard gaan. In Openb. 6:12 lezen wij van een grote
aardbeving bij de opening van het zesde zegel ¬. Bij de hemelvaart van de twee getuigen ¬ in Openb. 11, blijkt eveneens een zeer sterke aardbeving plaats te
vinden, waarbij een tiende deel van Jeruzalem wordt verwoest en zevenduizend
mensen de dood vinden. Ook als Gogs legerscharen op de bergen van Israël
zullen zijn samengestroomd, zal het land door een zware aardbeving geteisterd
worden (Ez. 38:19). Verder
wordt over nog toekomstige aardbevingen gehandeld in Matth. 24:7; Mark. 13:8;
Luk. 21:11; Openb. 8:5. De grootste nog te verwachten aardbeving - “zo groot
als er geen geweest is sedert het bestaan der mensheid” - wordt voorspeld in
Openb. 16:18, waar de zevende schaal van de gramschap van God wordt uitgegoten
over de aarde (®
Zeven toornschalen). AARTSENGEL (® Engelen). ABADDON
(Hebr.) of Apollyon (Gr.) is de naam van een gevallen engel en betekent: verderf,
verdoemenis of ondergang. Hij wordt in Openb. 9:11 de “engel des afgronds”
genoemd en voorgesteld als de koning der boze geesten, die bewaard worden in de
“put des afgronds” Afgrond). ABYSSUS (® Afgrond). AFGROND
(Abyssus) is de naam van de gevangenis der boze geesten, die gesteld zijn onder
Abaddon ®,
hun koning (Openb. 9:11, 17:8, 20:3). Op die plaats worden de engelen, die aan
hun oorsprong ontrouw zijn geworden, in duisternis bewaard tot de dag des
oordeels (Judas:6). Deze gevangenis is blijkbaar de grote vrees van de
demonische machten, want de geesten, eens door Jezus uit de bezetene te Gadara
geworpen, baden Hem niet naar de afgrond te worden verwezen (Luk. 8:31). AFVAL. Op
tal van plaatsen in de Schrift wordt gesproken over afval, maar in 2 Thess. 2:3
gaat het over de afval, als één der verschijnselen van de eindtijd ¬. Dat zal een afval zijn op grote schaal en het is vanzelfsprekend, dat
deze niet zal plaats hebben in de wereld, maar in de kerk! De apostel Paulus
stelt deze afval als gelijktijdig optredende met de openbaring van de
antichrist ¬, wiens geest reeds krachtig in de wereld werkzaam is (1 Joh. 4:3). Het
is zeker mogelijk, dat de “nieuwe theologie” en de zeer funeste gevolgen
hebbende bijbelkritiek een voorbereiding, zoal niet de aanvang betekent van de
massale afval, die aan de grote Dag des Heren ¬ zal voorafgaan. AIOON (® Eeuw). ALEXANDER DE GROTE, koning van Macedonië (336 - 323 vC), beroemd wereldveroveraar. Hij was
de stichter van het Grieks-Macedonische rijk, dat we in het droombeeld van Nebukadnezar
uit Daniël 2 zien voorgesteld als het derde wereldrijk, met de buik en dijen
van koper (®
Statenbeeld). Alexander
de Grote was een geniaal veldheer, die echter reeds op 33-jarige leeftijd
stierf. Hoewel in de bijbel niet met name genoemd, wordt hij in Dan. 8:5 gesymboliseerd
in de geitenbok en in Dan. 11:3 betiteld als “een heldhaftige koning, die met
grote heerschappij zal regeren en doen wat hem goeddunkt”. ALLEGORIE is
de naam van een soort beeldspraak, zoals die ook in de bijbel voorkomt. Paulus
maakt er o.a. gebruik van in Gal. 4:24, als “iets, waarin een diepere zin
ligt”. Zo is ook b.v. het door Jezus in joh. 15 gebruikte beeld van de wijnstok
en de ranken een allegorische voorstelling. Bij het lezen van het profetisch
woord, vooral wat betreft het boek Openbaring, moet goed worden onderscheiden
wat allegorisch, dan wel letterlijk dient te worden verstaan. Er wordt heel wat
geallegoriseerd en vergeestelijkt, waar dit in geen geval mag gebeuren. Op die
wijze wordt aan de waarheid en de boodschap van de bijbel vaak veel geweld
aangedaan. De apostel Petrus vermaant dan ook niet voor niets, dat “geen profetie
der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat” (2 Petr. 1:20). Vooral de kerkvader
Origenes (185 - 254) heeft zich op een ontoelaatbare en voor de toekomstverwachting
der kerk waarlijk funeste wijze schuldig gemaakt aan verregaande allegorisering.
Reeds 18 eeuwen lang wordt onze kerkelijke dogmatiek beïnvloed door de
vergeestelijkingstheologie van deze filosoof, en dat hoewel men altijd geweten
heeft, dat diens denken geheel werd beheerst door de platonische wijsbegeerte.
Zo heeft hij, als nochtans gezaghebbend theoloog der eerste eeuwen en nagevolgd
door de beroemde kerkvader Augustinus, in heel de kerk een diepingrijpend
dwalen in Schriftbeschouwing teweeggebracht, dat nog tot op de huidige dag
voortduurt. Aan zijn vergeestelijking van de bijbelse toekomstverwachting kan
geweten worden, dat voor de kerk het profetisch woord onleesbaar is geworden en
krachteloos gemaakt. Voor
een juist verstaan der profetieën is bijbelgeloof nodig en een zich onderwerpen
aan de voorlichting van de Heilige Geest, van Wie Jezus heeft gezegd: “de toekomst
zal Hij u verkondigen” (Joh. 16:13). Het onderzoek dient dan ook steeds biddend
te geschieden, in diepe afhankelijkheid van Gods Geest en steeds Schrift met
Schrift vergelijkende. ALPHA EN OMEGA, de
eerste en laatste letter van het Griekse alfabet. In het boek Openbaring hebben
deze letters speciale betekenis verkregen als aanduiding van “het begin en het
einde”; met welke woorden
ALSEM.
Naam van een wilde plant, die zich kenmerkt door een bittere smaak. In Jer.
9:15; 23:15; Klaagl. 3:19 wordt alsem vergif genoemd. Openb. 8:11 spreekt van
een grote ster, genaamd “Alsem”; die op de aarde valt. Dit heeft tot gevolg,
dat een derde deel van alle rivieren en waterbronnen vergiftigd wordt en een
grote sterfte plaats heeft. AMMI
(Hebr.: mijn volk). Deze naam, in combinatie met de naam Lo-Ammi, wordt in de
bijbel gebruikt als type van de verwerping en latere wederaanneming van het
volk Israël door de Here. Men leze Hosea 1:912 en 2:2- ANTICHRIST.
Met deze naam, die de betekenis heeft van “tegenchristus”; wordt in de bijbel
de persoon aangeduid, die zich in de eindtijd openlijk zal stellen tegenover
God en de Here Jezus. Als dictator van het dan inmiddels weer herrezen Romeinse
rijk ¬ - het rijk “dat was en niet is en er toch zal zijn” (Openb. 17:8) - zal
deze in de wereld een geweldige macht uitoefenen. Op geniale wijze zal hij orde
scheppen in de chaos van internationale toestanden, waardoor zijn populariteit
zal uitgroeien tot goddelijke aanbidding (Openb. 13:3, 4). Hij zal de wereld
een schijnvrede brengen, die spoedig gevolgd wordt door oorlog, hongersnood en
dood (Openb. 6:1-8; 1 Thess. 5:3). Zie “Ruiterstoet uit Openbaring”. De
heerschappij van deze dictator zal zeven jaar duren, welke periode overeenkomt
met de 70e jaarweek ¬ uit Dan. 9:26, 27. Door hem zullen de tijden en wetten veranderd
worden en zijn heerschappij en macht zal hij verkrijgen van de “draak” ¬, d.i. satan zelf (Openb. 13:2; 12:9). Hoewel
zijn komst in de wereld nu reeds wordt voorbereid door de geest van de
antichrist (1 Joh. 4:3), wordt de openbaring van zijn persoon in levende lijve
nog tegengehouden door het verblijf op aarde van de Gemeente, omdat daarin de
Geest Gods woont (2 Thess. 2:7, 8). De
antichrist zal zijn macht uitoefenen in nauwe samenwerking met de “valse
profeet” (Openb. 16:13). Beide figuren worden in het laatste bijbelboek
voorgesteld als beesten. In Openb. 13 ziet Johannes een beest opkomen uit de
(volkeren)zee, dat een combinatie vormt van het herstelde Romeinse rijk en de
persoon van de antichrist (® Beest uit de zee). Een ander beest, dat niet uit de zee maar uit de
aarde opkomt, is het symbool van de valse profeet ¬ die als pseudo-godsdienstig leider een duivelse invloed op de mensheid
zal uitoefenen (®
Beest uit de aarde). Op
grond van enkele schriftuurlijke aanduidingen, zoals b.v. in Dan. 11:37, 38, is
het zeer wel mogelijk, dat de antichrist een Jood zal zijn. Ireneus vermoedt,
dat hij voort zal komen uit de stam Dan. Hij steunt daarbij op het feit, dat
deze stam niet voorkomt in de schare van de 144.000 verzegelden uit de stammen
Israëls (®
Honderdvierenveertig duizend). In ieder geval is het haast ondenkbaar, dat
Israël een niet-Jood als messias zou aannemen. Israëls
zuiver aardse messiasverwachting zal dan ook mogelijk gestalte krijgen in de
persoon van de antichrist. Zij zullen met hem een zevenjarig verbond sluiten,
dat echter na drieënhalf jaar door de antichrist op verraderlijke wijze zal
worden verbroken. Dan breekt voor Israël aan de “tijd der benauwdheid van
Jakob” (Jer. 30:7), door Jezus aangekondigd als de “grote verdrukking” ¬, waarin dit volk en met hem ieder die de Naam des Heren aanroept, zal
worden blootgesteld aan de zwaarste vervolging aller tijden (Matth. 24:21).
Vrijheid van godsdienst en geweten zal dan hebben afgedaan (Dan. 8:10-12). In
de tempel te Jeruzalem wordt de “gruwel der verwoesting” ¬ opgericht, in de vorm van een beeld van het beest ¬, dat dan door alle aardbewoners moet worden aangebeden, op straffe van
maatschappelijke uitsluiting en dood. Zij, die zich hieraan onderwerpen,
ontvangen een merkteken van het beest ¬ op
hun rechterhand of voorhoofd. Hoewel zij daardoor hun aardse leven redden, zijn
zij voor eeuwig verloren en is hun toekomst de poel van vuur en zwavel, dat is
de hel. Voor
wat de Gemeente Gods gedurende die verschrikkelijke tijd betreft, geeft de
bijbel de zekerheid, dat de kinderen Gods voor die “ure der verzoeking”
(Openb. 3:10) bewaard zullen worden. Vóór de grote verdrukking ¬ aanbreekt, wordt de Gemeente van de aarde “geëvacueerd” en opgenomen in
de hemel (1 Thess. 4:13-18). Na
zeven jaar zal aan de activiteiten van de antichrist en zijn valse profeet een
einde worden gemaakt bij de “Wederkomst des Heren” ¬. Dan zullen beiden gegrepen en levend geworpen worden in de poel des
vuurs (Openb. 19:20). Met
betrekking tot zijn wezen en wezen wordt de antichrist in de bijbel onder de
volgende benamingen aangeduid: antichrist
- 1 Joh. 2:18, 22; 4:3; 2 Joh.:7 mens
der zonde - 2 Thess. 2:3 S.V mens
der wetteloosheid - idem, N.B.G. zoon
des verderfs - 2 Thess. 2:4 tegenstander
- 2 Thess. 2:4 wetteloze
- 2 Thess. 2:8 vorst
- Dan. 9:26, 27 voortstormende gesel - Jes. 28:15, 18, en
voorgesteld in symbolen als: beest uit de zee - Openb. 13:10-17; 19:20 het
getal 666 - Openb. 13:18 ANTIOCHUS EPIFANES
(175 - 164 vC). Deze monsterachtige figuur wordt niet met name genoemd in het
O.T., maar over hem wordt geprofeteerd in Dan. 11:31. Hij was de zoon van Antiochus
111, bijgenaamd “de Grote”. Als koning van Syrië (223 - 187 vC) was deze bekend
door zijn vele krijgstochten. Ook over hem wordt - eveneens anoniem -gehandeld
in Daniël 11. Antiochus
Epifanes was een duivelse machtswellusteling, die in vele opzichten als een
nauwkeurig type kan worden gezien van de komende antichrist ¬. Volgens Polybius verdient hij eerder de naam Epimanes (waanzinnige)
dan Epifanes (manifeste god). Antiochus
bejegende het Joodse volk op de meest kwalijke wijze, roeide hun godsdienst uit
en ontheiligde de tempel op geraffineerde wijze, door op het brandofferaltaar
een altaar voor Zeus te bouwen en daarop zwijnen te offeren. Zijn goddeloos
despotisme heeft de stoot gegeven tot de grote opstand der Makkabeeën. APOLLYON (® Abaddon). ARMAGEDDON,
afgeleid van Har-Megiddo, lett.: berg van Megiddo. Het woord “Armageddon” komt
alleen voor in Openb. 16:16, waar het in verband wordt gebracht met de laatste
grote eindstrijd der volken, die zal plaats hebben op Israëls grondgebied. Bij
deze oorlog zal het niet gaan om politieke oogmerken of gebiedsuitbreiding,
maar wordt het in wezen een samenspannen van de koningen der aarde tegen de
Here en Zijn Gezalfde (Psalm 2). Met
deze oorlog, die de vreselijkste aller tijden zal zijn, wordt de totale
vernietiging van het volk der Joden beoogd. In deze strijd zal de satan zijn
hoogste troeven uitspelen in een woedende, wanhopige poging, om alsnog zijn
troon aan die van de Allerhoogste gelijk te maken (Jes. 14:13, 14). Wetende dat
het Koninkrijk van Christus nadert, zal hij in uiterste machtsontplooiing
trachten te voleindigen, wat hem in de loop der eeuwen en vooral in de Tweede
Wereldoorlog slechts ten dele gelukte, namelijk de uitroeiing van het gehele
Joodse volk. Ingeval deze opzet zou slagen, dan was daarmee het Koningschap van
Christus door satan tot een onmogelijkheid gemaakt en had hij de strijd met God
gewonnen. Maar Die in de hemel woont lacht en de Here spot met de enorme legermachten,
die door de koningen der aarde op aansporing van drie onreine geesten uit de
afgrond op de been zullen worden gebracht (Openb. 16:13, 14). Hoewel
zoals gezegd het woord Armageddon slechts “éénmaal in de bijbel voorkomt,
wordt op vele plaatsen in het profetisch woord over de daarmee bedoelde
eindstrijd der volkeren gehandeld. Uit de ons daarin verstrekte gegevens weten
wij, dat de uitgestrekte Vlakte van Jizreël ¬, ook wel genoemd de vlakte van Megiddo, de voornaamste verzamelplaats
zal wezen van de verbonden legers van de koningen der aarde. Al
in de boeken Richteren, Koningen en Kronieken wordt melding gemaakt van grote
veldslagen, die in de geschiedenis op die vlakte hebben plaatsgevonden. Ook
later hebben vele legers, van Nebukadnezar af tot Napoleon toe, in de Vlakte
van Jizreël hun bivak opgeslagen of strijd geleverd. In
Openb. 16:12-16 lezen wij, hoe de geesten van de draak ¬, de antichrist ¬ en
de valse profeet ¬ zullen uitgaan tot de koningen der gehele wereld, “om hen te
verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God … en hij verzamelde
hen op de plaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Harmágeddon”. Echter,
hoe groot de Vlakte van Jizreël ook moge zijn, toch zal deze niet voldoende
plaats kunnen bieden aan de miljoenenlegers van de antichrist en zullen deze
zich ook verspreiden over de bergen Israëls. We lezen althans van Gogs
legerscharen, dat deze in het bergland verslagen zullen worden (Ezech. 39:2-4).
Ook Jeruzalem zal rondom door legers worden ingesloten. Zacharia
14 geeft dramatische bijzonderheden over de belegering van Jeruzalem en zegt
daarvan: “Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de
stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen
geschonden. De rest van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest
van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden” (Zach. 14:2). De
gedachte, dat deze profetie slaat op de inname van Jeruzalem door Titus, in het
jaar 70, wordt afdoende gelogenstraft door het vers dat er direct op volgt:
“Dan zal de Here uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger
streed ten dage van de krijg; Zijn voeten zullen te dien dage staan op de
Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde” (Zach. 14:3, 4). Als
Satans oogmerk: de totale vernietiging van het volk Israël, bijna bereikt is,
dan verschijnt aan de hemel het teken van de Zoon des mensen en heeft de Wederkomst
des Heren ¬ plaats op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid,
waarbij Hij vergezeld zal worden van hemelse legerscharen, gehuld in witte
klederen en gezeten op witte paarden. Als
Christus’ voeten zich dan zullen plaatsen op de olijfberg, vanwaar Hij ook eens
ten hemel is gevaren, dan zal deze berg, mogelijk door een enorme aardbeving
(zie Openb. 16:17-20; Jes. 24:19, 20), middendoor splijten en een zeer groot
dal vormen, waardoor de Joden zullen kunnen vluchten naar de bergen. Christus’
wederkomst zal het begin zijn van de eigenlijke eindstrijd. Dan gaat letterlijk
in vervulling, wat geprofeteerd is in Psalm 2:2 “De koningen der aarde scharen
zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en Zijn Gezalfde”.
Het zal een ontzettende strijd zijn, waarbij de wereld zal schudden op haar
grondvesten. Een afgrijselijke plaag zal de legers der volken treffen, waarvan
de beschrijving herinnert aan de verschijnselen, die optraden bij de atoombomaanval
op Hirosjima en Nagasaki. Wie bij dat vreselijk gebeuren niet onmiddellijk werd
gedood door de alles verzengende vuurgloed, werd levend verteerd door de
uitstralende radioactiviteit. Hoezeer
komt dit overeen met wat wij lezen in Zach. 14:12 “Dan zal dit de plaag zijn,
waarmee de Here alle volken zal treffen, die tegen Jeruzalem zijn uitgerukt:
Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn voeten staat, doen wegteren, en
ieders ogen zullen wegteren in hun kassen, en ieders tong zal wegteren in zijn
mond”. Ook
zal er een dusdanige verwarring onder de troepen ontstaan, dat zij geheel
verblind en verbijsterd de een de ander te lijf zullen gaan en zo elkander
vernietigen. Het gevolg zal zijn een afgrijselijk bloedbad, zoals de aarde niet
eerder heeft gekend (Openb. 14 20). Als
Christus in deze slag vernietigend zal hebben afgerekend met de Godevijandige
legermachten, dan is voor altijd een einde gekomen aan de heidense heerschappij
der volken en daarmede aan de “tijden der heidenen” ¬, waarover Jezus sprak in Lukas 21:24. De antichrist en zijn valse
profeet worden levend in de poel des vuurs geworpen (Openb. 19:20), terwijl de
satan wordt gebonden en voor duizend jaar verdwijnt in de afgrond ¬ (Openb. 20:1-3). Daarna zal in het Dal van Josafat ¬, dat gelegen is aan de voet van Jeruzalems oostmuur, de gerichtstroon
worden opgericht, waarvoor alle volken der aarde zullen worden gedaagd, om zich
voor Christus te verantwoorden inzake hun houding en gedrag jegens de Joden (® Volkerengericht). Velen
verwarren deze gerichtstroon met de grote Witte Troon ¬ uit Openb. 20. Daar is echter sprake van het laatste oordeel ¬, dat eerst plaats zal vinden aan het eind van alle dingen, dus na de algemene
opstanding der doden. Als
Israël op het moment van Christus’ wederkomst zijn Koning zal hebben aanvaard
en satan als “overste dezer wereld” is uitgeschakeld, staat niets het
Koninkrijk van Christus meer in de weg en zal Hij plaats nemen op de troon
Zijner heerlijkheid te Jeruzalem. Dan breekt de gezegende tijd aan, waarvan wij
lezen in Jes. 9:6 “Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de
troon van David en over Zijn Koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest
met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here
der heerscharen zal dit doen”. Schriftplaatsen over Armageddon
Naam
en betekenis: Openb. 16:12-16. Strijdtoneel:
Megiddo Joz. 12:21; 1 Kon. 9:15; Vlakte van Jizreël alias Dal van Megiddo 2
Kron. 35:22; Richt. 7; Bergen Israëls Ezech. 39:2, 4; Dal van Josafat alias Dal
der beslissing Joël 3:12; Zach. 12:9; 14:2; Palestina, vanaf Bozra (Edom) tot
aan de noordelijke bergen Jes. 63:1-4, vgl. Jes. 34:1-6 en Openb. 14:19, 20. Verzameling
tot de strijd: Ps. 2:2; Joël 3:9, 14; Micha 4:11-14; Zef. 3:8; Openb. 16:13,
14; 19:19. Doel
Armageddon (totale vernietiging van het Joodse volk) Ps. 83:3-5; (roof van het
Joodse vermogen) Ezech. 38:10-13. Bondgenoten:
de koning van het Noorden (Assur) Jes. 30:31-33, 31:8, 10:2426; de koning van
het verre Noorden (Gog) Ezech. 38:14-16, Dan. 11:40; Gog de vorst van Ros
Ezech. 38 en 39 met zijn geallieerden: Perzen, Ethiopiërs, Puteeërs, Gomer en
Togarma Ezech. 38:1-6; de koning van het Zuiden Jes. 19:1, Dan. 11:4-9, 40-44;
de koningen van de opgang der zon Openb. 16:12. De
dag der wrake Gods: Jes. 30:30; 34:6-8; 59:17; 61:2. Begeleidende
natuurverschijnselen: Joël 2:31; 3:15; Jes. 13:10; Ezech. 38:20, 22; Amos
5:18-20; Zach. 14:6, 7; Openb. 16:18-21. De
oogst der aarde: Openb. 14:14-16. Jeruzalem
als wereldprobleem: Zach. 12:2, 3. Christus’
wederkomst op de Olijfberg: Zach. 14:4. Het
Woord Gods op het witte paard: Openb. 19:11-19. Verbijstering
en verblinding bij de vijanden: Jes. 19:2, 3; Ezech. 38:21; Zach. 12:4, 14:13. De
nederlaag der volken: Jes. 34; 66:15, 16; Ezech. 38:22; 39:4, 5, 9-16; Openb.
19:17-21. Israëls
verlossing: Jes. 9:1-6; 28:21, 22. Christus
Overwinnaar: 2 Thess. 2:8; Openb. 19:11-16, 21; beest en valse profeet in de
vuurpoel Openb. 19:19-21; satan gebonden Openb. 20:1-3. Volkerengericht: Matth.
25:31-46. Armageddon in de typen
De
strijd van Barak tegen Sisera. Zie: Richt. 4 en 5:18-21. Gideon
en de Midianieten: Richt. 6 en 7; Jes. 9:3, 4; 10:24-27; Ps. 83. David
te Baäl-Perazim: Zie 1 Kron. 14:8-17; Jes. 28:2; Jes. 28:14-19; Joël 2:1-8;
3:11. De
rouwklacht van Armageddon: Zie Zach. 12:10-14; 2 Kon. 22:1-20; 23:2-30. ASSUR.
Dit was de eerste hoofdstad van Assyrië ¬, gelegen aan de westoever van de Tigris. Later werd Ninevé de
hoofdstad. In de bijbel wordt de naam Assur dikwijls gebruikt om het Assyrische
rijk aan te duiden, juist zoals wij b.v. spreken van Londen, als we Engeland
bedoelen. Enkele malen wordt Assur genoemd “de koning van het Noorden”, zoals
in profetieën over Armageddon ¬. ASSYRIE.
Dit machtige, oorlogszuchtige rijk bezat tijdens Jesaja zijn grootste
uitgestrektheid. In die tijd grensde het in het westen aan de Middellandse Zee,
in het zuiden aan de Rode Zee en zuidoostelijk aan de Perzische Golf, in het
oosten aan het latere Iran en in het noorden aan de Armenische bergen. Voor
de koninkrijken Israël en Juda heeft de naam Assyrië altijd een grote
verschrikking betekend. Archeologische
vondsten hebben de bijbelse gegevens aangaande dit oude rijk op bijzondere
wijze bevestigd. B
BABYLON
(Hebr. Babel) is oorspronkelijk de stad van Nimrod, “de eerste machthebber op
de aarde” (Gen. 10:18, 9). De stad werd 44 eeuwen geleden gesticht door
koningin Semiramis, die tevens de eerste hogepriesteres is geweest van de
afgodische mysteriën van Babylon. Algemeen
wordt aangenomen, dat in deze mysteriën de oorsprong te vinden is van alle
afgoderij, die zich van daaruit heeft weten te verbreiden over de gehele aarde.
De verdorven Babelcultus werd overgebracht naar Foenicië en daar omgezet in de
verering van de moeder-en-kind-godheid Astoreth en Thammuz. Vandaar ontstond
in Egypte de Isis- en Horuscultus, in Griekenland die van Aphrodite en Eros en
in Italië de aanbidding van Venus en Cupido. Zo werd in minder dan duizend
jaren de grondvorm van de Babylonische mysteriën tot wereldgodsdienst voor al
de volken, die de God des hemels niet vereerden. Ook de Baldienst was
Kanaänitische vorm van de Babyloncultus, waarmede zelfs Juda besmet is geweest. In
het werk van Hyslop: “The two Babylons”, worden interessante bijzonderheden
vermeld aangaande de Babelcultus. Zo ontdekte de schrijver daarin vormen als
die van een soort vagevuurloutering na de dood, sacramentele absolutie door de
priester, gebruik van heilig water, verering van en offers aan de koningin des
hemels (zie Ier. 7:18 en 44:1719). Ook
in de jonge christelijke kerk ontstonden in elementaire en aangepaste vorm
dezelfde afwijkingen en het is best mogelijk, dat die uiteindelijk te wijten
zijn aan het principe der Babylonische mysteriën. In ieder geval deden heidense
filosofieën hun invloed in de kerk gelden, waardoor de waarheid van de bijbel
in zekere mate werd verduisterd en de deur open ging voor allerlei bijgeloof en
afgoderij. Zo
mag Babylon terecht in de bijbel genoemd worden: “de moeder van de hoeren
(afgoden) en der gruwelen (afgoderij) der aarde” (Openb. 17:5). Haar geestelijk
nakomelingschap is nog altijd over de gehele wereld verspreid en blijft actief,
totdat een oordeel Gods aan Babylon een verschrikkelijk einde maakt (Openb.
18). De
oude stad is al vele eeuwen geleden verwoest, maar de bijbel wijst een nieuw
Babylon aan, waarin echter de beginselen van het oude worden voortgezet. In
Openb. 17:9 wordt zelfs een geografische aanduiding gegeven, waar men deze stad
kan vinden. Zij is gebouwd op zeven bergen en moet dus Rome zijn, omdat deze
stad inderdaad op zeven heuvelen is gebouwd. Nu
is het niet juist om hierin een aanwijzing te zien, als zou met dit Babylon
alleen de Roomse kerk zijn bedoeld. Veeleer moet worden gedacht aan een conglomeraat
van godsdiensten, die niet steunen op het woord der Schrift en andere objecten
van verering en aanbidding hebben dan de drie-enige God alleen. Wordt met het
apocalyptische Babylon dus ongetwijfeld heel de afvallige kerk bedoeld - onder welke
naam die ook existeert - toch zien we de Roomse kerk in de beschrijving van de
vrouw op het beest duidelijk een voorname plaats innemen (zie Openb. 17:1-6).
Opmerkelijk is b.v. dat de Roomse kerk pretendeert de “moederkerk” te zijn. Ook
vragen we ons af, waar zoveel scharlaken, goud, edelgesteenten en parels gevonden
worden, als juist in de kerk van Rome. En dan die gouden beker “vol gruwelen en
de onreinheden van haar hoererij”; die de vrouw in haar hand houdt. Wie denkt
daarbij niet aan de gouden monstrans, zoals die bij de mis door de priester ter
aanbidding wordt opgeheven, ten overstaan van de gelovigen? Bevindt zich in
deze beker niet de “geconsacreerde” hostie, die toch niet meer dan een
doodgewone ouwel is. De Heidelbergse Catechismus heeft de aanbidding daarvan
veroordeeld als “een vervloekte afgoderij”, maar dat te zeggen behoort tegenwoordig
in vele protestantse kringen niet meer tot de goede toon. Vooral niet, omdat
dit de aanpapperij met Rome in de weg kan staan. Maar het blijft nipt minder
waar, dat het knielen voor zo’n stukje brood een gruwelijke afgoderij is. De
vrouw op het beest was dronken van het bloed der heiligen en van de getuigen
van Jezus. Wie kan ontkennen, dat de Roomse kerk schuldig is aan het bloed van
vele duizenden gelovigen, die de marteldood gestorven zijn onder de beulshanden
der Inquisitie? Het
zij verre van ons, om in hetgeen wij hierboven schreven, een oordeel te vellen
over Rooms-katholieke mensen. Hieronder bevinden zich ongetwijfeld veel broeders
en zusters, die ofschoon zij in vele opzichten te goeder trouw dwalen, de Here
Jezus van harte liefhebben. Ook wordt nogmaals herhaald, dat het Babylon van de
eindtijd niet alleen de r.k. kerk zal zijn, doch veeleer een vereniging van
kerken, waarin Jezus Christus niet de eerste plaats inneemt, maar gedevalueerd
is tot een soort ethisch begrip, om tenslotte, als niet meer overeenkomende met
de nieuwe levens- en wereldbeschouwing, buiten de deur der kerk te worden gezet
(Openb. 3:20). Het
oordeel over Babylon zal vreselijk zijn. Een geheel hoofdstuk van het boek
Openbaring is aan de beschrijving daarvan gewijd. De val van Babylon zal op één
dag plaatsvinden en een verschrikkelijke uitwerking hebben op de inwoners der
aarde (Openb. 18:8). Doch terwijl alom zal worden geweeklaagd en rouw bedreven,
weerklinken in de hemel geweldige Halleluja’s en wordt aldaar “Het lied op de
val van Babylon” gezongen. Vreugde vooral onder de martelaren, omdat God “hun
rechtszaak heeft berecht” (Openb. 18:20). BAZUINEN (® Zeven bazuinen). BEDELINGEN. De
bijbel verdeelt “de tijd”; d.w.z. de gehele periode vanaf de schepping van Adam
tot de nieuwe hemel en aarde, in zeven zogenaamde “bedelingen” van ongelijke
duur. Vijf daarvan zijn reeds voorbijgegaan, in de zesde leven wij en de zevende
moet nog komen. Het is “Gods plan der eeuwen”, waarvan wij de tijdperken
(aionen) als volgt kunnen onderscheiden: 1.
Bedeling der onschuld (vanaf Adam tot de uitdrijving uit Eden). 2.
Bedeling van het geweten (vanaf de uitdrijving uit Eden tot aan de zondvloed).
Duur 1655 jaar. 3.
Bedeling van de menselijke heerschappij (vanaf de zondvloed tot aan de
Babylonische spraakverwarring). Duur 325 jaar. 4.
Bedeling der belofte (van Abraham tot uittocht uit Egypte). Duur 430 jaar. 5.
Bedeling der Wet (van uittocht uit Egypte tot aan de kruisiging van Christus).
Duur 1635 jaar. 6.
Bedeling der genade; de huidige bedeling (van kruisiging van Christus tot de
opname der Gemeente). Duur niet bekend, doch mogelijk ± 2000 jaar. 7.
Bedeling van het Koninkrijk van Christus (vanaf de Wederkomst des Heren tot aan
de ontbinding van satan). Duur 1000 jaar. BEELD VAN HET BEEST
(Openb. 13). Terwijl de apostel Johannes zich als banneling op het eiland
Patmos ¬ bevindt, ziet hij in één van zijn visioenen achtereenvolgens twee
beesten verschijnen. Het eerste komt op uit de zee en symboliseert het
herstelde Romeinse rijk ¬ en
tevens de persoon van de antichrist ¬,
terwijl het tweede beest een voorstelling is van de valse profeet ¬ en uit de aarde oprijst. Door de valse profeet zal van het eerste
beest een beeld worden vervaardigd, dat in Dan. 12:12 en in Matth. 24:15 wordt
genoemd “de gruwel der verwoesting, staande op de heilige plaats”. Deze heilige
plaats kan geen andere zijn dan de voorhof of misschien zelfs wel het Heilige
der heiligen van de tempel te Jeruzalem. Door
wie weet welke occulte satanskracht wordt aan dit beeld “een geest” gegeven,
zodat het tot verbazing van heel de wereld zelfs in staat is tot spreken. Dan
zullen alle inwoners der aarde een oproep krijgen om voor het beeld te
Jeruzalem (of mogelijk een afgietsel daarvan op diverse plaatsen) te
verschijnen, teneinde zich daarvoor te buigen en het beest te aanbidden. Het
zal de meeste mensen niet moeilijk vallen een geniaal wereldleider als de
antichrist zal blijken te zijn, goddelijke eer te bewijzen, temeer daar hij
over zulke krachten weet te beschikken, dat hij zelfs dode stof kan laten
spreken. Maar
wee hen, die zullen weigeren het beest te aanbidden! Op gruwelijke wijze
zullen zij worden vervolgd en om het leven gebracht worden. Maar zij worden opgewekt
en Johannes ziet de martelaren in een ontelbaar aantal staan voor de troon van
God en het Lam. Ze zijn bekleed met het witte gewaad der gerechtigheid en
hebben de palmtakken der overwinning in de hand (Openb. 7:9-17). Gekomen uit de
grote verdrukking, mogen zij nu staan voor Gods troon en Hem dag en nacht vereren
in Zijn tempel. Hij Zelf zal hen weiden en voeren naar waterbronnen des
levens. Zij
die aan het bevel tot aanbidding van het beeld gehoor geven, ontvangen op hun
rechterhand of voorhoofd een merkteken, dat hen met lijf en ziel verbindt aan
de antichrist en in hem aan de draak ¬, de
satan. Zij zijn daardoor voor eeuwig verloren en hun deel zal zijn in de poel
van vuur en zwavel. BEER (® Vier dieren uit de zee). BEEST UIT DE ZEE
(Openb. 13:1-10). In de bijbel is de zee ¬ heel dikwijls het zinnebeeld van de onstuimigheid der volken, die
evenals de zee vaak in heftige beroering zijn. Zie Openb. 17:15; Jes 17:12-13;
57:20. Aan het strand van Patmos ¬
krijgt Johannes een gezicht, waarin hij een monsterlijk beest uit de zee ziet
opkomen. Het had zeven koppen en de gedaante van een luipaard, maar met de
poten van een beer en een muil als die van een leeuw. Verder ziet Johannes, dat
het beest tien horens heeft, die elk voorzien zijn van een kroon. De satanische
afkomst van het monster blijkt uit de namen van godslastering, zoals die op de
zeven koppen geschreven staan. Vergeleken
roet Daniël 7 toont de beschrijving in Openb. 13 aan, dat er veel overeenkomst
bestaat tussen het beest door Johannes gezien en de vier dieren, die Daniël
achter elkaar uit de zee zag opkomen. Het eerste daarvan was een leeuw met
arendsvleugelen (het Babylonische rijk); het tweede gelijk een beer (het Medo-Perzische
rijk) ; het derde een luipaard met vier koppen en vier vogelvleugels (het
Grieks-Macedonische rijk). Wat het vierde dier betreft, het is niet moeilijk de
geaardheid daarvan, verenigd met die van de andere drie dieren, terug te vinden
in het ene beest, dat door Johannes wordt beschreven. In betekenis is het beest
uit Openbaring gelijk aan het vierde dier uit Daniël 7, waar beide dieren
symbolen zijn van het Romeinse rijk ¬.
Zowel bij Daniël als bij Johannes blijkt, dat dit Romeinse rijk in zijn
eindvorm zal bestaan uit een tienlanden-confederatie, welke zal worden beheerst
door een machthebber, in Daniël voorgesteld als “de kleine horen”. Op de kop
van het vierde dier bevonden zich namelijk tien horens, temidden waarvan een
kleine horen was opgerezen, die drie andere zou uitrukken en ten val brengen.
De kleine horen zelf zal uitgroeien tot de grootste machthebber van allen en
zich in de eindtijd openbaren als de vleesgeworden satan, de antichrist ¬. Voor een nadere omschrijving van Daniëls visioen leze men de artt.
“Vier dieren uit de zee” en “Statenbeeld”. Voor
hen, die moeite hebben het Romeinse rijk, dat toch reeds lang geleden is
ondergegaan, nochtans als toekomstig wereldrijk te beschouwen, moge de uitleg
van de engel aan Johannes voldoende zijn, waar deze zegt: “Het beest dat gij
zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten
verderve” (Openb. 17:8). In hetzelfde vers wordt nogmaals gezegd, dat “het was
en niet is en er toch zal zijn”. Hoe raadselachtig deze uitleg ook mag schijnen,
bij nadere beschouwing is het duidelijk, dat hier sprake is van een herleving
van het Romeinse rijk, dat er inderdaad is geweest, maar later onderging in de
afgrond der volkerenzee. Toch is het niet dood en het huidige woelen der zee,
die steeds onstuimiger wordt, duidt aan, dat dit rijk bezig is in herstelde
vorm weer op te komen uit de afgrond, om daarna zijn grootste maar laatste rol
te kunnen spelen op het wereldtoneel. De
verklaring van de engel wijst er op, dat de macht van het herstelde Romeinse
rijk niet van lange duur zal zijn. In één adem wordt gezegd: “het zal opkomen
uit de afgrond en het vaart ten verderve”. De heerschappij van het beest zal
dan ook niet langer duren dan zeven jaren (® jaarweken). Uit
alles blijkt echter, dat in dit beest niet alleen het Romeinse rijk wordt
gesymboliseerd, maar ook zijn dictator, namelijk de antichrist ¬. Deze figuur zal zijn aanstelling als hoofd van dit rijk en de
benodigde macht daartoe ontvangen van de draak ¬, dit is de duivel zelf (Openb. 13:3). Vooral de tweede helft van zijn
machtsperiode zal zich kenmerken in een voortdurend lasteren van Gods Naam en
van alles wat heilig is (13:5, 6). Met nietsontziend geweld zal hij optreden
tegen allen, die de Naam des Heren aanroepen en zich niet willen buigen voor
het beeld van het beest ¬.
Maar velen zullen getrouw blijven tot de dood en daarvoor de kroon des levens
ontvangen. Het zijn de overwinnaars van het beest en zijn beeld en terwijl over
de aarde de schalen van de gramschap Gods worden uitgegoten, vinden wij hen
aan de oevers van de glazen zee ¬,
waar zij het lied van Mozes en het Lam zingen (Openb. 15:1-4). Overigens
zal de populariteit van het beest uitgroeien tot een zo afgodische verering,
dat hij in de werkelijke zin van het woord als een god zal worden aangebeden. Wat
de zeven koppen van het beest betreft, daarvan geeft Openb. 17:9 de verklaring.
Op die Schriftplaats wordt gezegd, dat de zeven koppen zeven bergen zijn,
waarop de stad Babylon ¬ is
gebouwd. Dit Babylon wordt voorgesteld als een hoer, met een wereldomvattende
praktijk. Zij zetelt op het beest met de zeven koppen en de tien horens, ten
bewijze, dat zij behoort tot het Romeinse rijk en haar domicilie heeft te Rome,
de stad op de zeven bergen (Openb. 17:9). Het blijkt, dat zij later door
hetzelfde imperium zal worden uitgeschakeld, als haar betekenis voor de
doeleinden van de antichrist van geen belang meer is. Dan wordt de hoer
eenvoudig geliquideerd en het Babylon der mysteriën aan het vuur prijsgegeven.
Het zal een vreselijk oordeel zijn, voor de voltrekking waarvan God het beest
zal gebruiken. Voor nadere bijzonderheden betreffende de “vrouw op het beest”;
zie art. Babylon. In
Openb. 16:13 komen uit de bek van het beest, uit de mond van de valse profeet ¬ en uit de muil van de draak ¬ drie
duivelsgeesten te voorschijn, die er op uit worden gestuurd om de wereld te
mobiliseren tot de grote eindstrijd van Armageddon ¬. In 19:17-21 vinden we de legers van het beest verzameld en in slagorde
opgesteld tot de oorlog tegen Christus en de hemelse heerscharen. Dit alles zal
echter uitlopen op de glorieuze overwinning van Jezus Christus, waarbij de
wereldmachten zullen worden vernietigd en het beest en zijn valse profeet
worden geworpen in de eeuwige poel des vuurs. BEEST UIT DE AARDE (® Valse profeet). BILEAM was
een heidense ziener, waarschijnlijk afkomstig uit Mesopotamië. Door de
Moabitische koning Balak gestuurd om een vloek uit te spreken over Israël, werd
hij daarin echter door God verhinderd en integendeel gedwongen het volk te
zegenen (Num. 22 en 23). Volgens
Num. 31:8, 16 werden de kinderen Israëls door Bileam aangezet tot zondigen en
ongehoorzaamheid tegen God. Deze “Bileamsleer” heeft feitelijk de eeuwen door
stand gehouden en we zien haar zelfs doorgedrongen in de gemeente van Pergamum,
waar sommigen poogden aan te zetten tot het eten van afgodenoffers en te
hoereren (Openb. 2:14). In
judas: 11 is sprake van “bileamsloon” (vgl. Num. 22:16) en in 2 Petr. 2:15 van
“de weg van Bileam, die het loon der ongerechtigheid liefhad”. BOEK. In
bijbelse tijden had het boek de vorm van een rol, gemaakt van aan elkaar
geplakte stroken papyrus of van perkament. De boeken werden kolomsgewijze
beschreven en op stokjes opgerold. Hoewel
op verschillende plaatsen in de bijbel sprake is van boeken, willen we ons in
dit artikel slechts bepalen tot die, welke direct of indirect verband houden
met profetische onderwerpen. Boek des levens
In
Ps. 69:29 en Dan. 12:1 wordt melding gemaakt van het “boek des levens”, dat in
de hemel wordt bijgehouden en de namen bevat van hen, die het eeuwige leven
zullen beërven. Ook
in het N.T. wordt meerdere malen over dit hemelse register gesproken, zoals
b.v. in Luk. 10:20; Fil. 4:3; Hebr. 12:23 en Openb. 3:5. Het “boek des levens
van het Lam”; genoemd in Openb. 21:27 kan gevoegelijk worden beschouwd als de
“burgerlijke stand” van het Nieuwe Jeruzalem ¬. Gerichtsboeken
Zo’n
boek vinden we voor het eerst vermeld in Dan. 7:10, waar de vierschaar zich
nederzet en de boeken worden geopend, aan de hand waarvan de volken worden
gericht. In Matth. 25:31-46 wordt dit gericht, dat zal plaats hebben na de
nederlaag van het Armageddon ¬ der
volken, nader omschreven. Ook
het boek waarvan sprake is in Openb. 5:1-14 is een gerichtsrol, een
oordeelsboek, dat op de Dag des Heren ¬ zal
worden geopend door het Lam, dat alleen daartoe waardig is. De opening van het
boek, dat verzegeld is met zeven zegels, zal vreselijke gevolgen hebben voor
de aarde en haar bewoners. Andere gerichtsboeken worden geopend bij het laatste
oordeel ¬, zoals vermeld in Openb. 20:11-15. Als de algemene opstanding der
doden heeft plaats gehad, worden zij gedaagd voor de Grote Witte Troon ¬, om aan de hand van de boeken te worden geoordeeld naar hun werken. Ook
het boek des levens wordt dan geopend en allen, wier namen daarin niet
geschreven staan, worden geworpen in het eeuwige vuur van de hel. Geopend boek
(Openb. 10:1-11) In
de tijd van de grote verdrukking ¬,
tijdens een korte pauze in de lange reeks van oordelen, die door God over de
aarde worden uitgestort, verschijnt een sterke engel uit de hemel, die aan de
aarde een machtige boodschap proclameert. Het
was een machtige verschijning en Johannes ziet, hoe deze als teken van
inbezitname zijn ene voet plaatst op de zee en de andere op de aarde. De beschrijving
van die engel getuigt van zo grote heerlijkheid en majesteit, dat in Hem
niemand anders kan worden gezien, dan de persoon van de Here Jezus Zelf. Zijn
verschijning ging gepaard met zeven donderslagen ¬ van grote zwaarte. Deze verkondigden elk op zichzelf een hemelse
boodschap, die echter door Johannes niet mocht worden opgeschreven. Als de
laatste donderstem is weggerold, neemt de Engel het woord en zweert bij God,
dat er geen uitstel meer zal worden gegeven voor het klinken van de laatste oordeelsbazuin,
waarmede tevens de laatste verborgenheden der profetieën zullen worden
verklaard (10:7). In
dit visioen valt de aandacht bijzonder op een boekje, dat zich in de hand van
de Engel bevindt. In tegenstelling met het gesloten en verzegelde boek uit
Openb. 5, is dit echter geopend. De
inhoud van dit boek wordt niet vermeld. De meningen daaromtrent lopen nogal
uiteen. Sommigen denken, dat dit het boek Daniël is, dat indertijd door de profeet
moest worden verzegeld “tot de tijd van het einde”; doch dat thans geopend is.
Persoonlijk acht ik het niet uitgesloten, dat dit boekje speciale opdrachten bevatte
voor Johannes, verband houdende met zijn “wederom profeteren over vele natiën
en volken en koningen” (10:11) ; dit temeer, omdat hem bevolen wordt het boekje
op te eten en zich er als het ware mee te vereenzelvigen. Dit opeten had op
Johannes enerzijds een zoete, anderzijds een bittere uitwerking. Mogelijk zag
hij in de inhoud van het boek de dageraad aanbreken van een gouden toekomst
van de wederoprichting aller dingen, maar werd de vreugde van deze verwachting
overschaduwd door de aankondiging van de vreselijke oordelen en toestanden, die
daar nog aan moeten voorafgaan. Ook
wij hebben in de bijbel een boek van God ontvangen, dat wij “op moeten eten”.
Het opent ons wijde horizonten tot een eeuwig, gelukzalig leven, maar bevat
tevens de geopenbaarde wil van God en de opdracht om die te volbrengen, ook in
de verkondiging van het Evangelie van Gods genade in Jezus Christus. Wat doet u
met die opdracht, nu het nog is “het heden der genade”? BOK (® Ram en geitenbok). BOOM DES LEVENS.
Dit is één van de twee met name genoemde bomen, die in het midden van de hof
van Eden stonden (Gen. 2:9). Het eten van die boom zou onsterfelijkheid hebben
geschonken aan het eerste mensenpaar. Door de zondeval werd de mens echter uit
het Paradijs verdreven, waarmede het hem tevens onmogelijk werd gemaakt te eten
van de boom des levens. Doordat de weg naar de boom des levens werd afgesneden,
is ook Adams nageslacht gedoemd te sterven, tenzij de mens wordt wedergeboren
door de Heilige Geest, waardoor hij een geheel nieuw leven ontvangt. In
Openb. 2:7 is opnieuw sprake van de “boom des levens”; die echter niet meer
gevonden wordt in het verloren paradijs, maar dan zal staan in het paradijs
Gods”. Dit moet een plaats zijn van grote heerlijkheid en eeuwig leven, waar
alleen zij de vruchten van dat geboomte mogen genieten, die door het geloof
delen in de overwinning van Jezus Christus en gered zijn door het bloed van het
Lam. In
Openb. 22 vinden we een machtige beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem ¬. Daar staat niet alleen een boom des levens midden op de gouden straat
van de stad, maar ze worden ook gevonden ter weerszijden van de rivier, die
ontspringt uit de troon van God en van het Lam. Dit geboomte zal van maand tot
maand vrucht dragen en een overvloed geven van eeuwig, zalig leven. BOZRA
(“ontoegankelijke plaats”) was destijds de hoofdstad van Edom, gelegen in het tegenwoordige
Jordanië, ten Z.O. van de Dode Zee ¬.
Opgegraven ruïnen herinneren nog heden aan profetieën, als genoemd in Jer.
48:24 en 49:13-22. In
Jesaja 63:1-6 wordt over Bozra geprofeteerd als over de plaats van waaruit een
majesteitelijke figuur komt voortgeschreden in fierheid en met grote kracht.
Zijn rode prachtgewaad, waarschijnlijk een purperen mantel, getuigt van
koninklijke waardigheid. De
anonieme figuur uit Jesaja is ongetwijfeld dezelfde persoon als beschreven
wordt in Openb. 19:11-16, waar deze verschijnt als een Ruiter op een wit paard.
Hier draagt Hij echter een naam, namelijk “Woord Gods, Getrouw en Waarachtig”.
Op beide Schriftplaatsen wordt vermeld, dat het kleed van deze figuur met bloed
is bespat en dat dit bloed afkomstig is uit de persbak van de wijn van de toorn
Gods. Het
is niet moeilijk te ontdekken, dat wij hier in beide gevallen te doen hebben
met de persoon van Christus, die als Overwinnaar tevoorschijn treedt uit het
“Armageddon” ¬ der volken. In deze eindoorlog zal de Here definitief afrekenen met de
heerlegers van de goddeloze wereldmachten en zal Hij de satan, de “overste
dezer wereld” voorgoed onttronen. Zonder enige aardse hulp zal Hij Zijn
vijanden vertrappen (Jes. 63:3) en zich een Wreker betonen van alle
ongerechtigheid en boosheid. Maar voor het volk Gods zal Hij Zich op heerlijke
wijze openbaren als hun Verlosser en Koning. BRUID/BRUIDEGOM. In
het O.T. vinden we meermalen de verhouding van God tot het volk Israël
voorgesteld als die van een man tot zijn vrouw (® Hosea 1-3). In dezelfde geest kunnen wij in het N.T. de Gemeente
ontdekken als de bruid van Christus. In het O.T. was de Gemeente nog een
verborgenheid, maar toch wordt daarin de verhouding Bruidegom/bruid schoon
getypeerd. Het gehele Hooglied b.v. kan gelezen worden als een bruiloftslied,
waarin de liefde van Christus tot Zijn Gemeente en haar wederliefde tot Hem
wordt bezongen. In 2
Cor. 11:2 zegt Paulus over de Gemeente te willen waken, om haar “als een reine
maagd voor Christus te stellen”. Met
de “opname der Gemeente” ¬,
zoals die beschreven is in 1 Thess. 4:13-18, zullen Bruidegom en bruid elkander
in de lucht ontmoeten, om vanaf dat moment voor altijd verenigd, tezamen de
hemelse bruiloftszaal binnen te gaan. Als de bruiloft ¬ heeft plaats gehad (Openb. 19:6-10), is de Gemeente geworden “de Vrouw
des Lams” en wordt zij aan Johannes getoond als het “Nieuwe Jeruzalem” ¬, dat hij uit de hemel ziet nederdalen (Openb. 21:9, 10). Een
prachtig type van wat wij hierboven omschreven, wordt ons gegeven in de
Oudtestamentische geschiedenis van Izak en Rebekka. Eliëzer wordt door Abraham
uitgezonden naar een vreemd land, om daar een vrouw te werven voor zijn zoon
Izak. Zo heeft God de Heilige Geest naar de aarde gezonden, als Bruidswerver
voor Zijn Zoon, Jezus Christus. Onnodig te zeggen, dat Rebekka in deze
geschiedenis het type is van de Gemeente. Nu reist de Gemeente echter nog haar
Bruidegom tegemoet en wordt zij door de Heilige Geest toebereid om Hem straks
in de lucht te ontmoeten. Vol verlangen ziet zij uit naar het ogenblik, dat zij
haar Bruidegom zal mogen zien in al Zijn schoonheid. Vanaf dat ogenblik zal zij
geheel aan Hem gelijk wezen (1 Joh. 3:2). “En
de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort zegge: Kom! En wie dorst
heeft kome, en wie wil neme het water des levens om niet” (Openb. 22:17). BRUILOFT DES LAMS
(Openb. 19:6-10). Het is goed om in te zien, dat deze zal plaats vinden na de
opname der Gemeente ¬ en vóór de wederkomst des Heren ¬ in heerlijkheid. In
vs 9 wordt ook gesproken over het bruiloftsmaal des Lams, waar ongetwijfeld
verschillende categorieën zullen aanzitten. Zo is daar allereerst de Bruidegom
(Christus) met Zijn bruid (de Gemeente). Vervolgens zijn er de “vrienden van de
Bruidegom” (Joh. 3:29), waartoe b.v. Johannes de Doper zichzelf rekende. Deze
vrienden kunnen we dus beschouwen als de Oudtestamentische heiligen, die -
hoewel niet behorende tot de bruidsgemeente - toch als vrienden zullen delen
in de vreugde van de bruiloft. Tenslotte
lezen we in Openb. 19:9 over een vierde categorie, namelijk “de genodigden tot
het bruiloftshaal des Lams”. Deze groep kan noch tot de bruid, noch tot de
vrienden van de Bruidegom gerekend worden, doch bestaat mogelijk uit de gezaligden,
die gekomen zijn uit de grote verdrukking ¬ (Openb. 7:9-14). Zo
zullen deze allen straks tezamen in gelijke mate deel hebben aan het grote
bruiloftsfeest, waarbij de halleluja’s als zware donderslagen door de hemel
zullen weergalmen (Openb. 19:1). C
CHERUB (® Engelen). CHILIASME.
Leer van het “duizendjarig rijk” ¬,
omschreven in Openb. 20. Het woord “chiliasme” is afgeleid van het Griekse
“chilias” = duizend, en wordt door de kerk gebruikt als aanduiding van een
leer, die door haar wordt afgewezen. De
zgn. “chiliasten” houden vast aan de letterlijke betekenis van wat geschreven
staat in Openb. 20, betreffende de vestiging van een duizendjarig rijk na de
val van de antichrist ¬ en
de valse profeet ¬ en na de binding van satan. Zij geloven, dat dan het Vrederijk van
Christus op aarde zal aanbreken, waarbij fit)* plaats neemt op de troon van
Zijn vader David, om vanuit Jeruzalem de wereld te regeren met recht en
gerechtigheid (Jes. 9:6). Het getal duizend wordt in de eerste zeven verzen
van Openb. 20 niet minder dan zes keer genoemd. Toch wordt de letterlijke
betekenis van dit woord eenvoudig weggevaagd door het aanvoeren van de bekende
tekst uit 2 Petr. 3:R, waar staat “dat één dag bij de Here is als duizend jaar
en duizend jaar als één dag”. Dit is echter “eeuwigheidstaal”; zoals die in de
hemel past, maar in Openb. 20 gaat het duidelijk om wat geschieden zal “in de
tijd”. Bij de Here is duizend jaar als één dag, maar bij de Ziener van Patmos
en zijn lezers is duizend jaar duizend jaar. Wat
bij de tegenstanders van het chiliasme voorop staat, is de vergeestelijkingstheologie
van Origenes en Augustinus, welke kerkvaders met hun fantasierijke allegorisering
van vele profetieën het verstaan daarvan vrijwel onmogelijk hebben gemaakt. De
“chiliasten” zijn echter met hun letterlijke opvatting van een duizendjarig
rijk in goed gezelschap met de gelovigen van de eerste twee eeuwen, die er
evenmin moeite mee hadden. We weten uit de kerkgeschiedenis, dat ook de eerste
kerkvaders, als Barnabas, Clementius, Papias, Polycarpus “chiliasten” waren.
Het is wel droevig, dat men de bijbelse grond heeft verlaten om de incest ongerijmde
stellingen te aanvaarden. Zo zou b.v. het duizendjarig rijk zijn aangevangen
met de eerste Romeinse christenkeizer Constantijn de Grote (274-337) en vanaf
die tijd nog steeds voortduren. Daar die periode de tijd van duizend jaar reeds
ver heeft overschreden, is het duidelijk, dat het getal duizend moest worden geëlimineerd. Mochten
de ogen van hen, die nog altijd de kerk zien als het rijk Gods op aarde, nog
eens opengaan voor de geweldige perspectieven, die het profetische woord biedt
aangaande het Koninkrijk van Christus, welks komst met zich mee zal brengen de
wederoprichting aller dingen ¬. D
DAG. Dit
kan zijn: a. een etmaal van 24 uur; b. de tijd tussen zonsopgang en
-ondergang; c. een tijdruimte van soms lange duur. Zo wordt bijv. de grote
verdrukking ¬ in Jer. 30:7 genoemd: “een dag zonder weerga; een tijd van benauwdheid
voor Jakob”. Hetzelfde geldt voor termen als: Dag des Heren ¬, dag des oordeels, dag der wrake enz. Daarbij moet eveneens worden
gedacht aan perioden van langere duur. DAG DES HEREN.
Bij “Dag des Heren” denken vele mensen uitsluitend aan de zgn. jongste dag, de
dag van de algemene opstanding der doden ten oordeel. Dit is echter onjuist,
want de Dag des Heren omvat heel de periode, die, aanvangende na de opname der
gemeente ¬ duurt tot en met het laatste oordeel. Het is de “dag der wrake”, die
volgt op de “dag der genade” (Jes. 61:2). Want na het “aangename jaar des
Heren” komt “de dag, brandende als een oven” (Mal. 4:1). Gedurende
de tijd van de antichrist ¬,
waarin de ongerechtigheid der mensen haar toppunt zal bereiken, gaat God de
aarde tuchtigen met een groot aantal gerichten. Daarop volgt dan de laatste grote
wereldoorlog, bekend als het Armageddon ¬, waaraan door Christus bij Zijn wederkomst een vernietigend einde zal
worden gemaakt. Na het volkerengericht ¬ in het Dal van Josafat ¬
volgt dan het Duizendjarig Rijk ¬ van
Christus, aan het einde waarvan de satan, voor een korte tijd losgelaten, zijn
laatste opstand ontketent tegen de Here en Zijn Gezalfde. Als aan deze laatste
poging van satan door vuur van de hemel een vreselijk einde is gemaakt, volgt
de dag des oordeels. Ook de gehele schepping valt onder het oordeel Gods en
hemel en aarde zullen door vuur vergaan. Dit
alles ligt in het begrip “Dag des Heren” besloten. Daarna volgt de “Dag Gods”;
de dag der eeuwigheid, waarin de beloften vervuld zullen zijn van nieuwe hemelen
en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petr. 3:12, 13), en God zal
zijn alles en in allen (1 Cor. 15:28). Meer profeten hebben over de Dag des Heren
geschreven, zoals o.a.: Amos. Deze noemde hem een
verschrikkelijke dag van duisternis en angst (Amos 5:18-20). Jesaja voorzegt de komst
van een Dag des Heren, die zich zal keren tegen al wat hoogmoedig en trots is
(2:12). In 13:6-16 ziet hij die dag naderen als “een verwoesting van de
Almachtige”; om de aarde tot een woestenij te maken en de zondaars te
verdelgen. Verder geeft de profeet een beschrijving van de angstwekkende
natuurverschijnselen en de vreselijke rampen, die op de grote Dag zullen
plaatsvinden, en van de onhoudbare toestanden, waarin de mens dan zal leven. Micha noemt die Dag een
bezoeking, vol ontzetting. Hij overziet in 7:46 de toekomst van Israël. In een
profetische blik schouwt hij de toestanden, zoals die zullen zijn ten dage van
de grote verdrukking ¬ tijdens
de antichrist ¬, waarbij uit angst en wanhoop zelfs naaste familieleden elkander
zullen verraden. Zefanja beschrijft eveneens
de Dag des Heren als een dag van verbolgenheid en benauwdheid, van vernieling
en duisternis, van bazuingeschal en krijgsgeschreeuw (1:14-16). Ezechiël noemt die Dag “het
uur der volken”; in verband met de eindcrisis van Armageddon ¬, waarbij de wereld zal weten, dat God de Here is (30:3-12). In het
N.T. handelt bijna het gehele boek Openbaring over de Dag des Heren. Ook Paulus
spreekt daarover in 1 Thess. 5:2-11, waar hij ernstig oproept tot grote
waakzaamheid, omdat die Dag zal komen als een dief in de nacht. Het is van het
grootste belang, lieve lezer, om dit appèl van de apostel niet te negeren, maar
u af te vragen, in hoeverre er voor u persoonlijk misschien reden is, om de Dag
des Heren met vreze en beven tegemoet te zien. Denkt u die Dag mee te moeten
maken, of weet u zich voor die tijd geborgen in de schuilplaats des
Almachtigen, waar geen oordeel kan deren? Nòg
is het de Dag der Genade, maar ook hierover daalt reeds de schemering van de
komende nacht der verschrikking en weldra is de genadetijd voleindigd. Het
kind van God verwacht spoedig het aanbreken van de gouden morgenstond, de opname
der gemeente ¬ (1 Thess. 4:13-18), waardoor hij bewaard zal worden voor de Dag des
Heren, die over de aarde zal komen. Voor hen, die niet het eigendom van
Christus zijn, breekt dan de nacht aan van oordelen en verschrikkingen, van
wening en knersing der tanden. Men vraagt: “Wachter, wat is er van de nacht?”
Het antwoord luidt: “De morgen komt en ook de nacht!” (Jes. 21:11, 12). Hoor
wat de profeet zegt: “Komt tot uzelf, ja, komt tot inkeer, voordat het besluit
tot uitvoering komt, voordat over u komt de dag van de brandende toorn des
Heren . . . Zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult gij geborgen
worden op de dag van de toorn des Heren” (Zef. 2:1-3). DAG DES OORDEELS (® Dag des Heren). DAG DER WRAKE ONZES GODS (® Dag
des Heren). DAL. Een bergland als
Israël heeft uit de aard der zaak ook vele dalen. In de bijbel worden er verscheidene
genoemd, die een rol hebben gespeeld in Israëls geschiedenis, zoals het dal
Achor, het dal van Ajalon enz. In
het profetisch woord wordt voor de toekomst vooral het “Dal van Josafat” ¬ van grote betekenis geacht. Dal der beslissing Onder
deze naam wordt in Joël 3:14 begrepen het Dal van Josafat ¬. Dal des dorswagens
Oude
vertaling van Dal der beslissing ¬. Dal van het gezicht
Dit
dal wordt genoemd in het opschrift van Jes. 22, waarschijnlijk naar aanleiding
van het vijfde vers. In dit dal ontving Jesaja een visioen over het oordeel op
Jeruzalems lichtzinnigheid. Welk dal onder deze naam moet worden begrepen, is
niet bekend. Dal van Josafat
Dit
dal wordt in Joël 3:2, 12 aangegeven als de plaats, waar na de wederkomst des
Heren ¬ en na de slag van Armageddon ¬ het
volkerengericht ¬ zal plaatsvinden. Over de ligging van dit dal wordt verschillend
gedacht. Vroeger meenden velen het te moeten zoeken op de Vlakte van Jizreël ¬, in de nabijheid van de stad Megiddo ¬, maar tegenwoordig wordt het zowel van Joodse als van christelijke
zijde vrijwel zeker geacht, dat men hier moet denken aan het Kidrondal, met
name liet gedeelte, dat zich bevindt bij de oostmuur van Jeruzalem, ter hoogte
van de Gouden Poort. In
deze tijd bevindt zich daar een grote begraafplaats, waar zich rijke Joden uit
alle delen der wereld laten begraven, omdat naar hun mening daar de opstanding
der doden zal beginnen. Zie
verder het artikel “Volkerengericht”. DAN, STAM VAN DAN.
Dan was de zoon van Jakob en Rachels slavin Bilha (Gen. 30:5 vv). Zijn naam
betekent: Hij heeft recht verschaft. Dans nakomelingschap vormde een stam, die
zich vestigde in het uiterste noorden van Kanaän. Volgens
Richteren 18 heeft deze stam zich voortdurend schuldig gemaakt aan
God-onterende afgoderij, waarbij de gouden stier en andere heilige voorwerpen
van de oorspronkelijke Kanaänieten werden vereerd. De Danieten hadden daarvoor
een permanent heiligdom opgericht, waaraan zelfs koning Jerobeam eer bewees,
door er een gouden stierkalf te plaatsen (1 Kon. 12:25-32). Volgens
Deut. 29:18-21 moest al wat zich van God afkeerde en heidense goden diende,
uit de stammen Israëls worden afgevoerd, “ten verderve”. Dit is ongetwijfeld
gebeurd met de stammen Dan en Efraïm, die zich beide aan de stiercultus hebben
overgegeven, de een te Dan en de ander te Bethel. Hierin
moet hoogstwaarschijnlijk de verklaring worden gezocht van het feit, dat beide
namen ontbreken in de lijst van de “honderdvierenveertig duizend” ¬ verzegelden uit de twaalf stammen Israëls (Openb. 7:48). Dit betekent,
dat zij straks onverzegeld de grote verdrukking ¬ zullen moeten doormaken. Uit
genoemde stammenlijst blijkt voorts, dat de ontbrekende namen zijn vervangen
door die van Levi en Jozef. Straks, bij de wederoprichting aller dingen,
zullen zowel Dan als Efraïm echter weer een plaats ten erfdeel verkrijgen in
het Duizendjarig Rijk ¬ van
vrede en gerechtigheid. Velen,
waaronder de kerkvader Ireneus, menen uit de boven omschreven feiten te kunnen
concluderen, dat de persoon van de antichrist ¬ een Daniet zal zijn. Ook al omdat Dan door zijn vader Jakob genoemd
werd “een slang aan de weg” (Gen. 49:16, 17). Hoewel aannemelijk, kan deze
stelling niet met de bijbel worden bewezen. DANIEL.
Zowel de persoon als het boek Daniël hebben grote betekenis, zowel uit geschiedkundig
als uit profetisch oogpunt. Daniël, de staatsman
Daniël,
wiens naam betekent “mijn Rechter is God”; vertoefde als balling aan het hof
van de Babylonische koning Nebukadnezar, die regeerde van 604-561 vC. Door
zijn grote wijsheid en staatkundig talent verkreeg hij al spoedig een hoge
positie, die hem echter niet verhinderde trouw te blijven aan zijn geloof in de
God des hemels en dat geloof in alle dingen steeds op de voorgrond te stellen.
Ook onder Darius, de Meder, bekleedde Daniël een erepositie. Door Nebukadnezar
en anderen werd hem veel lof toegezwaaid als droomuitlegger. Hij wees deze
echter onverbiddelijk van de hand, om alleen de God des hemels eer te geven. Daniël, de profeet
Het
zienerschap van Daniël wordt door de moderne theologie betwist. Zelfs
zijn historiciteit wordt daarin dubieus gesteld. Men wijst de profetieën van
Daniël als zodanig van de hand, omdat het voor hen niet anders is dan geschiedschrijving,
die te boek werd gesteld honderden jaren nadat Daniël heeft geleefd. Maar
Daniël was een profeet, ook door Jezus als zodanig genoemd (Matth. 24:15.)
Alleen dat moet reeds voldoende zijn, om Daniël als profeet te erkennen. God
heeft Daniël toekomstige dingen geopenbaard, die voor zijn tijd onbegrijpelijk
waren, maar thans als een geopend boek voor ons liggen. Dat een deel van die
profetieën reeds binnen het tijdsbestek van een paar honderd jaar in vervulling
zijn gegaan, maakt het profetische gedeelte van het boek Daniël (de
hoofdstukken 712) nog maar niet tot geschiedschrijving. Daniël,
door de engel Gabriël aangesproken als “gij zeer beminde man” (Dan. 10:11), was
iemand met een verheven karakter, wijs en goed, getrouw niet alleen in het
grote, maar nauwgezet ook in het kleine. Geld en roem interesseerden hem niet,
maar God en Zijn Woord waren hem dierbaarder dan zijn leven. Dat
was Daniël, de ziener. Door de wijsheid dezer wereld gereduceerd tot een
sprookjesfiguur, maar in werkelijkheid een groot profeet! God heeft deze man gebruikt,
om ons een duidelijke blik te doen slaan in de volvoering van Zijn plan met betrekking
tot de machten van deze wereld. Door Daniël is ons geopenbaard, dat aan de
heidense wereldheerschappij een definitief einde zal worden gemaakt, om plaats
te maken voor het Rijk van Christus, waarin Hij als Koning zal heersen met
recht en met gerechtigheid. Daniël, het boek
Het
boek Daniël kan duidelijk in twee delen gesplitst worden, elk bestaande uit zes
hoofdstukken. Het eerste deel heeft hoofdzakelijk een historisch, het tweede in
zijn geheel een profetisch karakter. Evenwel komt ook reeds in Dan. 2 een zeer
belangrijke profetie voor Statenbeeld),
terwijl sommige voorzeggingen in het “profetische deel” inmiddels reeds door de
geschiedenis zijn achterhaald geworden. De
moderne theologie wijst het profetisch karakter van het boek Daniël zonder meer
van de hand en ontkent zelfs; dat het door Daniël geschreven is. Deze zou
immers hebben geleefd tijdens de Babylonische ballingschap, die gesteld moet
worden op 598-528 vC. Maar volgens de bijbelcritici is het boek vier eeuwen
later (omstreeks 165 vC) geschreven door een vrome Jood, met het doel daarmede
het volk Israël te troosten in zijn beproevingen tijdens de hevige vervolging
van Antiochus Epifanes ¬.
Zij weten ook al precies, dat deze schrijver de geschiedkundige feiten ontleend
heeft aan een aantal Aramese verhalen, die eerst van mond tot mond, later
schriftelijk in omloop waren gekomen. De rest wordt dan toegeschreven aan de
fantasie van de schrijver, die in de vorm van visioenen zijn eigen gedachten
weergaf en deze in de mond legde van de Daniël uit de volksverhalen. Maar
een verklaring als deze loopt vast op de feiten. Er zijn aanwijzingen, dat men
in ieder geval 300 vC het boek Daniël al kende. Ook uit de boeken der Makkabeeën
valt duidelijk op te maken, dat in de tijd der Hasmoneeën de geschiedenis van
Daniël gehouden werd voor iets uit lang vervlogen dagen. En zouden de
Schriftcritici kunnen verklaren, hoe ooit het boek Daniël in 286 vC kon worden
opgenomen in de Septuagint (de vertaling van de zeventigen), als het volgens
hen eerst in 165 vC werd geschreven? Zonder
overigens als bepaald bewijs te kunnen worden aangevoerd, is er het
opmerkelijke verhaal van Flavius Josephus, waarin beweerd wordt, dat de
hogepriester Jaddua het boek Daniël aan Alexander de Grote ter inzage heeft
gegeven. Dit zou geweest zijn in 322 vC. Uit
de felle bestrijding van de authenticiteit van het boek Daniël kan worden
afgeleid, dat de grote vijand der zielen dit boek haat en schuwt als de pest.
Het geeft naar de smaak van satan teveel messiaanse voorzeggingen en het
voorspelt het einde van zijn heerschappij op aarde. In
onze rationalistische tijd, waarin de wetenschap aanval na aanval doet op het
Woord van God, worden de gelovigen, die een boek als Daniël voor serieus nemen,
belachelijk gemaakt en beleefd uitgescholden voor biblicisten. Zij zien echter
in de reeds uitgekomen profetieën niet alleen wonderen van God, maar vinden
daarin ook volkomen garantie ten aanzien van de nog niet vervulde profetieën.
Zij zijn niet deze visie in goed gezelschap van hun Heiland, die Daniël
eveneens een profeet noemde en één van zijn nog onvervulde profetieën aanhaalde
(Matth. 24:15). En was het Jezus niet, die heeft gezegd: “O onverstandigen en
tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken
hebben...”? (Luk. 24:25). Zeiden
we reeds, dat de eerste helft van het boek Daniël hoofdzakelijk bestaat uit
geschiedschrijving, toch vinden we in hoofdstuk 2 een zeer belangrijke profetie
in de verhandeling over liet droombeeld van Nebukadnezar, waarin de opeenvolging
wordt getoond van de grote wereldrijken en hoe daaraan een einde wordt gemaakt
door de komst des Heren en de vestiging van het Koninkrijk van Christus (® Statenbeeld). Het
tweede, profetische deel van het boek, geeft in hfdst. 7 de beschrijving van
een visioen, waarin Daniël vier dieren achtereenvolgens ziet opkomen uit de
zee. Dan volgt in hfdst. 8 het gezicht van de ram en de bok (® Ram en geitenbok), terwijl in het 9e hfdst. de engel Gabriël aan Daniël
verschijnt met een bijzondere boodschap over de zeventig jaarweken ¬. Daniël 10 verhaalt het visioen van de Man, met linnen omkleed en van
nog een andere figuur: “een, den mensenkinderen gelijk”. Daniël
11 is op het eerste gezicht een moeilijk hoofdstuk en zonder kennis van de
wereldgeschiedenis niet te begrijpen. Het
laatste hoofdstuk zinspeelt op Armageddon ¬ en de rol, die de aartsengel Michael (® Engelen) daarin zal spelen. Velen
vinden Daniël een moeilijk boek en - wat de tweede helft betreft - niet ten
onrechte. Toch zien wij, naarmate de tijd zich voortspoedt naar het einde, de wetenschap
omtrent deze dingen steeds meer vermenigvuldigd worden (Dan. 12:4). Vooral het
boek Openbaring heeft de zegels verbroken, waarmede het boek Daniël verzegeld
is geweest. De zich in onze dagen steeds meer toespitsende tekenen der tijden ¬, doen ons steeds vaker grijpen naar boeken als Daniël en Openbaring,
waarin verkondigd wordt hetgeen hierna moet geschieden. Daniël twee (® Statenbeeld). Daniël zeven tot twaalf
De
laatste zes hoofdstukken van het boek Daniël vormen het “profetische” deel,
waarvan zelfs een korte beschouwing een werk als dit te omvangrijk zou maken. DEMONEN (® Duivelen). DIABOLOS (® Duivelen). DIEPTEN DES SATANS.
Deze uitdrukking komt voor in Openb. 2:24, waar een deel van de gemeente te
Thyatira niet de leer van de in die gemeente optredende valse profetes Izebel
volgde en daardoor ook niet “de diepten des satans” had leren kennen. Zij
lieten zich niet door deze vrouw verleiden tot hoererij (afgoderij) en
onthielden zich van het eten van wat aan de afgoden gewijd was. In deze dingen
was het diepste wezen van de satan verborgen, maar door hun standvastigheid
hebben zij die diepte niet leren kennen. DODENRIJK
(Hebr. sjeool, Gr. hades). In het antieke wereldbeeld werd het heelal voorgesteld
als bestaande uit drie etages. De aarde zelf was een platte schijf, waarboven
zich de hemel welfde, als de plaats waar God woonde, terwijl onder de aarde het
dodenrijk werd gevonden. In de vroegste tijden schijnt men onder Israël nog
niet veel begrip te hebben gehad van een leven na dit leven. Men nam aan, dat
als iemand “tot de vaderen verzameld was”, hij dan voortleefde in zijn
nakomelingschap. Vandaar, dat kinderloosheid als niet minder dan een ramp werd
beschouwd. Onze
Statenvertaling heeft in het denken van de eenvoudige bijbellezer een zekere
verwarring teweeggebracht, door het woord sjeool of hades dikwijls te vertalen
met “hel”. Dit woord (vertaling van “gehenna”) heeft namelijk een geheel andere
betekenis en duidt niet het dodenrijk aan, maar de plaats van de eeuwige straf
(®
Hel). Daarin bevindt zich thans nog niemand. De eersten, die daarin worden
geworpen, zijn de antichrist ¬ en
de valse profeet ¬. Daarna volgen de satan en de goddelozen uit de opstanding der doden
(Openb. 20:10; 21:8). Van
alle gestorvenen - zowel gelovigen als ongelovigen - gaat de ziel naar het
dodenrijk, waar men door poorten binnenkomt (Jes. 38:10; Matth. 16:18). Het dodenrijk
wordt echter in tweeën gedeeld door een diepe kloof (Luk. 16:23). Aan de ene
zijde daarvan bevindt zich een heerlijke plaats, het “paradijs”; waar zich de
zielen der rechtvaardigen mogen verlustigen in wat geen oog heeft gezien en
geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen (1 Cor. 2:9). Aan de
andere zijde is het een plaats van buitenste duisternis, waar wening is en
knersing der tanden (Matth. 24:51). Daar is de plaats, waar de zielen der
goddelozen en zondaren wachten tot de opstanding der doden plaats heeft, om
daarna geoordeeld te worden voor de Grote Witte Troon ¬. Ofschoon het dodenrijk voor de gelovigen een paradijs is, in de volle
zin van het woord, is het echter nog niet de volkomen zaligheid. Deze wordt
verkregen als ziel, geest en lichaam - bij de dood uiteengevallen - weer verenigd
zullen worden bij de opstanding uit de doden, als de opname der gemeente ¬ zal plaats hebben. Dan worden de in Christus ontslapenen opgewekt (1
Cor. 15:52; 1 Thess. 4:13-18). Op dat moment treedt voor hen en ook voor de
levend achtergebleven kinderen Gods de volkomen zaligheid in, die zij tot in
eeuwigheid deelachtig zullen zijn. De
overige zielen blijven in de duisternis van hun dodenrijk, totdat ook dit zal
worden ontsloten en zij uit de graven opstaan, om geoordeeld te worden, naar hetgeen
in de boeken geschreven staat (Openb. 20:12). Daarna zullen zij voor eeuwig geworpen
worden in de hel, “de poel des vuurs, die brandt van vuur en zwavel” (Openb.
21:8). DODE ZEE. De
oppervlakte van deze binnenzee, ook wel Zoutzee of Oostelijke Zee genoemd,
ligt
Aan
weerszijden van de stroom schieten vruchtbomen op, die niet maar eenmaal ‘s
jaars, doch elke maand vrucht zullen dragen en waarvan de bladeren
geneeskracht zullen hebben. Een paradijselijke toestand en dit alles door het
water uit het heiligdom. Een
vergelijking van Ezech. 47:1-12 met Openb. 22:1-5 toont een opmerkelijke overeenkomst
tussen de tempelbeek uit het Duizendjarig Rijk en de “rivier van het water des
levens”, die straks vanuit het Nieuwe Jeruzalem ¬ zal stromen. DONDER. Een indrukwekkend
natuurverschijnsel, dat we nog altijd beschouwen als een openbaring van Gods
majesteit in de natuur. Israël zag daarin een van de machtsopenbaringen van God
en vernam Zijn stem in het rollen van de donder. Ontmoetingen met God, zoals op
de berg Sinaï, gingen gepaard met zware donderslagen (Ex. 19:16; 20:18). “Hij
dondert met de stem Zijner Majesteit” (Job 37:4). Toen Jezus in een toespraak
Zijn aanstaande dood verkondigde, klonk uit de hemel de stem van Zijn Vader,
die Hem verheerlijkte. De toeluisterende schare hoorde die stem als een
donderslag (Joh. 12:29). Ook in het boek Openbaring speelt de donder een
voorname rol. Reeds Jesaja 29:6 spreekt van een “bezoeking” met zware donder
tijdens de eindstrijd van Armageddon ¬. In
een visioen, waarin door Johannes een blik geslagen wordt in de hemel, ziet hij
bliksemstralen uitgaan van de troon van God en hoort hij stemmen en
donderslagen (Openb. 4:5). In Openb. 6:1 spreekt één van de vier dieren ¬, die voor de troon van God zijn, met een stem als een donderslag. Bij
de opening van het zevende zegel ¬wordt
vuur op de aarde geworpen en komen donderslagen, stemmen, bliksemstralen en een
aardbeving (Openb. 8:5). Ook het nieuwe gezang van de 144.000 verlosten zal
klinken als de stem van zware donder (Openb. 14:2). Hetzelfde zal het geval
zijn als het Halleluja! weerklinkt op de Bruiloft des Lams ¬ (Openb. 19:1- 5). Als een sterke engel (Christus) zijn voeten plaatst
op de aarde en de zee, klinken bij zijn spreken de stemmen van zeven
donderslagen (Openb. 10:3). DRAAK. In
de mythologie der volken speelt de draak een grote rol en treedt zij altijd op
als een godevijandig wezen. Ook in de bijbel komt de draak voor als een God
vijandige macht (Ps. 74:13). In Openb. 12 wordt de duivel zinnebeeldig
voorgesteld als een grote, rossige draak, in vs 9 genoemd “de oude slang,
genaamd duivel en satan”. Door de kracht, die de antichrist ¬ van deze draak ontvangt, zal hij de wereld zodanig tot verbazing
brengen, dat men het beest als een god zal aanbidden (Openb. 13:4). Ook de
valse profeet zal, ondanks zijn gedaante van een onschuldig lam, dezelfde
leugenachtige en lasterlijke taal spreken als de draak (Openb. 13:11). Tezamen
met de antichrist en de valse profeet vormt de draak een trio, dat niet anders
is dan een helse imitatie van de Drie-eenheid Gods. In deze nabootsing zien we
de draak als anti-vader, de antichrist als anti-zoon en de valse profeet als de
anti-geest. In
Openb. 20 wordt de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, voor de
tijd van duizend jaren gebonden en in de afgrond geworpen, om daarna voor een
korte tijd nog te worden losgelaten. Zijn definitief einde zal echter zijn in
de poel des vuurs, waarin de antichrist en de valse profeet hem dan reeds
zullen zijn voorgegaan. DRIE (® Getallensymboliek). DRIE-EN-HALF JAAR.
Zowel in het boek Daniël als in de Openbaring is meerdere malen sprake van een
periode van drieënhalf jaar, met welke termijn de helft wordt aangeduid van de
zeventigste, dat is de laatste jaarweek ¬ uit Daniël 9. Deze jaarweek ¬
omvat de zeven jaar durende heerschappij van de antichrist ¬. Het
tijdsbestek van drieënhalf jaar wordt aangegeven in termen als “een tijd,
tijden en een halve tijd” (Dan. 7:25; Openb. 12:14), ook als “twaalfhonderdzestig
dagen” (Openb. 12:6) of als tweeënveertig maanden” (Openb. 11:2). Al deze aanduidingen
hebben betrekking op een halve periode van het antichristelijke tijdperk. DRIE ONREINE GEESTEN
(Openb. 16:13, 14). Bij het uitgieten van de zesde toornschaal ¬ op de aarde, komen uit de bekken van de draak en het beest, alsook uit
de mond van de valse profeet, drie onreine geesten tevoorschijn. Ze hebben de
gedaante van kikvorsen, maar het zijn de geesten van duivelen, die wonderlijke
tekenen doen. Hun opdracht is de koningen en machthebbers der gehele wereld te
bewegen tot liet mobiliseren van legermachten, die door de antichrist ¬ zullen worden geconcentreerd in de Vlakte van Jizreël ¬. Het zijn de voorbereidingen tot de grootste en laatste wereldoorlog,
in de bijbel aangeduid als het “Armageddon” der volken. DOODSBEENDERENDAL. In
Ezech. 37:1-14 wordt een boeiend visioen beschreven, waarin de profeet een dal
ziet, dat bezaaid ligt niet een grote menigte dorre doodsbeenderen. Volgens vs
11 verbeelden deze beenderen het gehele huis van Israël, dat, nationaal en
geestelijk dood als het is, verstrooid is geworden over de gehele wereld. Dit volk
kan dan ook tot geen andere slotsom meer komen, dan: “onze beenderen zijn
verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan!” (vs 11). Maar
als de profeet op bevel van God de beenderen toespreekt, ontstaat een geruis en
ziet hij beweging onder de beenderen komen. Voor zijn verwonderd oog ziet hij,
hoe zij zich stuk voor stuk bij elkander voegen en eindelijk hele geraamten
vormen. Maar daar blijft het niet bij, want op de skeletten verschijnen ook
weer vlees en spieren en na verloop van tijd zijn het weer geheel complete,
hoewel nog levenloze lichamen. Maar
dan krijgt de profeet opnieuw een bevel tot profeteren en geschiedt het wonder,
dat de dode lichamen tot herleving komen en weer op hun voeten gaan staan. Een
geweldig groot leger (vs 10). Hij,
die niet alleen een open oog heeft voor het wereldgebeuren, maar ook het woord
der profeten kent, weet, dat dit visioen van Ezechiël vandaag begonnen is
werkelijkheid te worden. Reeds hebben de beenderen zich voor een deel verzameld
uit alle windstreken der aarde en reeds hebben zij zich gevormd tot een staatslichaam,
waarin wij zien, hoe het nationaal herstel van Israël zich hoe langer hoe
zekerder voor onze ogen voltrekt. Sedert 14 mei 1948 is Israël, na vijf eeuwen
van heidense overheersing en daarna nog twintig eeuwen verstrooiing onder de
volken, weer een vrije, autonome staat geworden, die zich - ondanks de oorlogstoestand,
waarin Israël zich sedert zijn oprichting bevindt - heeft weten te plaatsen in
de rij der volken. Het
is duidelijk, dat God de draad niet Israël weer heeft opgenomen, teneinde Zijn
plan met dit volk tot uitvoering te brengen. Nog is het geestelijk dood, maar
de tijd komt en kan niet ver meer zijn, dat de adem van Gods Geest dit dode
volk zal doen herleven. De bijbel zegt, dat dit zal geschieden op de dag van
Christus’ wederkomst ¬.
Dan zullen zij zien, in Wien zij gestoken hebben en zich in zak en as bekeren
(Zach. 12:10.14). Als
Israël dan zijn Koning heeft aanvaard vangt het Vrederijk van Christus aan,
waarin Israël zal schitteren aan het hoofd der volken. Zie verder art. Israël. DROOMBEELD VAN NEBUKADNEZAR (®
Statenbeeld). DUIVELEN.
Onder deze verzamelnaam volgt hieronder een beknopte beschrijving van de in de
bijbel gesignaleerde boze geestelijke machten. Het zijn vreselijke vijanden en
daarom is het niet minder dan noodzakelijk, om deze machten en hun gedragingen
te kennen, teneinde ze in het geloof te kunnen weerstaan. God heeft ons een
geestelijke wapenrusting ter beschikking gesteld (Ef. 6:10-20), zodat wij niet
machteloos staan tegenover de boze geesten in de hemelse gewesten. Het is zaak,
vooral in onze tijd, om deze wapenrusting ook aan te doen, opdat wij “krachtig
in de Here en in de sterkte Zijner macht” stand kunnen houden in de strijd
tegen de verleidingen van de duivel en de demonen. Aan
het hoofd van alle boze machten staat de satan. Vóór alles dient te worden
vastgesteld, dat de satan niet slechts een boze invloed is, maar een persoon,
een geschapen wezen. In ongevallen staat was hij een der hoogste engelvorsten,
een zgn. “cherub” (®
Engelen). Van deze hoogst eigenaardige wezens vinden wij een poging tot
beschrijving in Ezechiël 1. Niet
tevreden riet de hoge positie, waarin hij was gesteld, ontstond in het hart van
deze cherub de zonde van de hoogmoed, die hem tenslotte aanzette tot opstand
tegen God. Niet alleen wilde hij zich verheffen boven de andere morgensterren
(cherubs), maar hij begeerde een troon voor zich, om aan de Allerhoogste gelijk
te kunnen zijn (Jes. 14:12-15). Door
deze zonde is de morgenster ten val gekomen en werd in de hemel een strijd
ontketend, die nog tot op de dag van heden voortduurt. De lichtdrager Lucifer
werd de vorst der duisternis. Dankzij
de Middeleeuwse uitbeeldingen stellen wij ons de satan meestal voor als een
sinister wezen, compleet met horentjes, sik en bokkenpoten, maar dan vergeten
wij, dat hij er waarschijnlijk nog net zo uitziet als toen hij geschapen werd,
namelijk als een wezen van onvergelijkelijke schoonheid. Men leze slechts de beschrijving
in Ezech. 28:11-19, waar de satan wordt getypeerd in de koning van Tyrus. De
val van de morgenster heeft ontzettende dingen teweeggebracht, zowel in de
hemel als op de aarde. Hij heeft onder de engelen een opstand ontketend en kans
gezien een derde deel van de hemelwezens voor zijn kwade zaak te winnen
(Openb. 12:4). Zij zijn allen van hun oorspronkelijke plaats verwijderd en
bewonen thans de “hemelse gewesten” als boze geesten, overheden, machten en
wereldbeheersers der duisternis (Ef. 6:12). Het
meesterwerk van satan wordt straks de manifestatie van de antichrist ¬ in wie alle boosheid en ongerechtigheid belichaamd zal zijn. Wie hem
dan ziet, ziet de duivel. Hiermede gooit de satan zijn laatste troef op tafel,
die hem echter geen winst zal opleveren, maar tot de volkomen nederlaag zal
leiden. Want nadat de antichrist en de valse profeet ¬ bij de wederkomst des Heren ¬ hun
deel zullen hebben gevonden in de poel des vuurs, wordt de satan voor duizend
jaar geworpen in de afgrond. Daarna zal hij - na nog een korte tijd losgelaten
te zijn geweest - voor eeuwig geworpen worden in de poel des vuurs. Satans namen en bijnamen
Satan = van de
tegenpartij, lett. wegversperder. Voor zijn wezen, zie beschrijving hierboven. Duivel, Gr. diabolos =
lasteraar, aanklager (Gen. 3:5). Zijn tactiek is God aan te klagen bij de mensen
en de mensen bij God (Openb. 12:10; Zach. 3:1 ).Duivel en satan zijn twee
wezensnamen voor een en dezelfde persoon. Als er in de bijbel sprake is van
duivelen, dus in de meervoudsvorm, dan worden daarmee de gevallen engelen
bedoeld, die in zijn dienst staan. Beëlzebul = heer der onreine
geesten. Het woord is afgeleid van Beëlzebub, van de vliegengod der
Filistijnen. Aan deze werd de verantwoordelijkheid toegeschreven voor de soms
vreselijke luchtplagen, die in het oosten door muskieten werden veroorzaakt.
Een goede bijnaam voor de satan, die immers de overste is van de onreine
geesten in de lucht. Hieruit blijkt tevens hoe uiterst lasterlijk de Farizeeën
over Jezus spraken, toen zij zeiden, dat Hij duivelen uitwierp en genezingen
verrichtte door Beëlzebul, de overste der geesten (Matth. 12:24). Oude slang. In
het paradijs gebruikte de satan een slang als medium, om zich met de mens in verbinding
te stellen. Sindsdien komt hij meermalen in de bijbel voor onder de benaming
“oude slang” (Openb. 12:9). Hij is een zeer giftige slang, wiens beet dodelijk
is. Maar zoals Mozes tijdens een slangenplaag in de woestijn een koperen slang
verhoogd heeft, zo is eens op Golgotha een kruis opgericht, opdat de mensen,
die allen door de slang zijn gebeten, door een blik op de Here Jezus daaraan
niet zouden sterven, maar het eeuwige leven hebben (Joh. 3:14-16). Draak. Als zodanig wordt
de satan gesymboliseerd in het boek Openbaring. In Openb. 12:3 wordt de draak ¬ voorgesteld als een groot, rossig monster met zeven koppen. In het 4e
vers lezen wij, hoe de draak een derde deel van de sterren des hemels
meesleepte. Deze sterren des hemels zijn de gevallen engelen, die eerst hun
operatieterrein in de lucht hadden (Ef. 6:12), maar thans door de draak op de
aarde werden geworpen. Het is aan deze draak, dat de antichrist ¬ zijn macht en kracht zal ontlenen (Openb. 13:4). Belial = tot niets nut. Een
naam, die zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament werd gebruikt, om er
nietswaardige, slechte mensen mee aan te duiden. In het N.T. wordt hij
vereenzelvigd met de geest van het kwade en als zodanig identiek gesteld met
satan (2 Cor. 6:15). Briesende leeuw.
Deze bijnaam wordt in 1 Petr. 5:8 aan de satan gegeven, omdat hij als een woedend
en verscheurend dier de christenen vervolgde. De satan heeft echter moeten
ervaren, dat de hierin aan de dag gelegde tactiek niet bepaald de beste was,
omdat het bloed der martelaren het zaad van de Gemeente bleek te zijn. Engel des lichts (2
Cor. 11:14). Onder deze bedrieglijke vermomming is de satan op zijn gevaarlijkst.
Als hij op zijn manier, al dan niet in toga gehuld, het woord verkondigt, dan
liegt hij en zegt de waarheid niet. De duivel is een meester in het zaaien van
twijfel. Dit deed hij al in het paradijs met zijn “is het niet dat God gezegd
heeft . . . ?” (Gen. 3:1). Ook Jezus viel hij in de woestijn aan met het Woord
van God: “Daar staat geschreven”. Maar Jezus wederstond hem, door eveneens het
Woord Gods te gebruiken als het zwaard des Geestes: “Daar staat ook geschreven
…” (Matth. 4:1-11). Hoe noodzakelijk is het voor elk kind van God dit zwaard te
kunnen hanteren, door de bijbel te onderzoeken en zich de inhoud daarvan eigen
te maken. Vader der leugen. In
joh. 8:44 wordt satan niet alleen genoemd “de mensenmoordenaar van den
beginne”; maar ook “de vader der leugen”: Hij kan niet anders dan leugen
spreken, omdat in hem geen waarheid is. De boze. Van alle boosheden
in de lucht, is satan DE boze. Rusteloos is hij er op uit, om de mensen in zijn
greep te krijgen en hen tot zonden te verleiden. Maar welke invloed hij ook op
de kinderen Gods moge uitoefenen, hij kan ze niet meer voorgoed in zijn macht
krijgen, want de eigenlijke nieuwe mens is voor hem onaantastbaar. “Wij weten,
dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God geboren
werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem” (1 Joh. 5:18). Verzoeker (1 Thess. 3:5). Als
verzoeker tracht hij de mens door de verlokkingen van zonde en werelds genot
van de rechte weg af te leiden en daardoor de evangelieverkondiging nutteloos
te maken (1 Thess. 3:5). God dezer eeuw.
Als zodanig laat de duivel zich op allerlei wijzen en onder allerlei vormen aanbidden
(2 Cor. 4:4). Speculerende op de religieuze gevoelens van de mensen, probeert
hij ervoor te zorgen, dat deze niet gericht worden op de God des hemels, maar
op allerlei andere zaken, die tot zijn rijk behoren. Overste dezer wereld.
Deze betiteling wordt door Jezus Zelf aan satan gegeven in joh. 12:31. Hij
heeft zich de heerschappij over de wereld onrechtmatig toegeëigend en oefent
zijn regeermacht uit vanuit de lucht, waar hij zijn residentie heeft. Omdat hij
daar tevens heerst over zijn trawanten, wordt hij ook genoemd de “overste van
de macht der lucht” (Ef. 2:2). Het rijk der boze geesten. In
de val van satan zijn vele engelen meegesleurd. Volgens Openb. 12:3 wel een
derde deel van alle hemelwezens. Zij zijn uit de hemel gebannen en vertoeven
nu in het luchtruim rond de aarde. Het zijn de “engelen des satans”, de boze
geesten, over wie de satan heerst als “overste van de macht der lucht” (Ef.
2:2). Behalve
deze gevallen engelen, die door satan in zijn val werden betrokken, zijn er
ook engelen, “die hun beginsel niet bewaard hebben”. Dit waren “de zonen Gods,
die de dochters der mensen aanzagen, dat zij schoon waren” en zich daaruit
vrouwen genomen hebben (Gen. 6:1-4). In de brief van Judas, vs 6, worden zij
genoemd: “engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden er. hun eigen woning
verlieten”. Deze geesten zijn niet actief. Zij zijn geworpen in de Abyssus, de
put des afgronds ¬, om daar in duisternis bewaard te blijven tot de dag des oordeels. Hun
koning is Abaddon ¬, ook wel genoemd Apollyon. In Openb. 9:11 heet hij “de engel des
afgronds”. Demonen zijn de boze geesten
of duivelen, die zelfs woning kunnen maken in de mensen, waardoor deze dan
“bezeten” zijn. Hun aantal is zeer groot en zij vormen een rijk (Matth. 12:26),
dat heerschappij uitoefent over de gehele wereld (Luk. 4:6). Bij het laatste
oordeel ¬ worden zij geworpen in de poel des vuurs. DUIZENDJARIG RIJK. Ook ten aanzien van een
veelomvattend onderwerp als dit, zullen wij de nodige beperking in acht moeten
nemen en ons slechts bepalen tot de voornaamste zaken. De
komst van een rijk van vrede en gerechtigheid, onder directe heerschappij van
Jezus Christus, wordt op tal van plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament
voorzegd. Helaas hebben de meeste christenen omtrent dit Rijk een totaal
verwrongen en onschriftuurlijk beeld. Want ondanks de waarschuwing in 2 Petr.
1:20, wordt ook aan de profetieën aangaande deze zaak een “eigenmachtige
uitlegging” gegeven, waardoor men niet alleen de gouden glans van dit heerlijke
toekomstbeeld verduisterd heeft, maar ook aan het Woord van God geweld heeft
aangedaan. (Zie artt. Allegorie en Chiliasme) Vooral
de aangegeven tijdsduur van duizend jaar wordt door de theologie niet
aanvaard. Dat dit getal in de eerste zeven verzen van Openb. 20 niet minder dan
zesmaal wordt genoemd, doet blijkbaar niet terzake. Om
bepaalde dogma’s niet in gevaar te brengen, mag volgens de Calvinistische
Schriftbeschouwing in het in concreto gegeven tijdsbestek slechts gedacht
worden aan een periode van zeer lange, doch onbekende duur. Ook de bijbelse
voorstellingen aangaande de toekomstige glorietijd van de wederoprichting aller
dingen, van vrede en gerechtigheid, van herstelde paradijstoestanden, onder de
persoonlijke regering van Christus, te Jeruzalem, worden op de meest
fantasierijke wijze verdraaid en vergeestelijkt. Soms worden hiertoe
belangrijke zaken uit de bijbel eenvoudig op de kop gezet. Dan wordt de kerk
Israël . . . dan is het Koninkrijk van Christus de overwinning van het
christendom .... dan is de stad Jeruzalem nu eens in de hemel, dan weer op
aarde, zoals dit natuurlijk ook het geval is met de troon van David. Zij die
deze opvattingen verwerpen, maar zich eenvoudig houden aan het woord van de
bijbel, worden voor vleselijk, aardsgezind, chiliastisch, sektarisch, biblicistisch
en wat niet al uitgemaakt en soms “uit de synagoge geworpen”. Wij hopen ons
echter snaar te houden aan wat er staat en zoals het er staat, want wij hebben
het profetisch woord, dat zeer vast is. Men doet wel daarop acht te geven als
op een licht, dat schijnt in de duisternis van de wereld. Waar wordt het Rijk van Christus gevestigd?
Het
antwoord is: op aarde. Hieromtrent is de bijbel zeer duidelijk. In Dan. 2:34,
35 wordt het statenbeeld ¬ uit
Nebukadnezars droom aan de voet getroffen door een Steen (Christus), die de wereldheerschappij
vernietigt en Zelf Zijn rijk opricht, waarin Hij Koning zal zijn over de gehele
aarde. Ook is er de belofte van de engel Gabriël aan Maria, dat Jezus de troon
van David zou ontvangen, om als Koning te heersen over het huis van Jakob tot
in eeuwigheid (Luk. 1:32, 33). Zowel de troon als het huis van Jakob (Israël)
bevinden zich op aarde. Onder de eerste christenen en hun kerkvaders leefde
sterk de verwachting van een Christusrijk op aarde. Na twee eeuwen van schriftuurlijke
toekomstverwachting in deze, werd de blik op het profetisch woord plotseling
verduisterd door de heilloze leer van de kerkvaders Origenes en Augustinus,
die er voor zorgden, dat voortaan aan de nog niet vervulde profetieën een
geestelijke, dus geen letterlijke betekenis werd gegeven, met het gevolg, dat
de theologische eschatologie een warwinkel geworden is, waar tien zelf niet
uitkomt. Wanneer zal het Christusrijk aanvangen?
Augustinus
achtte het Messiaanse Rijk begonnen, toen de satan door Jezus was overwonnen
bij Zijn kruisdood op Golgotha. Als gevolg van deze leer ontstond omstreeks het
jaar 1000 een paniekachtige toestand. In dat jaar werd immers algemeen het
einde der wereld verwacht? De kerk voer er niet slecht bij, want zij ontving
enorme schatten aan geld en goederen, waarvoor absolutie van zonden werd
gegeven. Toen
dit alles een grote misvatting bleek te zijn geweest, werd uitgemaakt, dat het
Rijk van Christus was aangebroken bij de overgang van de Romeinse keizer
Constantijn naar het christendom. Toen werd de satan immers gebonden, waardoor
een einde kwam aan de Romeinse christenvervolgingen? Toen zegevierde het
Evangelie immers over het heidense Rome en werd de christelijke godsdienst
zelfs tot staatsgodsdienst verheven? Nog
altijd heerst deze jammerlijke dwaling in onze kerken; nu al zeventien eeuwen
lang. Hieruit is ook te verklaren, dat het concrete getal duizend niet
gehandhaafd kan worden in verband niet de duur van het Christusrijk. Dit getal
is nu immers al bijna zevenhonderd jaar overschreden... Helaas
wordt de verwachting van een letterlijk Duizendjarig Rijk nogal in diskrediet
gebracht door de kwistig verspreide opvattingen van Jehova’s Getuigen en Zevendedags
Adventisten. Beide stromingen houden zich ijverig bezig met het maken van
allerlei ingewikkelde berekeningen, aan de hand waarvan zij de meest fantastische
voorspellingen doen. A1 deze berekeningen zijn echter nutteloos en lopen op
niets uit, want “Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover
de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft” (Hand. 1:7). Daarom blijven
dag en uur ons onbekend (Matth. 24:36). Dit
neemt echter niet weg, dat ons wel “tekenen der tijden” ¬ zijn gegeven, waaraan wij ongeveer kunnen zien, hoe laat het is op de
profetische wereldklok. Vooral het teken van de vijgenboon ¬, dat zich thans openbaart in de herleving van de staat Israël, bewijst,
dat het Koninkrijk van Christus nabij is, zelfs “voor de deur” (Matth. 24:32,
33). Tevoren zullen daaraan echter nog enkele zaken in snelle opeenvolging
voorafgaan. Allereerst zal de opname der gemeente ¬ plaatsvinden, zoals beschreven in 1 Thess. 4:13-18. Daarna volgt de
zevenjarige periode van de antichrist ¬, waaraan door de wederkomst des Heren ¬ een einde wordt geinaakt. Dan volgt het Armageddon ¬ der volken, waarin Christus de overwinning behaalt over de heidense
wereldheerschappij, en daarna neemt het Rijk van vrede en gerechtigheid een
aanvang, onder de persoonlijke regering van Koning Jezus. Dan zal uit Sion de
wet uitgaan en des Heten woord uit Jeruzalem. Deputaties uit alle landen der
aarde zullen zeggen: “Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren” (Jes.
2:1-5) en bij Slons Vorst hun opwachting maken. Kentekenen van het Duizendjarig Rijk
1. Gerechtigheid (Jes. 1 1:3-5; 16:5; 42:1-4). 2. Vrede (Ps. 72:3, 7; Jes. 2:4; 9:5, 6; 32:17,
18; 60:17, 18). 3. Geluk (Jes. 8:23-9:3). 4. Lange levensduur; algemene gezondheid (Jes.
65:20-23). 5. Materiële welstand (Ps. 72:16; Jes.
30:23-25; 65:21-23; Amos 9:13, 14; Zach. 3:10; 8:12; Lev. 26:3-5). 6.
De natuur van de vloek ontheven (Rom. 8:18-22; Jes. 55:13; 41:18, 19; 11:6-9;
Ezech. 34:25, 28). De heerlijkheid des Heren
Christus’
wederkomst zal zijn in heerlijkheid. Als Hij verschijnt op de wolken des
hemels, dan zal elk oog Hem aanschouwen (Openb. 1:7; Matth. 24:30). Daarna zal
Hij Zich ook zichtbaar openbaren als Koning, waarbij de ogen Hein zullen zien
in Zijn schoonheid (Jes. 33:17). Als
dan de tempel uit Ezech. 40-43 zal zijn gebouwd, komt ook de heerlijkheid Gods
weer wonen in het heiligdom. Dan zal de wolkkolom, de “sjechina”, weer staan
boven het Heilige der heiligen, ten teken van Gods tegenwoordigheid in het
midden van Zijn volk (Ex. 13:21; Jes. 4:2-5). Het binnentreden van de
heerlijkheid des Heren wordt op verheven wijze geschetst door de profeet Ezechiël
(Ezech. 43:2). Ook Jesaja duidt daarop, als hij zegt: “Sta op, wordt verlicht,
want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op” (Jes. 60:1).
Men leze verder in dit verband Ezech. 43:4-7; 44:1, 2; Zach. 8:3. De plaats der Gemeente in het Duizendjarig Rijk
Een
ding moeten wij niet uit het oog verliezen, namelijk dat het Duizendjarig Rijk
beloofd is aan Israël en de volken. Daaruit komen de burgers van dat Rijk. De
Gemeente zal daaraan op geheel andere wijze deel hebben. De kinderen Gods
hebben immers op aarde geen burgerrecht? Zij zijn op aarde vreemdelingen en bijwoners;
hun Vaderland is in de hemel. 7è vaak wordt uit het oog verloren, dat de
Gemeente uitsluitend hemelse beloften heeft en Israël alleen aardse (zie Deut.
28). De
Gemeente zal dan ook in het messiaanse tijdperk niet aan het gewone
maatschappelijke leven deelnemen. Toch zal zij zijn daar waar Christus is (1
Thess. 4:17). Is Christus in de hemel, dan is zij met Hem in de hemel; is Hij
op aarde, dan is zij met Hem op aarde. Het is zelfs zo, dat de kinderen Gods
zullen delen in de heerschappij van Christus op aarde (2 Tim. 2:12; Openb. 1:6;
2:26, 27; 3:21). Gemaakt tot koningen en priesters zullen zij met Christus als
koningen heersen (Openb. 5:9, 10). Ook de martelaren uit de grote verdrukking ¬ zullen, hoewel zij niet tot de Gemeente behoren, met Christus als koningen
heersen, de duizend jaren (Openb. 20:4-6). Lees ook, wat Jezus daarover
gesproken heeft in Matth. 19:28; Luk. 22:28, 29; 19:17-19. Psalm
8 herinnert er aan, dat de mens door God is geschapen om te heersen over de
werken Zijner handen, hetgeen door de zonde tot een onmogelijkheid is geworden.
De koning werd tot slaaf. Hoe heerlijk te mogen weten, dat de wedergeboren mens
straks in dat gouden tijdperk weer aan zijn oorspronkelijke bestemming mag
voldoen en de eer zal mogen hebben te delen in de heerschappij van zijn Heer en
Heiland. Ongetwijfeld
rijst de vraag, waar de Gemeente zich dan bevinden zal gedurende het
Duizendjarig Rijk. Daarop is niet zo gemakkelijk te antwoorden, omdat de bijbel
daarover geen concrete gegevens verstrekt. Toch zouden wij misschien, met
inachtneming van alle voorbehoud, mogen veronderstellen, dat de Gemeente
vanuit het Nieuwe Jeruzalem ¬,
dat dan nog in de hemel is (Openb. 21:9), aan de heerschappij op aarde zal
deelnemen. Ook de engelen verrichten vanuit hun hemelse woonstede dienst op
aarde en de kinderen Gods worden immers aan de engelen gelijk? (Luk. 20:36). De
aardbewoners zullen de verheerlijkte Gemeente zeker aanschouwen bij de
wederkomst des Heren. Dit is duidelijk voorzegd geworden in de belofte uit Col.
3:4 “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem
verschijnen in heerlijkheid”. De plaats van Israël in het Duizendjarig Rijk
Israël
was als uitverkoren volk voorbestemd een priesterlijk koninkrijk te worden en
als zodanig te staan aan het hoofd der volken. Door hardnekkige afwijkingen
van de weg des Heren, door zonde, ontrouw en afgoderij is daar echter niets van
terecht gekomen en kwam het aan “de staart der volken” te staan (Deur. 28:43,
44). Door zijn onbekeerlijkheid heeft Israël zich de vloek van God op de hals
gehaald, die straks zijn climax zal bereiken in de verdrukking door de
antichrist. Maar God zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn
behouden, zegt de bijbel. Als het volk Israël tot inkeer komt, zal God Zich
weder over Jakob ontfermen en over hen uitgieten de Geest der genade en der
gebeden. Dat zal geschieden bij de wederkomst des Heren, als Israël zal zien in
Wie zij gestoken hebben en zij zich wenende tot Hem zullen bekeren. Dan zal het
volk ook de Zoon van David als zijn Koning erkennen, waarmee de basis voor het
Koninkrijk is gelegd. Daarin zal dan het eens verachte volk schitteren aan het
hoofd der naties. Israël
was een uitverkoren volk. Uitverkoren om temidden van andere volken het licht
van God te verspreiden en Zijn Naam uit te dragen onder de heidenen. Door zijn
afkerigheid en ongeloof heeft het ook van deze opdracht weinig of niets terecht
kunnen brengen. Toen Jezus Christus Zelf als het waarachtige Licht verscheen in
de duisternis van de wereld, hebben zij dat Licht niet aangenomen, maar
verworpen. Toen heeft God het volk Israël terzijde gesteld en riep Hij de
Gemeente in het aanzijn om het licht der wereld te zijn. Na
diens bekering en wederaanneming zal Israël echter weer zijn oorspronkelijke
taak terug ontvangen en in het Duizendjarig Rijk het zendingsvolk worden bij
uitnemendheid. Dan zullen zij in de gehele wereld “het Evangelie van het
Koninkrijk” prediken, om het hart der volken tot Jezus te brengen (Jes. 4:3;
56:8; 61:6; 66:19, 20). Onder
de heerschappij van Koning Jezus zal iedereen voor Hem de knie moeten buigen,
hetgeen door velen slechts node en “geveinsdelijk” zal worden gedaan (Deut.
33:29). Door Israëls zendingsarbeid zullen tallozen zich echter vrijwillig en
met hart en ziel aan de Here overgeven (Zich. 8:13, 23; Jes. 45:14). Ook Paulus
wist, dat Israëls bekering voor de wereld zou worden: leven uit de doden (Rom.
11:12, 15). Terwijl
Israël zal staan aan het hoofd der volken, zal Jeruzalem worden de hoofdstad
der wereld. Gelegen op de “navel der aarde”; vormt Jeruzalem straks ook
geologisch het middelpunt der wereld, van waaruit de Here Zijn licht zal doen
uitstralen naar noord en zuid, west en oost (Zach. 2:10-12; 8:3, 22; 14:16;
Jer. 3:17; Ezech. 43:7). De volkeren tijdens het Duizendjarig Rijk
Niet
alleen Israël, maar alle volken en landen der wereld zullen behoren tot het
Rijksgebied, waarover Christus Koninklijke heerschappij zal uitoefenen. Van
Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem en heel de aarde zal
zich daaraan moeten onderwerpen, want de Zonen van David zal heersen met een
ijzeren scepter en niemand zal Hem ongestraft kunnen wederstaan. De
volken zullen zich echter mogen verheugen in ongekende toestanden van vrede en
gerechtigheid, ja zelfs de dierenwereld zal daarin delen (Jes. 11:6- 8). Er zal
geen kwaad meer worden gedaan en geen verderf gesticht, want Hij zal de
geringen gerechtigheid doen toekomen en de ootmoedigen in billijkheid richten.
“De aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der
zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van
Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats
zal heerlijk zijn” (Jes. 11:9, 10). Terwijl
gedurende het Vrederijk de satan gebonden is en onmachtig om tot zonde en
ongehoorzaamheid tegen God te verleiden, zal God de mens meer ontvankelijk
maken voor het zaad van het Evangelie. Oren, die gesloten waren, zullen horen
de prediking van het Woord van God en de ogen der geestelijk verblinden zullen
zien (Jes. 29:18; 32:3, 4; 42:6, 7, 16). Welk een heilstijd, als de volken zich
gezamenlijk tot de Here bekeren en Hem dienen zullen. Dit betekent echter niet,
dat iedereen de Here van harte zal zijn toegewijd, want miljoenen zullen zich
slechts noodgedwongen en met afkeer in het hart aan Jezus onderwerpen. Doch
machtige, wereldwijde opwekkingen zullen de heerlijkste kenmerken zijn van het
Messiaanse Rijk. De
volken zullen verplicht worden gesteld, om jaarlijks deputaties te zenden naar
Jeruzalem, om daar deel te nemen aan het Loofhuttenfeest en zich neer te buigen
voor de Koning, de Here der heerscharen (Zach. 14:16). Schaduwen in het Duizendjarig Rijk
Vele
mensen hebben in hun gedachten een meer hemelse dan aardse voorstelling van het
Duizendjarig Rijk. Zij denken zich daarin een volmaakte toestand, zonder
zonde, zonder wanklank, zonder vlek of rimpel. Dit is echter niet het geval.
Want ondanks de paradijsachtige heerlijkheid, waarin de mens zich dan mag
verlustigen, ondanks het gebonden zijn van de satan, die dan niet meer tot
zonde kan verleiden en aanzetten, woont de zonde nog altijd in de harten en
doet van binnenuit zijn werk in hen, die zich niet bekeerden. Zodra die zonde
echter door iemand in een daad wordt omgezet, wordt hij door de adem der lippen
van de Here gedood (Jes. 11:4). Ook
de dood zal er dus nog zijn, hoewel in veel geringer mate optredend.
Kindersterfte zal tot het verleden: behoren; grijsaards zullen een abnormaal
hoge leeftijd (“als die der bomen”) bereiken, terwijl iemand, die de
honderdjarige leeftijd bereikt, nog slechts een “jongeling” genoemd wordt (Jes.
65:20). Dankzij de buitengewone omstandigheden en het gezonde leefklimaat, zal
in die tijd de dood een zeldzaamheid zijn. Het
Messiaanse Rijk zal zelfs niet de schijn hebben van een democratie, doch de
uitgesproken vorm hebben van een Theocratie, dit is Godsregering. Christus zal
geheel met eigen hand regeren en alleen daardoor kan er gerechtigheid en vrede
op aarde zijn. Nimmer is de mens in vrijheid geweest; altijd waren de volken onderworpen
aan de vorst der duisternis. Maar dan zal de Here regeren in alle rechtvaardigheid.
Terwille van de geveinsdelijk onderworpenen zal Hij dit moeten doen met een
ijzeren staf, maar dit kan niet anders dan tot heil en zegen voor de wereld
zijn. Daarom zal ongehoorzaamheid streng worden gestraft, tot waarschuwing voor
anderen (Jes. 66:24). In
zo’n autoritaire regering kan echter op zichzelf geen schaduwzijde van het
Duizendjarig Rijk worden gezien. Integendeel. Vrijheid kan ook gevaarlijk zijn
en soms leiden tot bandeloosheid, wetteloosheid, anarchie, misdaad en dood.
Alleen een rechtvaardig autoritair bewind, als Jezus straks zal uitoefenen, kan
de mensheid vol en blijvend geluk schenken. Het
Koninkrijk van Christus zal een eeuwig
Koninkrijk zijn, dat echter in de vorm van het hierboven omschreven Messiaanse
Rijk, na duizend jaar een einde zal nemen. Dan zal de mens weten wat het
verschil is tussen satansheerschappij en Christusregering en in de gelegenheid
worden gesteld opnieuw eer. vrijwillige keuze te doen. Daartoe zal de satan
aan het einde van de duizend jaren voor een korte tijd ontbonden worden en uit
zijn gevangenis losgelaten (Openb. 20:7). Wederom zal hij de volken der aarde
weten te verleiden tot opstand tegen de Allerhoogste. Uit alle werelddelen zullen
immense legers worden verzameld tot een nieuw Armageddon (Openb. 20:7, 8). Dat
die legers in aantal gelijk zullen zijn als het zand der zee, toont aan,
hoevelen zich onder Christus’ regering slechts geveinsdelijk hebben
onderworpen. Het
zal echter satans laatste opstand zijn tegen God. Want als de legers Jeruzalem
omsingeld hebben, worden zij vernietigd door vuur uit de hemel en gaat de satan
voor eeuwig in de poel des vuurs. E
EDELGESTEENTE. In
Openb. 21:11 wordt gezegd, dat de fundamenten van het Nieuwe Jeruzalem ¬ met allerlei edelgesteenten waren versierd. Edelstenen worden dikwijls
in de bijbel vermeld als aanduiding van de schoonheid en heerlijkheid van
Goddelijke en hemelse zaken (Ex. 24:10; Jes. 28:5; Ezech. 1 en 10; Openb. 4:2,
3 ). Zij behoren tot de toekomstige heerlijkheid van de stad Gods (Jes. 54:11,
12). In
het borstschild van de Hogepriester bevonden zich twaalf stenen, voorzien van
de namen van de twaalf stammen van Israël (Ex. 28:17 v). In Ezech. 28:13 worden
negen stenen genoemd, behorende tot het gewaad van de koning van Tyrus, die
daar het type is van de satan in zijn gestalte van gevallen cherub (® Engelen). Volgens
Openb. 21:11 kan de schoonheid van liet Nieuwe Jeruzalem vergeleken worden met
de schittering van zeer kostbare stenen (zie onder). De
bijbel vermeldt drie lijsten van edelstenen in groepsverband, n.l.:
EEUW. In
ons taalgebruik heeft het woord “eeuw” de betekenis van een afgerond
tijdsbestek van honderd jaar. Dit is in de bijbel meestal niet het geval. In de
oorspronkelijke tekst komen de woorden “olam” (Hebr.) en “aioon” (Gr.) voor,
die steeds vertaald zijn geworden met “eeuw”. In werkelijkheid betekenen zij
echter een langdurige periode en betreffen soms een bepaalde “bedeling” ¬. Als b.v. in het N.T. sprake is van de “tegenwoordige en toekomende
eeuw”, dan wordt daarmee bedoeld de huidige bedeling der genade en de hierna
komende bedeling van het Duizendjarig Rijk ¬. In
Gods Raadsbesluit is een “plan der eeuwen”, een “eeuwig voornemen” (Ef. 3:11)
opgenomen, dat in zeven bedelingen de tijd omvat, die ligt tussen “van eeuwigheid
tot eeuwigheid”. Vijf daarvan zijn reeds verleden tijd, in de zesde leven wij,
terwijl de zevende en laatste bedeling volgens de tekenen der tijden ¬ in de nabije toekomst verwacht kan worden. Voor
nadere bijzonderheden zie men het art. “Bedelingen”. EEUWIGHEID.
Het begrip “eeuwigheid” is door het menselijk brein onmogelijk te vatten. In
ons bewustzijn heeft het de betekenis van een begin en eindloze tijd. In
werkelijkheid heeft eeuwigheid echter niets met tijd te maken. Zij is namelijk
geen opeenvolging van dagen, jaren en eeuwen, maar - hoe onbegrijpelijk het ook
is - een constant heden, een eeuwig nu. Hoewel geschapen voor de eeuwigheid,
kunnen wij niet anders dan uitsluitend “in tijd” denken, eenvoudig omdat wij leven
in de tijd. De
tijd is er niet altijd geweest. Mogelijk was zij de eerste scheppingsdaad van
God, hoewel de bijbel daar niets over zegt. In ieder geval is “in den beginne”
door Gods almacht op een bepaald “ogenblik” van de eeuwigheid de klok van de tijd
beginnen te tikken. Zij tikt nog steeds voort, hoewel zij eenmaal stil zal
staan. Want de tijd heeft een begin gehad, maar zal ook een einde hebben. Als
Gods plan der eeuwen voltooid zal zijn, dan gaat de tijd weer over in
eeuwigheid, waarin God zal zijn “alles en in allen” (1 Cor. 15:24, 25). De
vraag zou kunnen worden gesteld, of God Zelf ook aan de tijd gebonden is, maar
daar moet beslist ontkennend op worden geantwoord. Hij is de God van tijd en
eeuwigheid, maar is toch niet aan tijd gebonden. In de hemel is geen tijd;
daar zijn duizend jaar als één dag en één dag als duizend jaar (2 Petr. 3:8) en
dat is dan nog maar bij wijze van spreken. God is de Eeuwige, de Eeuwig-zijnde.
Hij is de “Ik ben” (Ex. 3:14). In deze zelfde eeuwigheidstaal heeft Jezus zich
typisch uitgedrukt, toen Hij de eigenaardige woorden sprak: “Eer Abraham was,
ben Ik!” (1oh. 8:58 ). Wij
kunnen “de tijd” dus zien als zijnde een afgebakende periode, die een lijn
onderbreekt, lopende “van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
EFEZE (® Zeven gemeenten). EGYPTE.
Dit land van de Nijl heeft van oudsher een diepgaande invloed uitgeoefend op
zijn noordelijke naburen. Ook Israël heeft in politieke zin veel roet Egypte
van doen gehad. We willen in het kader van dit werk echter voorbijgaan aan
hetgeen de geschiedenis daaromtrent vermeldt en ons voornamelijk bezighouden
met de rol, die dit land zal spelen in de eindtijd van de menselijke heerschappij. Jezus
heeft gezegd: “Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet
gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook
gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat liet Koninkrijk Gods nabij is”
(Luk. 21:29-31 ). Bomen
zijn in de bijbel het zinnebeeld van volken en de vijgenboom speciaal dat van
de natie Israël. Uit de woorden van Jezus moet dus worden opgemaakt, dat
aandacht moet worden geschonken aan de herleving van Israël (de vijgenboom),
maar ook aan die van de buurlanden (de bomen). Welnu, indien ooit van wederopleving
gesproken kan worden, dan geldt dit de landen van het Midden-Oosten. In het
begin van onze eeuw wist men van sommige daarvan amper dat zij bestonden, maar
thans zijn zij dagelijks in het nieuws en het onderwerp van menige zorgvolle
bespreking in de Assemblee der Verenigde Naties. Er gaat haast geen avond
voorbij of het TV-journaal geeft berichten en beelden, die wijzen op een
voortdurende spanning tussen de vijgenboom en de andere bomen. Vreselijk
is de haat, die Arabische volken hebben tegen de jonge staat Israël. Maar tot
nu toe hebben alle Arabische pogingen om Palestina aan Israël te ontnemen,
schipbreuk geleden. Nog nooit is de bedreiging de Joden in de Middellandse Zee
te drijven tot uitvoering gekomen en dit zal ook nooit geschieden, om de eenvoudige
reden, dat God dit niet zal toelaten. Hij is bezig Israël weer te verzamelen
uit al de volken, waarheen zij verstrooid zijn geweest, en heeft gezegd: “Ik
zal hen planten in hun grond en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de
grond, die Ik hun gegeven heb, zegt de Here, uw God” (Amos 9:15). Toch
mag uit dit alles niet de gevolgtrekking worden gemaakt, als zou Israël nu
niets meer kunnen gebeuren. O neen. Ondanks het feit, dat God de draad met dit
volk weer op zo duidelijke wijze heeft opgenomen, is Zijn gramschap vanwege
hun onbekeerlijkheid nog niet ten einde of ook maar zelfs verminderd. Aan de
hand van de profetieën kunnen wij met zekerheid zeggen, dat Israël nog een
afschuwelijke tijd tegemoet gaat, die zelfs de vreselijkste zal zijn uit zijn
geschiedenis. Ook de “koning van het Zuiden” (Egypte) zal daarin aan het hoofd
van zijn Arabische entente ongetwijfeld een rol spelen. Deze koning van het
Zuiden wordt genoemd in Daniël 11:40, dat ons verplaatst in de eindtijd ¬. Hoewel met deze koning in de eerste plaats het staatshoofd van Egypte
wordt bedoeld, moet men hem in breder verband zien als leider van een Arabisch/Afrikaans
blok, waar in ieder geval Egypte, Ethiopië en Lybië deel van zullen uitmaken.
De pogingen die Egypte zou gaan doen om Arabieren en Afrikanen in een derde
wereldmacht te verenigen, wijzen onmiskenbaar op een dergelijke blokvorming.
Het feit, dat straks de antichrist ¬ de
wereldmacht in handen zal hebben, wil allerminst zeggen, dat de noordelijke,
oostelijke en zuidelijke statenblokken zich zonder slag of stoot aan hem zullen
onderwerpen. Ook zullen deze machtsblokken onderling elkander niet goed gezind
zijn. In Daniël 11:42, 43 lezen wij, hoe de koning van het uiterste noorden (Rusland
en zijn satelietstaten) een geweldige aanval zal doen op het Egyptische blok.
Ook Ezechiël profeteert van groot onheil over Egypte, als “het uur der volken”
zal zijn geslagen. De Russische invasie zal veel verwoesting teweegbrengen,
zowel in Egypte, als in de met deze staat verbonden landen (Ezech. 30:1-9). Men
moet toch wel verblind zijn, om in het licht der profetie het hedendaagse
wereldgebeuren niet te onderkennen als een voorbereiding tot de aangekondigde
dramatische slotfase van de menselijke heerschappij. Men moet wel horende doof
zijn, om niet de taal “der bomen” te verstaan, die ons zegt, dat het
Koninkrijk nabij is (Luk. 21:29-31). Het
einde der aardse wereldmachten is in zicht. In een razend tempo ontwikkelen
zich de gebeurtenissen, die aan de wederkomst des Heren ¬ moeten voorafgaan. Maar Hij komt om Zijn Rijk te vestigen van vrede en
gerechtigheid en daarover als Koning te heersen Duizendjarig
Rijk). Dan zal God Zich ontfermen over de volken der aarde. Egypte zal zich dan
tot de Here bekeren en door Hem worden aangenomen als “Mijn volk”. De woorden
uit Jes. 19:25 zullen werkelijkheid worden: “Gezegend zij Mijn volk Egypte en
het werk Mijner handen, Assur en Mijn erfdeel Israël”. EINDTIJD.
Steeds wordt in dit boek het woord “eindtijd” genoemd. Daar dit mogelijk zou kunnen
worden misverstaan, is het niet ondienstig even te vermelden, dat dit woord
geen betrekking heeft op “het einde der wereld”. Bij het woord eindtijd moet
worden gedacht aan die periode, waarin zich de slotfase voltrekt van de
geschiedenis der menselijke heerschappij. De eeuwen door heeft deze gestaan
onder de verderfelijke heerschappij van de satan, de “overste dezer wereld”;
doch in de eindtijd zal de wederkomst des Heren ¬ daaraan een definitief einde maken. Dan zal alle wereldse macht vernietigd
worden en sticht Christus Zijn Rijk van vrede en gerechtigheid. ELIA
(mijn God is Jahweh) was een der meest dynamische geestelijke leiders, die
Israël ooit heeft gekend. Helaas kunnen wij in dit bestek niet ingaan op de
bewogen geschiedenis van deze grote man Gods, noch op zijn betekenis als profeet,
maar moeten wij ons bepalen tot de rol, die Elia nog zal hebben te spelen in de
toekomst. Vooraf
moeten wij echter even vaststellen, dat Elia nooit gestorven is, doch
lichamelijk ten hemel voer (2 Kon. 2:11). Later is hij van daaruit in
gezelschap van Mozes verschenen op de berg der verheerlijking en hadden zij een
gesprek met Jezus over diens aanstaande lijden in Jeruzalem (Luk. 9:31). Over
de terugkeer van Elia werd reeds geprofeteerd in Maleachi 4:5, waar God zegt:
“Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte Dag des Heren ¬ komt”. Deze
verwachting leeft nog altijd onder het Joodse volk. Op familiefeesten en
speciaal op het Paasfeest is het de gewoonte, om aan de tafel een plaats voor
Elia gereserveerd te houden. Soms wordt er zelfs voor hem gedekt. Dit alles ten
bewijze, dat hij welkom is, als hij binnen mocht komen. Het
kan haast niet anders, of de drie discipelen, die met Jezus op de berg der
verheerlijking waren, hebben bij het zien van Elia gedacht aan de profetie van
Maleachi. Zij hebben althans aan Jezus de vraag gesteld: “Hoe kunnen de
Schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen...?” Het dubbelzinnige
antwoord, dat zij kregen, moet hen wel raadselachtig in de oren geklonken
hebben: “Elia zal wel komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds
gekomen is...” (Matth. 17:10-13). Hieruit begrepen de discipelen dat Hij hen over
Johannes de Doper gesproken had. De man in kwestie zelf had echter al eerder
ontkend, dat hij Elia was. Een deputatie van de Joden, bestaande uit priesters
en levieten, had hem pertinent gevraagd: “Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben
het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen!” (Joh. 1:21). Dit
alles schijnt wel tegenstrijdig aan elkander, maar het is mogelijk, dat de
verklaring daarvan is, dat Maleachi’s profetie ten dele vervuld werd in de
komst van Johannes de Doper, maar dat de eindvervulling nog moet komen. 1n
Johannes de Doper is ongetwijfeld de geest en de kracht van Elia openbaar
geworden. Voegen we bij dit alles nog het feit, dat Jezus’ verklaring over de
komst van Elia geschiedde nadat Johannes de Doper reeds gedood was, dan kan eenvoudig
worden gesteld: Elia is gekomen en hij zal nog komen! Maleachi’s profetie gaat
ook beslist verder dan de tijd van Johannes de Doper en betreft duidelijk de
tijd van het einde. Zij voorzegt Elia’s terugkeer om Israël voor te bereiden op
de grote en geduchte Dag des Heren. Openb.
11:1-14 geeft ons omtrent die terugkeer nadere inlichtingen, want, ook al wordt
hij daarin niet bij name genoemd, Elia is in dit Schriftgedeelte duidelijk te
herkennen als één van de twee getuigen ¬, die tijdens de antichrist ¬ van
Godswege op aarde zullen prediken. ENGELEN. Het
woord “engel” komt van het Gr. angelos = boodschapper. Het zijn bovenaardse,
doch niettemin geschapen wezens. Zij bekleden in de verschillende orden,
waarin zij zijn gesteld, verheven en soms zeer machtige functies. Het
is goed enige kennis te verkrijgen omtrent dit onderwerp, omdat we dagelijks
met engelen te maken hebben en temidden van hen leven, ook al zijn we ons dat
niet bewust. Gelovigen
mogen er zeker van zijn, dat God engelen uitzendt om hen te dienen, waar en
wanneer dit ook maar nodig is (Hebr. 1:14). Er zijn vele voorbeelden van, dat
kinderen Gods bijv. op onverklaarbare wijze voor gevaar werden gewaarschuwd, of
gedrongen werden iets te doen of ergens heen te gaan, waaraan zij uit zichzelf
niet zouden hebben gedacht. Dat zijn “de engelen, die ons omringen of zweven
voor ons heen” uit het bekende gezangvers. Toch moeten wij ook hierin de
geesten onderscheiden of zij uit God zijn, want ook demonen kunnen ons op
gelijke wijze beïnvloeden. Het ontstaan en bestaan der engelen
De
schepping der engelen had plaats “in den beginne” (Gen. 1:1), nog voor de aarde
geschapen was (Job 38:4-7). Daar het geslachtloze wezens zijn, hebben zij zich
niet door voortplanting vermenigvuldigd, doch zijn ze ieder afzonderlijk
geschapen door Jezus Christus (Col. 1:15, 16). Hoe groot het aantal van deze
hemelbewoners is, kan bij benadering niet worden geschat. Volgens Job 25:3 zijn
het ontelbare scharen. Enkele malen worden getallen genoemd van engelenmassa’s,
die tot een bepaalde groep behoren. Daniël
7:10 geeft een aantal van duizend maal duizenden (dat is minireaal 2.000.000)
dienende engelen en tienduizend maal tienduizenden (dat is een meervoud van
100.000.000) engelen, die voor Gods troon staan. Ook Openb. 5:11 vermeldt een
astronomisch aantal engelen, die zich rondom de troon van God en het Lam
bevinden, namelijk tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.
Van de cherubs ¬ wordt gezegd: “Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, duizenden bij
duizenden” (Ps. 68:18). Orde van engelen
Uit
gegevens, die de bijbel verschaft, is het mogelijk vast te stellen, dat de
engelenmassa in verschillende orden of klassen is ingedeeld. In de engelenwereld
is sprake van “tronen, heerschappijen, overheden en machten” (Col. 1:16), die
ook worden onderscheiden in de volgende groepen: a. Cherubs.
Deze wezens verkeren in de onmiddellijke nabijheid van de troon Gods. Zij
vormen als het ware een muur rondom de Allerhoogste, doch bevinden zich ook
onder de troon, waarom zij soms “troondragers” worden genoemd. “Hij troont op
de cherubs” (Ps. 99:1; Jes. 37:16). De functie der cherubim wordt op
aanschouwelijke wijze afgebeeld in de tabernakel. Zo zien wij in het Heilige
der heiligen een tweetal cherubs hun vleugels uitspreiden over het
verzoendeksel van de ark, die het symbool was van de troon van God. Ook de
toegang tot het Heilige der heiligen was afgesloten door een voorhang, waarop
cherubs waren afgebeeld. Zij riepen als het ware de stervelingen een
onverbiddelijk halt toe, als deze het zouden wagen het Allerheiligste binnen te
treden en de troon van God te naderen. Op
het door Jezus uitgesproken “Het is volbracht!” bij Zijn kruisiging, is de
voorhang echter gescheurd en heeft ieder, die gered is door het bloed van het
Lam, een vrije en open toegang tot de troon van God (Hebr. 10:19-22). Van
de gedaante der cherubs wordt in Ezech. 1 en 10 een wonderlijke beschrijving
gegeven. Daar maakt de profeet melding van een tweetal visioenen, waarin hij
een eigenaardig soort “levende wezens” aanschouwde, die door hem pas in het
tweede gezicht werden herkend als cherubs. Hoewel
ze ergens de gedaante hadden van een mens, waren zij daarvan toch geheel
onderscheiden, doordat zij vier aangezichten hadden en vier vleugels. Het meest
vreemde waren de raderen, waarop zij zich voortbewogen. Met behulp daarvan
konden zij alle kanten heengaan, zonder zich om te keren. Ook die raderen
leefden en de velgen daarvan waren vol ogen. Men leze de interessante beschrijving
van deze wonderbare wezens in de genoemde hoofdstukken van Ezechiël. b. Serafs.
Deze worden slechts eenmaal in de bijbel genoemd en wel in Jesaja 6. Daar
blijkt, dat deze hemelwezens enige overeenkomst hebben met cherubs. Ook zij
bevinden zich in de directe nabijheid Gods, met dit verschil, dat \vaar de cherubs
zich onder en rondom de troon van God bevinden, de serafs zich daarboven
ophouden (Jes. 6:2). In hun gedaante verschillen zij in zoverre van de andere
engelen, dat zij zes vleugels hebben. Hun taak is voortdurend de heiligheid van
de Here der heerscharen te verkondigen. De
naam seraf is afgeleid van het werkwoord saraf, dat “branden” betekent. Zij
staan derhalve in verbinding met vuur en bedienen het altaar. Bij Jesaja was
het een seraf, die hem aanraakte met een kool van het altaar, waarmee de
onreinheid van zijn lippen verzoend en hij geheiligd werd tot de dienst van
God. Dit mag ons er aan herinneren, dat ieder, die op enigerlei wijze dienst
wil verrichten in Gods Koninkrijk, zich eerst moet verootmoedigen voor het aangezicht
des Heren, om gereinigd te worden van alle besmettingen des geestes en des
vlezes. c. Aartsengelen. In
de bijbel wordt slechts één aartsengel roet name genoemd, namelijk Michaël.
Toch is mogelijk ook Gabriël een aartsengel. De apocriefen hebben bovendien
nog Uriël en Rafaël, terwijl in de Joodse literatuur niet minder dan zeven
aartsengelen vermeld worden. MICHAEL.
Zijn naam betekent: “Wie is God gelijk?” Reeds uit deze naam blijkt, dat
Michaël de volstrekte pendant is van satan, die immers aan God gelijk wilde
zijn? (®
Duivelen). We zien Michaël dan ook herhaaldelijk in strijd verwikkeld met
satan, nu eens om het bezit van het lichaam van Mozes (Judas:9), dan weer met
de “luchtvorst van Perzië” (Dan. 10:13). Ook bij de opname der Gemeente ¬ zal Michaël een rol vervullen, als hij met de stem van een aartsengel
de doden, die in Christus gestorven zijn, uit het graf zal roepen (1 Thess.
4:16). In de
eindtijd zal Michaël, tezamen met zijn engelen, zegevierend tevoorschijn komen
uit zijn laatste strijd met de draak ¬, dat is de duivel (Openb.
12:7-12). GABRIEL
(“man Gods” of “God heeft zich machtig betoond”). Tot zijn taak behoorde het
aankondigen van Gods Raadsbesluiten en het brengen van bijzondere boodschappen
(Luk. 1:19 en 26). Ook in Dan. 8:16 en 9:21 is hij Gods boodschapper. d. Engel des Heren.
Komt in het O.T. ook voor onder de naam Engel des Verbonds of Engel des
aangezichts, waar hij optreedt als vertegenwoordiger van Christus, voor Diens
menswording. Dat hij volkomen volmacht heeft of mogelijk de Here Zelf is,
blijkt b.v. uit Gen. 16:10, waar de Engel des Heren tot Sara zegt: “Ik zal uw
nageslacht zeer talrijk maken”. Vgl. ook Gen. 31:11 met 31:13. Het wezen der engelen
Engelen
zijn geestelijke wezens, maar hebben toch een lichaam. Dit lichaam is van een
etherische stof, die wij niet kennen en die niet gebonden is aan onze natuurlijke
wetten van ruimte, tijd en stoffelijke beperkingen. Vandaar, dat zij zich in
een oogwenk kunnen verplaatsen van de hemel naar de aarde (Dan. 9:20). Hun uiterlijk
moet van onbeschrijfelijke heerlijkheid en schoonheid zijn (Matth. 28:3). Zij
kunnen zich echter ook manifesteren in gewone menselijke gedaanten, zoals b.v.
bij Abraham (Gen. 18:2), Lot (Gen. 19:1), Daniël (Dan. 3:25) enz. Ook nu komt
het nog voor, dat engelen zich in mensengedaante met aardbewoners in
verbinding stellen. Hierover bestaan betrouwbare getuigenissen. Bovendien is
daar het bewijs uit Hebr. 13:1 “Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor
hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd”: Engelen in de eindtijd
Nog
altijd is satan de “overste dezer wereld”. Naarmate hij echter de tijd ziet
naderen, dat door Christus aan zijn onrechtmatige heerschappij een einde wordt
gemaakt, zal hij in steeds grotere woede de machten der duisternis mobiliseren,
om zijn regiem nog zolang mogelijk te kunnen handhaven en de goddeloosheid en ongerechtigheid
ten toppunt te voeren.
Onze
verhandeling over de engelen, die wij hiermee besluiten, kan geen aanspraak
maken op volledigheid, maar toch hopen wij er in geslaagd te zijn u enig
inzicht te hebben gegeven in wat de bijbel ons openbaart aangaande de wondere
wereld der engelen. Zij
zijn voor ons voorbeelden van gehoorzaamheid aan God. Vandaar, dat Jezus ons
heeft leren bidden: “Uw wil geschiede, op aarde als in de hemel...” ESCHATOLOGIE is
een onderdeel der theologische wetenschap en betreft de leer der laatste dingen
¬. EUFRAAT.
Deze rivier, die op de bergen van Armenië ontspringt, stroomt over een lengte
van In
de bijbel neemt de Eufraat een bijzondere plaats in, o.a. als één van de
grenzen van het Paradijs en ook als de toekomstige grens van het eens aan
Abraham beloofde land (Gen. 15:18; Deut. 11:24; Joz. 1:4). Ook
op het wereldtoneel heeft de Eufraat een rol gespeeld, als natuurlijke
hindernis voor oprukkende legerscharen. In
de eindtijd echter, als de legers van de koningen der aarde zich zullen
verzamelen op de bergen van Israël, tot de slag van Armageddon ¬, zal de Eufraat geen beletsel kunnen vormen voor de opmars van de miljoenenlegers
uit het Verre Oosten. Want als de zesde toornschaal ¬ van de gramschap Gods wordt uitgegoten over de Eufraat, dan zal het
water van die rivier opdrogen, waarmee “de weg bereid wordt voor de koningen,
die van de opgang der zon komen” (Openb. 16:12). EZECHIËL
(God geeft kracht) was in de tijd van de ballingschap een der grootste
profeten. Na in 597 vC met vele anderen naar Babel te zijn weggevoerd, woonde
hij te Tell-Abid, nabij de rivier de Kebar. Ofschoon hij oorspronkelijk
priester was te Jeruzalem, werd hij in 592 geroepen tot het profetenambt, dat
hij minstens twintig jaar lang moet hebben bekleed. Het
naar Ezechiël genoemde bijbelboek bevat zeer belangrijke profetieën, waarvan
vele nog op vervulling wachten. Betreffende de strijd tegen Gog ¬ vermelden de hoofdstukken 38 en 39 uitgebreide bijzonderheden. Ook het
bekende visioen van het “doodsbeenderendal” ¬ in Ezech. 37 is een belangrijke profetie van de nationale en
geestelijke opstanding van het volk Israël. In
dit hoofdstuk wordt ook het onmiskenbaar bewijs geleverd, dat de twee en de
tien stammen eenmaal weer verenigd zullen worden tot één rijk, waarvan de Zoon
van David, Christus, Koning zal zijn (Ezech. 37:15-28). Opmerkelijk
is voorts, wat Ezech. 40-44 mededeelt aangaande de tempel, die ten tijde van
het Duizendjarig Rijk ¬ zal
staan te Jeruzalem. Niet minder dan vier lange hoofdstukken zijn gewijd aan een
architectonische beschrijving van deze prachtige tempel. Ook worden uitgebreide
inlichtingen gegeven aangaande de dienst, die daarin zal worden uitgeoefend. F
FILADELFIA ¬ Zeven gemeenten. FIOLEN.
Oude benaming voor schalen of schotels van nogal ruime omvang. In de Statenvertaling
spreekt het boek Openbaring van “zeven fiolen, vol van de toorn Gods” (Openb.
15:7; 16:1; 17:1; 21:9). De Nieuwe Vertaling heeft daarvoor eenvoudig het woord
“schalen”. G
GABRIEL ® Engelen. GEITENBOK ® Ram en geitenbok. GENADETIJD.
Meermalen wordt de vraag gesteld, of er na de opname der Gemeente ¬ nog behoudenis mogelijk is. We kunnen op grond van de bijbel daarop
bevestigend antwoorden, ofschoon daarbij moet worden opgemerkt, dat men dan
niet meer zalig kan worden uit genade alleen. Nu leven wij nog in de
“welaangename tijd”; dat wij “om niet gerechtvaardigd worden uit Gods genade,
door de verlossing in Christus Jezus” (Rom. 3:24). Op het moment van Christus’
komst voor de Zijnen, zal de dag der genade echter een absoluut einde genomen
hebben. Wie behouden is wordt opgenomen en gaat met Christus in de vreugde van
de Bruiloftszaal. Wie niet is wedergeboren blijft achter in de nacht der
boosheid, die dan over de aarde zal vallen. Na de opname begint de periode van
de antichrist ¬ en onder zijn regiem de “ure der verzoeking, die over de gehele wereld
komen zal” (Openb. 3:10). Dat zal niet alleen zijn “de dag der benauwdheid voor
Jakob”; maar ook voor allen, die het “merkteken van het beest” ¬ afwijzen en de God des hemels trouw blijven. Iedereen zal het “beeld
van het beest” ¬ moeten aanbidden om zijn merkteken op rechterhand of voorhoofd te
kunnen verkrijgen. Weigeraars stellen zich dan bloot aan de afschuwelijkste vervolging,
die eindigt met een vreselijke dood. Groot
zal echter de schare overwinnaars zijn, die in het aangezicht van foltering en
dood “neen” zullen zeggen tegen het beest en de valse profeet ¬. Johannes ziet ze in een ontelbare menigte voor de troon van God en van
het Lam, gehuld in witte klederen en met de palmtak der overwinning in de
handen (Openb. 7:9-17). Na de hitte der vervolging heeft God Zelf Zijn tent
over hen uitgespreid en hen de tranen van de ogen gewist. Zij zijn behouden,
maar hebben de behoudenis verkregen tegen de hoge prijs van eigen bloed en
leven. Blijkens
het bovenstaande is het dus zeker, dat na de opname nog behoudenis mogelijk is,
maar ook, hoe ontzaggelijk moeilijk het zal zijn om die te verkrijgen en
staande te blijven in de ure der verzoeking. Nu
is het nog mogelijk behouden te worden enkel “uit genade door het geloof” (Ef.
2:8). Na de opname kan de zaligheid alleen verworven worden op bovenvermelde
wijze. Voor het heden der genade geldt: “De straf, die ons de vrede aanbrengt
was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53:5). Na de
genadetijd zal men zelf de straf moeten dragen, zelf de striemen moeten
ondergaan, om door lijden tot heerlijkheid te kunnen komen. Hoe
noodzakelijk is het dan om nu, in de tijd der genade, de goede keuze te doen.
De apostel zegt: “Zie, nu is het de tijd des welbehagens; zie, nu is het de dag
des heils!” (2 Cor. 6:2). Maar de avondstond van deze dag is reeds lang aangebroken.
Nog even en dan komt de nacht der boosheid en verdrukking. Wat
gaat u doen? Wilt u nu de goede keuze doen, door hart en leven aan Jezus
Christus over te geven, om behouden te worden uit genade? Of wilt u straks voor
die keuze staan, maar dan tegenover de antichrist, met geen ander alternatief
dan vervolging en dood? Luister
naar de roepstem uit het Woord van God: “Heden, indien gij Zijn stem hoort,
verhardt uw harten niet!” (Hebr. 3:15). “In naam van Christus vragen wij u:
Iaat u met God verzoenen” (2 Cor. 5:21). GERICHT.
Dit woord komt vele malen in de bijbel voor, hoofdzakelijk in het 0.T. en heeft
dan de betekenis van rechtspraak. Zonder rechtspraak zal God nimmer oordelen. Ten
aanzien van het burgerlijke en gemeentelijke leven vermaant de apostel Paulus,
om bij onderlinge geschillen niet bij ongelovigen recht te zoeken, doch
desnoods liever schade en onrecht te lijden. Paulus vindt voor hemzelf alleen
het goddelijk gericht belangrijk. I let menselijk gericht raakt hem minder,
want hij is zich van niets bewust (1 Cor. 4:1-5). In
de toekomst zullen van Godswege drie grote gerichten plaats hebben, in de
volgorde als hieronder vermeld: 1. Het gericht over de werken der gelovigen. Bij dit gericht, waarvoor alleen de kinderen Gods zullen verschijnen,
zal het niet gaan over het behouden of verloren zijn, maar of en in hoeverre
men loon zal ontvangen (1 Cor. 3:10-15). Het gericht zal plaatsvinden voor de
“Rechterstoel van Christus” ¬ (2
Cor. 5:10). 2. Het gericht over de volken der aarde. Dit zal plaats hebben na de slag van Armageddon ¬ en gehouden worden in het Dal van Josafat ¬. Bij deze gelegenheid zullen de volken zich tegenover de wedergekomen
Christus snoeten verantwoorden ten aanzien van de wijze, waarop zij zich jegens
Israël hebben gedragen (Matth. 25:31-46). Zie art. Volkerengericht. 3. Het jongste gericht of laatste oordeel ¬. Dit zal plaatsvinden aan het einde van alle dingen, voor de Grote
Witte Troon, na de algemene opstanding der doden (Openb. 20:11-15). Het
jongste gericht betreft: a.
het oordeel over de gevallen engelen, die tot zolang bewaard zijn geweest in de
“put des afgronds” ¬; b.
het gericht over de doden uit de laatste opstanding. Deze worden geoordeeld
naar wat in de boeken beschreven staat; c.
het gericht over de kosmos (2 Petr. 3:7). Zie: Wereldondergang. Het
gericht wordt uitgevoerd door Christus (Joh. 5:22). Klink GETALLENSYMBOLIEK. (Kritische noot van
A.P. Geelhoed bij dit onderwerp. Persoonlijk vind ik de onderstaande uitleg
soms te speculatief en daarom niet echt overtuigend.) Hieronder
verstaan wij een zinnebeeldig gebruik van getallen. Dit kwam voor bij alle
volken en werd ook aangetroffen onder Israël. In de bijbel hebben sommige getallen
eveneens een verborgen betekenis. In tegenstelling tot de geheimleer der Joodse
“kabbala”, die in de mystieke uitleg van getallen erg speculatief is, dient
deze symboliek zich in de bijbel aan als zinvol en wezenlijk. Voor
de hierna volgende verklaring van een aantal getallen, hebben wij verschillende
uiteenzettingen nageslagen en kunnen u als resultaat daarvan het volgende
weergeven: Eén = God (Deut. 6:4) in de
verborgen absoluutheid van Zijn Wezen, Hij is de volstrekt eerste oorzaak,
welke niet beter kan worden uitgedrukt, dan in het getal één. Door God bestaan
alle dingen. De eenheid is de grondslag en steun van alle voortzetting. Twee = Christus, de tweede
Persoon in de Goddelijke Drie-eenheid. Het is het eerste getal van de één
afgerekend, doch in zichzelf niet compleet. Het is het voortbrengende getal,
dat pas compleet is, als het product eraan is toegevoegd. Man en vrouw is één,
maar het product is nodig om een familie te kunnen vormen. Zo gaat de Geest uit
van de Vader en de Zoon. Drie = de Drieëenheid: Vader,
Zoon en Heilige Geest. Het getal der persoonlijke voltooiing, samengesteld uit
drie getallen, die ieder op zichzelf één zijn. Als symbool van de Drieëenheid
is van drie dus elk getal God en nochtans zijn de Drie tezamen Eén. De drie is
de eerste en meest vaste samengestelde eenheid in de wiskundige wetenschap. Ook
de eenvoudigst samengestelde figuur in de meetkunde, de driehoek. Als
Drieëenheid bestaat het ook in al Gods werken. De mens bestaat uit lichaam,
ziel en geest; de familie bestaat uit man, vrouw en kind; godsdienst bestaat
uit kennis, handeling en ondervinding. Telkens drie-een. Vier = de wereld. Vier komt
voort uit drie en sluit drie in zich. Uit de drie van de Drieëenheid is de vier
van de schepping, het heelal, voortgekomen. De wereld lost zichzelf op in vier
elementen: vuur, lucht, aarde en water. Er zijn vier kompasstreken: noord,
zuid, west en oost; vier winden en vier jaargetijden. De bijbel spreekt van
vier grote wereldmachten (Dan. 2). Ook de oosterse wijsgeren zien in de vier
algemeen het beeld van de wereld en het heelal. Vijf = de vooruitgang, snaar
onvolkomen. Het is de volkomen drie, met de onvolkomen twee. Op de vijfde dag
werd het leven geschapen in de zee, maar nog niet op het land. De vijfde
toornschaal ¬ wordt uitgegoten over de zetel van het beest, die daardoor echter nog
niet geheel wordt verwoest. Vijf wijze en vijf dwaze maagden, die aantonen, dat
de ene klasse niet al de verlosten insluit en de andere niet allen bevat, die
aan de gesloten deur kloppen. Zes = de mens. Hij werd op de
zesde dag geschapen. Zes dagen van de week zijn voor menselijke arbeid. Het
getal van “de mens der zonde”; de antichrist ¬ is zeshonderdzesenzestig ¬. In
deze afschuwelijke drie-eenheid openbaart zich straks de antivader (de duivel),
de antizoon (het beest) en de antigeest (de valse profeet). Zeven = de volheid. Dit
getal sluit in zich het begrip van heiligheid, zich in de wereld openbarende.
Het is de Drieëenheid in verband niet het geschapene: de goddelijke Drie met de
wereldse vier. Het getal heeft altijd betrekking op het verbond tussen God en
mensen en komt aan de orde, daar waar Schepper en schepsel elkander ontmoeten.
Daarom wordt de zeven een “heilig getal” genoemd. We vinden dit in de geheiligde
zevende dag, alsook in de eed, waarin een Hebreeuws woord wordt gebruikt, dat
dit getal bevat. Soms zien we het in gevallen van gemeenschap tussen God en
mens (de Goddelijke Een + de menselijke zes) of in voorstellingen van hetgeen
heilig is in het aardse. De bijbel is vol van voorbeelden. Vooral het boek
Openbaring is een boek van zevens: zeven kandelaren, zeven zegels, zeven
bazuinen, zeven toornschalen enz. (Zie art. “Zeven in de Openbaring”). Acht = nieuw begin, opstanding.
De achtste dag is de eerste van een nieuwe week; de achtste toon de eerste van
een nieuwe toonladder. Het Joodse jongetje wordt op de achtste dag besneden.
Met Noachs familie van acht personen begon God na de zondvloed een nieuwe
mensheid. Christus stond op uit het graf op de achtste dag, de eerste der
nieuwe week. De achtste dag was vastgesteld voor de reiniging van melaatsen,
onreine mannen, kraamvrouwen en Nazireeërs. Negen. Voor dit getal wordt
blijkbaar in de bijbel geen bepaalde betekenis gevonden. Tien = het getal der
menselijke verantwoordelijkheid. De wet van God heeft tien geboden. Over Egypte
kwamen tien plagen. Het grote beest van de wereldse macht in de eindtijd (® Romeinse rijk) heeft tien hoornen, zoals het statenbeeld ¬ uit Daniël 2 tien tenen heeft. De handelingen der mensen worden
letterlijk uitgevoerd door de handen, die tien vingers bevatten. Twaalf = het getal der
volkomenheid. Een jaar heeft twaalf maanden, de dierenriem heeft twaalf tekens.
Israël heeft twaalf stammen, de Gemeente twaalf apostelen. Het Nieuwe Jeruzalem
heeft twaalf poorten en twaalf fundamenten. Veertig = het getal van de
wachtenstijd. Mozes moest, alvorens Israël uit Egypte te kunnen leiden, veertig
jaar de woestijn in om de wijsheid der Egyptenaren af te leren. Mozes was
veertig jaar oud, toen hij meende het volk te kunnen verlossen, maar hij was 2
x 40 = 80 jaren oud toen het eindelijk zover was en 3 x 40 = 120 jaren oud,
toen zijn taak voleindigd was en hij stierf op de berg Nebo. Veertig
jaar heeft Israël moeten wachten, alvorens het beloofde land te kunnen
binnentrekken. Veertig dagen heeft Mozes op de berg vertoefd, alvorens het volk
de stenen tafelen der Wet te kunnen geven. Veertig dagen was Jezus in de
woestijn, om verzocht te worden door de duivel. Veertig
dagen liggen tussen de opstanding en hemelvaart van Christus. Veertig eeuwen
heeft de wereld gewacht op de vervulling van de moederbelofte uit het paradijs. Zeventig = het getal der
voleinding. Zeventig jaren duurde de Babylonische ballingschap. Zeventig
jaarweken ¬ worden genoemd in het boek Daniël, de tijd omvattende van de herbouw
van Jeruzalem tot de voleinding der menselijke heerschappij. Zeventig was ook
het aantal oudsten in Israël, alsook het aantal discipelen, dat door Jezus werd
uitgezonden om te prediken. Zeventig maal zeven is het aantal keren, dat
mensen elkander moeten vergeven. Klink GETAL ZESHONDERDZESENZESTIG. Dit raadselachtige getal, dat reeds zovele Schriftonderzoekers heeft
beziggehouden, komt voor in Openb. 13:17, 18. Wij lezen daar “dat niemand kan kopen
of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest of het getal van zijn
naam heeft. Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het
beest, want het is het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig”. De
vraag, die zich onmiddellijk voordoet, is: Hoe kan in een getal een naam worden
uitgedrukt? Het antwoord ligt in de omstandigheid, dat hier gerekend moet
worden met de Griekse taal, die geen cijfers kent, maar voor getallen
lettersymbolen gebruikt. Zo bestaat ook het getal 666 uit drie letters:
Zo heeft
dus ook elk Grieks woord een bepaalde getalswaarde en kan derhalve uit het
getal 666 één of meer woorden worden berekend. In het getal van Openb. 13 ligt
daarin verborgen de naam van het beest uit de zee ¬, de antichrist ¬. Zolang
het boek Openbaring bestaat, is dit onderwerp een uitdaging geweest aan de
Schriftverklaarders, om te trachten deze puzzel op te lossen. De meest fantastische
verklaringen zijn daarvan het resultaat geweest. Wat heeft men gerekend en
geknutseld en gespeculeerd. Vaak construeerde men een verklaring, die eigen
leerstellingen of Schriftbeschouwing ten goede kwam. Zo wordt graag aangenomen,
dat met het getal 666 de Romeinse keizer Nero is bedoeld, omdat de letters,
waaruit de woorden “keizer Nero” bestaan, een getalswaarde hebben van 666. Dit
past wel mooi in de Augustiniaanse eschatologie, maar geeft geen enkel bewijs.
Want welke waarde aan zulk soort berekeningen moet worden gehecht, blijkt uit
het feit, dat op deze wijze legio uitkomsten zijn verkregen, die keurig
kloppen wat getalswaarde betreft, maar die volkomen tegenstrijdig zijn. De
Roomsen berekenden uit 666 de naam Luther, de protestanten daarentegen haalden
er de naam van sommige pausen uit. Anderen meenden een goede oplossing te
hebben gevonden in namen als Mohammed, Napoleon of Hitler. Een typisch voorbeeld
van willekeurige berekening geven b.v. de Zevendedags Adventisten. Deze
broeders beweren, dat de paus aan zijn tiara een lint draagt, waarop de woorden
staan: “Vicarius Filii Dei”; hetgeen betekent: “Stedehouder van de Zoon Gods”:
Nu hebben zij van deze woorden de volgende getalswaarde berekend, waarop men
tenslotte uitkwam op het getal 666:
De
getalswaarde van dit opschrift bedraagt inderdaad 666, doch reeds het opschrift
zelf bewijst, dat een paus of het pausdom nooit de antichrist kan zijn, omdat
deze zich verheffen zal “tegen al wat God of voorwerp van verering heet” (2
Thess. 2:4), en zich dus in geen geval “Stedehouder van de Zoon Gods” zou
willen noemen. De
Zevendedags Adventisten zullen het wel niet prettig vinden, dat de naam van hun
eigen profetes mrs. Ellen Gould White toevallig ook het getal 666 oplevert:
Natuurlijk
is noch de paus, noch mrs. White de antichrist, daar zij beiden erkennen dat
Christus de Zoon van de levende God is (1 Joh. 2:22). Naar onze overtuiging zal
God in de periode van de antichrist voldoende licht, wijsheid en verstand
schenken, om het getal van zijn naam te kunnen berekenen. Voor onze tijd is die
van geen enkel nut, en daarom zullen tot zolang ongetwijfeld alle berekeningen
falen. GETUIGEN (® Twee getuigen). GEVANGENIS (® Afgrond). GEZANG VAN MOZES (® Lied van Mozes en van het Lam). GEZICHT (® Visioen). GLAZEN ZEE.
Deze wordt genoemd in Openb. 4:6 en 15:2, waar Johannes door een geopende deur
in de hemel een blik krijgt op de majesteitelijke troon van de Allerhoogste. De
heerlijkheid, door hem aanschouwd, kan hij slechts tot uitdrukking brengen in
aardse bewoordingen, die geheel ontoereikend zijn om de schoonheid der hemelse
dingen weer te geven. Zo
zag hij voor de troon iets, dat hij vergelijkt roet een “glazen zee, kristal
gelijk”. Hier is wel enige overeenkomst met wat de profeet Ezechiël schrijft
over een soortgelijk visioen (Ezech. 1:22). Ook hij zag de troon Gods, rustende
op iets “dat geleek op een uitspansel als ontzagwekkend ijskristal”. We kunnen
hierbij denken aan een enorm kristallen plateau, dat niet zo maar in de ruimte
hing, maar gedragen werd door eigenaardige gevleugelde wezens. Deze
troondragers herkende hij in hoofdst. 10 als “cherubs” (® Engelen). Ook Johannes zag vier van deze zelfde wezens, die door hem
“dieren” worden genoemd, rondom de troon van God. Opent,.
4:6, vergeleken met Ezech. 1:22 geeft dus gerede aanleiding om bij “glazen zee”
te denken aan een reusachtig “plein” van doorzichtige stof en van grote
schoonheid en glans. Iets, dat een indruk geeft van ijskristal. Zo moet ook de
straat wezen van de hemelse stad, het Nieuwe Jeruzalem. Deze is immers ook van
zuiver goud, “gelijk doorschijnend glas”? (Opent,. 21:21). Voor
J. A. Bengel was de glazen zee als “een spiegel, die de alwetendheid, de
oneindige wijsheid van de menigte Zijner verborgenheden en oordelen in hun
onpeilbare diepte weerkaatste, en dat in volkomen klaarheid en
doorzichtigheid” (Gnomon Novi Testamenti - 1742). GOG EN MAGOG.
Wat deze eerste naam betreft, mag worden aangenomen, dat met Gog een persoon
wordt aangeduid, die in de eindtijd zal optreden als hoofd van een land of een
confederatie van landen uit het “verre noorden” (Ezech. 38:15). De hoofdstukken
38 en 39 van Ezechiël geven uitgebreide inlichtingen over Gog en het land
Magog, met betrekking tot de rol die zij zullen spelen in de eindfase van de
menselijke heerschappij. In Ezech. 38:2 wordt hij genoemd: “Gog in het land van
Magog, de grootvorst van Mesech en Tubal”. Het is dus duidelijk, dat Gog een
persoon is en Magog zijn land. Eeuwen
geleden heeft men al erkend, dat Ezechiël met het land uit het “verre noorden”
op Rusland doelde. In 1866 schreef Dr. John Cumming in zijn boek “The Destiny
of Nations” ten aanzien van Gog en Magog: “Ik vermoed dat deze koning uit het
noorden de autocraat van Rusland is . . . Dat Rusland in het profetisch woord
een plaats inneemt, en een zeer betekenisvolle plaats, wordt erkend door bijna
alle onderzoekers”. Tal
van schriftuurlijke aanwijzingen duiden er op, dat in de eindtijd een
noordelijk blok tot stand zal komen, waarvan Rusland aan het hoofd zal staan.
De Leidse Vertaling heeft, in navolging van de Septuagint: “Mensenkind, vestig
uw oog op Gog in het land van de vorst van Ros, Mesech en Tubal” (Ezech. 38:2).
Reeds de klankverwantschap met Rusland, Moskou en Tóbolsk (de laatste als
hoofdstad van Aziatisch Rusland) komt ten goede aan de mening van verschillende
geleerden en Schriftverklaarders, als Gesenius, Eliot, Bagster, Plinius en
anderen. Gog
en Magog zullen in de eindtijd een zeer belangrijke rol spelen. Rusland is zeer
geïnteresseerd in het Midden-Oosten, een belangstelling, die, naarmate de tijd
voortschrijdt, sterk zal toenemen. Tenslotte zal Rusland zijn bondgenoten bewapenen
en uitrusten tot een massale aanval op het herstelde Israël. We lezen in
Ezech. 38:10-12: “Zo zegt de Here Here: Te dien dage zullen er plannen in uw
hart opkomen; gij zult een boze aanslag beramen, - gij zult zeggen: ik zal optrekken
tegen een land van dorpen, een overval plegen op vreedzame lieden, die in
gerustheid wonen, allen zonder muur, grendels of poorten - om buit te maken en
roof te plegen, om uw hand te keren tegen de weer bewoonde puinhopen en tegen
een natie, die uit het gebied der volken bijeen gebracht is, die have en goed
heeft verworven, die op de navel der aarde woont”. Rusland zal er geen
vermoeden van hebben, dat het God Zelf is, die hen drijft naar de bergen
Israëls (38:4-7; 39:2), om daar een verschrikkelijk wraakgericht tegemoet te
gaan. Deze Russische aanval zal escaleren in de laatste wereldoorlog, waarbij
alle naties betrokken zullen zijn. Daarbij zullen Rusland en zijn bondgenoten
volkomen worden vernietigd door een machtsdaad van God, waardoor Hij Zich de
Heilige zal betonen en de volken zullen weten dat Hij de Here is (Ezech. 39:6,
7). Een
ontzettende nederlaag zal God bereiden aan “de koning van het verre noorden” en
diens bondgenoten. Niet alleen door het zwaard zullen zij vallen, maar ook
door vreselijke plagen als een enorme aardbeving, pest, stromende regen,
hagel, vuur en zwavel. Bovendien zal onder de verbonden legers een conflict
uitbreken, waardoor de zwaarden zich tegen elkander zullen keren. Zo
zullen Gog en al de volken, die met hem zijn, tenslotte vallen op de bergen
Israëls. Zeven maanden zal enen nodig hebben voor het maken van massagraven ten
oosten van de Dode Zee. Deze plaats zal men daarna noemen: “Dal van Gogs menigte”.
Zeven jaar zal men stoken van het achtergebleven wapentuig (Ezech. 39:9-12).
Dit laatste is voor de bijbelcritici altijd een lachertje geweest. Waar wordt
nog houten oorlogstuig gevonden? Maar waarom zouden wij hierbij niet mogen denken
aan buitgemaakte atoomladingen, met behulp waarvan Israëlische kerncentrales zeven
jaar lang energie zouden kunnen opwekken? In
dit alles zal God Zijn heerlijkheid onder de volken brengen en alle landen der
wereld zullen het gericht zien, dat Hij voltrokken heeft. Ook Israël zal weten,
dat de Here hun God is, van die dag af en voortaan (Ezech. 39:21, 22). Is
Magog in Ezechiël een land, in Openb. 20:8 wordt hij voorgesteld als een
persoon. Nu is het waarschijnlijk zo, dat bij het lezen van genoemde
Schriftplaatsen niet meer moet worden gedacht aan een bepaald land of volk,
maar veeleer aan een conglomeraat van alle goddelozen, die na het Duizendjarig
Rijk ¬ de zijde van satan zullen kiezen in zijn laatste opstand tegen de Here
en Zijn Gezalfde. GOMER.
(1) In Ezech. 38:6 wordt Gomer genoemd als één van de bondgenoten van Gog ¬ = Rusland. De stamvader van dit volk was Gomer, de oudste zoon van
Jafeth en een kleinzoon van Noach. Volgens Dr. Young wijzen de meest recente
archeologische vondsten er op, dat dit volk zich vestigde ten noorden van de
Zwarte Zee en zich vervolgens zuid- en westwaarts heeft verspreid naar de
uitersten van Europa. In
onze tijd wordt door de Joden aangenomen, dat met Gomer Duitsland wordt
bedoeld. Dit land wordt in het Hebreeuws dan ook Gomer genoemd. Een oude
Romeinse kaart doet hen wonen in het gebied, dat nu bestaat uit Polen,
Tsjechië-Slowakije en het oosten van Duitsland tot de oever van de Donau. Dit
geografische beeld komt ook voor in de Joodse Talmud. (2)
Een gomer is een oosterse droge inhoudsmaat van ± (3)
Gomer was de naam van de ontuchtige vrouw van de profeet Hosea. GROTE ROSSIGE DRAAK (® Draak). GROTE VERDRUKKING.
Hieronder verstaan wij de rampzalige toestand, die ten tijde van de antichrist
¬ over de aarde zal komen. Dit zal geschieden in de 70e jaarweek (® Dan. 9:27). Deze jaarweek ¬
betreft de periode van zeven jaar, die ligt tussen de opname der gemeente ¬ en de wederkomst des Heren ¬. Terwijl
vanuit de hemel een groot aantal oordelen over de aarde en de mensheid wordt
uitgestort, buigt zich de wereld onder de heerschappij van de antichrist en
zijn valse profeet ¬, die beiden zullen zijn toegerust met de macht en de kracht van de
duivel (Openb. 13:2b). Inmiddels
is dan liet Romeinse rijk ¬
weer herrezen, dat zal bestaan uit een confederatie van tien verschillende
staten. Over dit rijk zal de antichrist als dictator een despotisch bewind
voeren en van daaruit heel de wereld aan zich onderwerpen. Met
de openbaring van de persoon van de antichrist is voor God de maat van de
ongerechtigheid vol geworden. De genadetijd is geëindigd en op vreselijke wijze
zal God wraak doen over alle goddeloosheid en onbekeerlijkheid. Dan breekt de
grote en -geduchte Dag des Heren ¬ aan,
die komt, brandende als een oven (Mal. 4:1, 2). Een groot aantal ontzettend
zware oordelen zullen van Godswege over aarde en mens losbarsten, waarbij het
woord bewaarheid zal worden, dat God “de mensen zal benauwen, zodat zij gaan
als blinden, want zij hebben tegen de Here gezondigd” (Zef. 1:17). Gods
oordelen zullen rechtvaardig zijn, want talloze malen is de mens daarvoor in de
bijbel gewaarschuwd en tot bekering geroepen. Nog tot op de dag van vandaag
roept dit Woord de mensen toe: “Komt tot uzelf, ja, komt tot inkeer, voordat
het besluit tot uitvoering komt, voor dat over u komt de brandende toorn des
Heren .... Zoekt de Here, zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult
gij geborgen worden op de dag van de toorn des Heren” (Zef. 2:1-3). In
het boek Openbaring worden deze gerichten gerangschikt in drie groepen van
Zeven. Zij voltrekken zich: a.
bij de opening der zeven zegels, waarmee het boek des gerichts is gesloten
(Openb. 5:1-5); b.
bij het blazen van zeven oordeelsbazuinen ¬ (Openb. 8:2); c.
bij het uitgieten van zeven toornschalen ¬, gevuld met de gramschap Gods (Openb. 15:5-8). De
heerschappij van de antichrist is op zichzelf al een oordeel Gods. Zijn
verschijning als de ruiter op het witte paard (Openb. 6:1, 2) wordt pas
mogelijk, als het eerste zegel geopend wordt. De satanische afkomst van deze
zoon des verderfs is te herkennen aan zijn lasteren van God, zijn grootspraak,
despotisme, sluwheid en valsheid. De draak ¬, dit is de duivel, zal heen zijn macht en kracht geven (Openb. 13:4). De
grote verdrukking is voorzegd: a.
aan de volken der aarde (Ezech. 30:3; Ier. 25:15-17; 26:29-33; Obadja 15-16;
Hag. 2:21, 22); b.
aan Israël, als “een tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jer. 30:5-7). Wellicht
vraagt u zich af wat het lot van de Gemeente zal zijn gedurende de vreselijke
tijd van de grote verdrukking. Met zekerheid kunnen wij uit de bijbel opmaken,
dat, terwijl de aarde wankelt onder de zweepslagen Gods, de Gemeente met haar
Heer en Heiland verenigd is in de hemel (1 Thess. 4:17b). De Bruidegom zal Zijn
bruid van de aarde wegnemen, nog voor die gehuld wordt in de nacht van boosheid
en geweld van de wrake Gods. Juist zoals Henoch werd weggenomen voor de
zondvloed kwam. Reeds
in het begin van de Dag des Heren zien wij de Gemeente voltallig in de hemel,
voorgesteld in de vierentwintig oudsten, die rondom de troon van God zijn
geschaard. Bovendien is daar de belofte van de Heiland: “Omdat gij het bevel
bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure
der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal” (Openb. 3:10). In
het bijzonder heeft de hiergenoemde “ure der verzoeking ¬ betrekking op de onherroepelijke keuze, die ten overstaan van het
“beeld van het beest” ¬ zal
moeten worden gedaan door iedere sterveling. Dit beeld zal door de valse
profeet ¬ worden opgericht op het tempelplein te Jeruzalem en moet door ieder
worden aangebeden, op straffe van vervolging en een afschuwelijke dood. Zij,
die daaraan gehoorzamen, ontvangen een merkteken op rechterhand of voorhoofd, dat
huil leven veilig stelt en maatschappelijk verkeer waarborgt. De weigeraars,
die de God des hemels niet willen verzaken, worden overgeleverd aan de satanische
woede en wreedheid van de antichrist. O,
waarom hebben zij het heil in Christus niet aangegrepen toen het nog was de dag
der genade, dan zouden zij niet voor deze zware keuze geplaatst zijn geworden.
De weigeraars hebben echter overwonnen en God zal hun standvastigheid en trouw
niet onbeloond laten. Want Johannes ziet hen als gezaligden staan voor de troon
Gods, in het witte kleed der gerechtigheid en niet de palmtak der overwinning
in de hand. De vraag rijst onwillekeurig: op grond waarvan hebben die mensen in
de ure der uiterste verzoeking het merkteken van het beest ¬ kunnen weigeren en ten koste van hun leven de zijde van God kunnen
kiezen? Hoe kwamen zij in die tijd aan Godskennis en geloof? Hierbij
moet in de eerste plaats niet vergeten worden, dat zich bij de opname der
Gemeente ¬ onder de achterblijvenden ongetwijfeld zeer veel godsdienstige mensen
zullen bevinden, die wij zouden kunnen vergelijken met de dwaze maagden uit de
gelijkenis. Wellicht zeer meelevende leden van hun kerk of gemeenschap. Zij
hebben Jezus Christus echter nooit aangenomen als hun persoonlijke Verlosser en
Zaligmaker er. zijn daardoor ook niet het nieuwe leven der wedergeboorte deelachtig
geworden. Zij menen stellig “er ook bij te behoren”; maar als zij zich niet
overgeven aan Jezus Christus zullen zij straks kloppen aan een gesloten deur.
Dan blijft hen slechts de duisternis van de nacht, waarin behoudenis door
genade alleen niet sneer mogelijk is. Hoevelen zullen zich dan met wanhoop en
wroeging afvragen: Waarom heb ik altijd de roepstern van Jezus in mijn hart versmoord?
Waarom heb ik telkens weer de gevaarlijke weg van het uitstel gekozen …? Intussen
is het wel duidelijk geworden, dat er tijdens de grote verdrukking velen
zullen zijn, die het evangelie kennen. Ook zal God in die tijd nog een speciale
engel zenden, die vanuit het luchtruim “een eeuwig evangelie” zal verkondigen
(Openb. 14:6, 7). Wat dit evangelie voor boodschap behelst, wordt niet
vernield. Het gaat gepaard met een oproep tot het brengen van eer en aanbidding
aan de God des hemels en een waarschuwing voor het laatste oordeel, waarin
allen, die het merkteken van het beest ontvangen hebben, verwezen worden naar
de poel des vuurs. Ook
zal het woord van God nog worden verkondigd door twee getuigen ¬ die gedurende drieënhalf jaar onder zeer bijzondere omstandigheden
zullen profeteren (Openb. 11:1-14). Hoevelen
tijdens de grote verdrukking ook nog de goede keuze mogen doen, het gros der
aardbewoners blijft onder de oordelen Gods onbekeerlijk en neemt zelfs toe in
goddeloosheid en verharding. Zelfs als bij het blazen van de zesde oordeelsbazuin
een derde deel der mensheid gedood wordt door vuur, rook en zwavel, komt er
geen verootmoediging voor God (Openb. 9:13-21). De verzengende hitte door de
vierde toornschaal teweeggebracht, brengt evenmin de mensen tot bekering, maar
doet integendeel de naam van God des te meer lasteren (Openb. 16:8, 9). Ook
Israël zal in de tijd der grote verdrukking een zeer hachelijke positie
innemen, ja, juist voor Israël zal het zijn “een tijd van benauwdheid voor
Jakob” (Jer. 30:5-7). Nog altijd onbekeerlijk van hart en hardnekkig in het
verwerpen van Christus als Messias, zal God hen in de smeltkroes van de grote
verdrukking moeten werpen, om tenslotte met dit volk tot zijn groot en heerlijk
doel te kunnen komen (Zach. 13:8, 9). De
satan zal echter alle pogingen in het werk stellen om het volk Israël tot de
laatste man uit te roeien, teneinde daardoor het Koninkrijk van Christus
onmogelijk te maken. Maar God zal deze pogingen verijdelen en zorgen dat een
rest overblijft. Een engel krijgt opdracht om uit de twaalf stammen 144.000
Israëlieten te verzegelen, opdat deze bewaard blijven in de gerichten (Openb.
7:1-8). Gedurende
een bepaalde tijd zal er in de periode van de antichrist ook een “kerk” zijn,
echter geheel aangepast aan de goddeloze doelstellingen van deze “mens der
zonde”. In Openb. 17 zien wij, hoe de Laodiceakerk in die dagen is uitgegroeid
en verworden tot een religieus monstrum. Zij wordt afgeschilderd als “de hoer
op het beest” en draagt de naam: “moeder der hoererijen”. De zetel van deze
kerk is gevestigd te Babylon = Rome. Voor bijzonderheden over deze valse kerk,
haar oorsprong en haar ontzettend einde (Openb. 18) verwijzen wij naar het
artikel “Babylon”. Het
einde van de laatste jaarweek ¬
loopt uit op het grote Armageddon ¬ der
volken. De draak, de antichrist en, de valse profeet zullen hun onreine geesten
doen uitgaan tot de machthebbers in de wereld, ten einde hun legers te
mobiliseren tot een laatste oorlog tegen de Here en Zijn Gezalfde (Openb.
16:13, 14). Deze
oorlog - waarvan u de bijzonderheden vindt in het artikel “Armageddon” - wordt
de eindkrijg der volken, de finale der menselijke heerschappij. Zij zal uitlopen
op de volkomen nederlaag van satan, die gebonden wordt en in de gevangenis geworpen,
terwijl de antichrist en de valse profeet levend geworpen worden in de poel des
vuurs. Zo
zal de wederkomst des Heren een definitief einde maken aan de “tijden der
heidenen” ¬ en daarmee aan de heerschappij der volken. In Openb. 19:11-16 zien wij
Hem glorieus als overwinnaar tevoorschijn komen en zich in majesteit manifesteren
als de Koning der koningen en de Here der heren. Met
het Armageddon is ook tevens geëindigd de tijd van de grote verdrukking. Hieronder
volgen nog enkele teksten, die over de grote verdrukking op de Dag des Heren
handelen: Jesaja 13:6-13; 24:17-21; 26:20-21; 33:10-14;
42:13-15a; 66:14-16. Jeremia 30:23-24. Ezechiël 30:2-3. Joël 1:15; 2:1-2:11. Zefanja 1:14-18. Amos 5:18-20. Maleachi
4:1. GROTE WITTE TROON (® Laatste oordeel). GRUWEL DER VERWOESTING of “verwoestende gruwel”. Uit verscheidene plaatsen in de bijbel
blijkt, dat met “gruwel” moet worden gedacht aan een afgodsbeeld (zie bijv.
Deut. 27:15, Jes. 44:19 enz.). In Dan. 11:31 wordt gesproken over het oprichten
van “een gruwel, die verwoesting brengt”. Dit geschiedde door Antiochus
Epifanes ¬, koning van Syrië (175 - 164 vC). Het Joodse volk was onder zijn heerschappij
gekomen en werd door hem op de meest kwalijke wijze bejegend. De uitoefening
van hun godsdienst werd verboden en op het brandofferaltaar in de voorhof van
de tempel werd een afgod, een “gruwel” opgericht. Om de joden te krenken en
vooral ook om hun God te onteren moesten op het altaar zelfs zwijnen worden
geofferd, het meest onreine dier in Israël. Zie verder voor deze ontheiliging
Dan. 8:11-12. Ook Dan. 12:1 1 spreekt van een “gruwel der verwoesting”, maar
daar ziet de profeet in de verre toekomst van de eindtijd. In Matth. 24:15 vinden
we deze profetie door Jezus aangehaald, waaruit kan worden vastgesteld, dat
het hier gaat over de tijd van de grote verdrukking ¬ en van de antichrist ¬
Israël zal dan weer een tempel hebben (Matth. 24:15; Mark. 13:14; 2 Thess. 2:3;
8:12; Openb. 13:14-15), die evenals in de dagen van Antiochus Epifanes op
godslasterlijke wijze ontheiligd zal worden. Ook in dit verband wordt door
Jezus de term “gruwel der verwoesting” gebruikt. Er is dan ook alle aanleiding
om hierbij te denken aan het beeld van het beest ¬, dat ten tijde van de antichrist in Jeruzalems tempel, de “heilige
plaats”, zal worden opgericht (Openb. 13:14-15) door de valse profeet ¬. H
HADES (® Dodenrijk). HALLELUJA
(Hebr. Hallelu Jah = looft de Here). Deze uitroep werd -evenals “amen” -
dikwijls gebezigd in de tempelliturgie en in de latere synagogediensten.
Hiermee werden de aanwezigen uitgenodigd hun lofprijzing te brengen aan de
Allerhoogste. Volgens rabbi Jozua ben Levi was dit de incest verkieslijke uitdrukkingsmogelijkheid
tot lofzegging, omdat in deze term zowel de Naam van Jahwe (Jah’) als de
lofzegging “hallelu” voorkomen. De cyclus van de Psalmen 113-118 heet bij de
Joden het “Hallel”, dat gezongen wordt bij de Paasmaaltijd. Ook de lofzang,
waarmee het laatste avondmaal van Jezus met Zijn discipelen werd beëindigd,
behoorde tot dit “Hallel” uit de Psalmen (Matth. 26:30; Mark. 14:26). In
het boek Openbaring worden een viertal daverende Hallelujah’s vermeld. Drie
daarvan betreffen een massale lofprijzing van de hemelbewoners, die oprijst na
de voltrekking van het oordeel over Babylon ¬ (Openb. 19:1-4), terwijl een vierde halleluja met het geluid als van
vele wateren en zware donderslagen door de hemel weergalmt, als de Bruiloft des
Lams ¬ plaatsvindt (Openb. 19:6-8). HARMAGEDDON (® Armageddon). HEERSCHAREN.
Dit woord, dat veelal ook in de profetieën wordt gebruikt, is de vertaling van
het Hebr. “tsebaoth”. In Ex. 12:41 en Joz. 5:14 worden met “heerscharen” de
legers van het volk Israël aangeduid, later ook de hemelse engelenmacht (Richt.
5:20). De Here der heerscharen is God, die zowel de heerschappij heeft over
Israëls legerscharen als over de hemelse. Als zodanig komt Hij dikwijls voor in
de profetieën van Jesaja en Jeremia. HEILIG, HEILIGEN, HEILIGHEID. Een enigszins afdoende verklaring van deze begrippen zou ons dermate
op het vlak der theologische wetenschap voeren, dat de doelstelling van een
werk als dit zou worden voorbijgestreefd. We willen ons dan ook slechts
beperken tot het doen van een poging tot wegneming van een zeker misverstand,
dat vaak wordt opgeroepen bij woorden als bovenstaande. Menigmaal wordt daarbij
immers gedacht aan zondeloosheid of een toestand van ethische volmaaktheid?
Toch is dit ten enenmale onjuist, want de grondgedachte van het woord heilig is
niet zondeloos of volmaakt, maar “afgezonderd”: In
de tabernakel en later in de tempel waren bepaalde heilige voorwerpen,
gereedschappen “geheiligd”, d.w.z. afgezonderd tot de dienst van God. Ze
mochten absoluut voor geen andere bezigheid gebruikt worden. Op dezelfde wijze
zijn ook de gelovigen geheiligd - apart gezet van de wereld - om de Here en
Zijn dienst geheel toe te behoren. Zonder deze heiligmaking, dus zonder door de
Heiland apart te zijn gezet, door de wedergeboorte tot het kindschap Gods, zal
niemand de Here zien (Hebr. 12:14). Niet
minder dan zestig maal worden de gelovigen in het N.T. “heiligen” genoemd
(Hand. 9:32-41; Ef. 1:1 enz.). In Rom. 1:7 “geroepen heiligen van Jezus
Christus”: Dit predikaat werd door Paulus gegeven aan allen, die door de
wedergeboorte waren ingelijfd in het lichaam van Christus, de Gemeente Gods. HEL. Dit
woord is de vertaling van “gehenna”; dat weer afkomstig is van “gê-hinnom” =
dal van Hinnom. In dit dal, ten Z.O. van Jeruzalem, werd ten tijde van Achaz en
Manasse de afschuwelijke Molochdienst gehouden, waarbij kinderen levend ten
offer werden geworpen in de brandende buik van dit koperen afgodsbeeld. Door
koning Josia werd deze gruwelijke afgoderij drastisch uitgeroeid. Daarna wist
men aan dit dal, dat door Jeremia het Moorddal werd genoemd, geen betere bestemming
te geven, dan om tot vuilverbrandingsplaats te dienen voor de stad Jeruzalem. Aan
deze plaats, “waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust”
(Mark. 9:44), ontleende Jezus de naam “géhenna”; daarmee de eeuwige strafplaats
der goddelozen typerend. Het is de plaats der duisternis, geween en
tandengeknars (Matth. 8:12), in het boek Openbaring herhaaldelijk genoemd “de
poel van vuur en zwavel” (Openb. 19:21), soms ook de “tweede dood” ¬ (Openb. 20:14). Tot
op heden is de hel nog leeg. De eersten, die daarin geworpen worden, zijn de
antichrist en de valse profeet ¬
(Openb. 19:20). Na het Duizendjarig Rijk volgt de satan (Openb. 20:7-10),
alsmede de Dood en het Dodenrijk ¬
(Openb. 20:14). Tenslotte volgen bij het laatste oordeel ¬ allen, wier namen niet geschreven staan in het boek des levens ¬ (Openb. 20:15). Ten onrechte worden plaatsen als “het dodenrijk” en
“de afgrond” ¬ vaak vereenzelvigd met de hel. Tot deze verwarring heeft de
Statenvertaling niet weinig bijgedragen, door de oorspronkelijke woorden hades
en abyssus (dodenrijk en afgrond) meestal te vertalen met “hel”: Zeer terecht
is in de nieuwe vertaling dit onderscheid wel gemaakt. De
hel is eeuwig, al wordt dit ontkend in dwaalleringen als die van de zgn.
“Alverzoening”. De consequentie van die leer is, dat in de “wederoprichting aller
dingen” ¬ ook de duivel begrepen is, zodat die tenslotte ook nog zalig wordt. De
bijbel spreekt evenwel duidelijk over het eeuwige vuur, dat de duivel en de
zijnen bereid is. Vooral het boek Openbaring tekent de hel als een oord van onuitsprekelijke
verschrikking (Openb. 14:9-11). Daarom: “Zalig en heilig is hij, die deel
heeft aan de eerste opstanding ¬;
over hem heeft de tweede dood (de hel) geen macht” (Openb. 20:6a). HEMEL. Dit
woord komt in de bijbel ook vele malen in meervoud voor, zoals b.v. in Ps.
19:2: “De hemelen vertellen Gods eer” of in Ef. 4:10 “opgevaren boven alle
hemelen”: Er is in de bijbel dus sprake van meer dan één hemel. De apocriefe
boeken en de Rabbijnse literatuur hebben er twee, zeven of zelfs tien. In de
bijbel worden echter slechts drie hemelen genoemd, die onderscheiden worden in:
een wolkenhemel (Gen. 1:8, 20), een sterrenhemel (Deut. 4:19) en een hemel der
hemelen, de woonplaats van God en de engelen (Ps. 115:16). Bij
deze laatste willen we ons in dit artikel bepalen, want daar is de toekomstige
woonplaats der gezaligden, die gered zijn door het bloed van het Lam. De hemel
is niet slechts een zalige toestand, zoals nog al eens wordt beweerd, maar wel
degelijk een bepaalde plaats. Dit blijkt duidelijk uit Schriftplaatsen als
joh. 3:13; Joh. 14:3 en vele andere. Van deze hemel, waarin zich de troon van
God bevindt en waarin Christus is ingegaan, om “ons ten goede voor het
aangezicht Gods te verschijnen” (Hebr. 9:24), zijn de kinderen Gods nu reeds de
burgers (Fil. 3:20) en als zodanig in de “burgerlijke stand” van dat rijk
ingeschreven (Fil. 4:3b). Daarom zijn zij hier op aarde niet meer dan
vreemdelingen en bijwoners (Hebr. 11:13-11) en behoren zij in deze wereld
reeds nu te wandelen “als in de hemel” (Fil. 3:20 o.v.). De h
emel is er niet altijd geweest, doch werd evenals de aarde in den beginne
geschapen (Gen. 1:1). De tegenwoordige hemelen zullen er ook niet altijd zijn,
want bij het laatste oordeel zullen de aarde en de hemel vluchten voor het
aangezicht van Hem, Die zit op de grote witte troon ¬ (Openb. 20:11). “De tegenwoordige hemelen en de aarde zijn ten vure
bewaard tegen de dag van liet oordeel”... “Dan zullen de hemelen met gedruis
voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan” (2 Petr. 3:7-10). Dat
ook de hemel onder het oordeel valt, is misschien omdat deze ook verontreinigd
is geworden door de opstand van de satan, die in de hemel begonnen is en
waarbij de gevallen cherub een derde deel van alle engelen in zijn val heeft
meegesleept. Als
door Jezus Christus de volkomen overwinning is behaald over de satan en al zijn
boze geesten, dan zal het heelal door vuur worden gereinigd en komt er niet
alleen een nieuwe aarde, maar ook een nieuwe hemel (Openb. 21:1), en zal God
zijn “alles en in allen” (1 Cor. 15:28). Op
de vraag, waar ergens in het heelal de hemel moet worden gezocht, kan geen
afdoend antwoord gegeven worden. In ieder geval moet liet een plaats zijn, die
zich bevindt boven de aarde (Hand. 1:10, 11). Er zijn evenwel enkele bijbelse
gegevens, die ons heenwijzen naar een plaats ergens in de noordelijke
hemelstreken. Zo zegt Jesaja 14:13, dat God zetelt op de berg der samenkomst
“aan de zijden van het noorden”. Ook Psalm 48:3 spreekt van Gods paleizen op de
berg Sion, “ver in het noorden”. En als de profeet Ezechiël de heerlijkheid
des Heren in een visioen aanschouwt, dan komen de hemelse beelden tot hem “als
een stormwind uit het noorden” (Ez. 1:4-28). Ieder
christen zal wel eens getracht hebben zich een voorstelling te maken van de
hemel. De beelden, die hij zich daarvan in zijn fantasie heeft gevormd, zijn
echter ten enenmale onjuist, omdat de werkelijkheid iedere verbeelding te
boven gaat en geheel anders is. Het enige dat wij met zekerheid kunnen weten
is, dat het een plaats is van onuitsprekelijke schoonheid en heerlijkheid. De
hoedanigheid daarvan kan letterlijk met geen pen beschreven worden. Het is het
geheel andere, dat zich niet in aardse termen laat omschrijven. Het is voor ons
aardbewoners nu eenmaal onmogelijk om “hemels” te denken. Als Paulus in een
bijzondere openbaring opgetrokken is geweest tot in de derde hemel (2 Cor.
12:2-4), dan kan hij absoluut niet weergeven, wat hij daar heeft gezien en
gehoord. Hij probeert ook in het geheel niet er iets van na te vertellen, om de
eenvoudige reden, dat er geen woorden voor zijn. Wat de bijbel er ons evenwel
over mededeelt, is ruimschoots voldoende, om een indruk te krijgen van de
heerlijkheid en volkomenheid van die bovenaardse wereld. Straks zullen wij van
de ene verbazing in de andere vallen, als wij de wonderen des hemels mogen
aanschouwen. Dan zien wij de troon van God aan de glazen zee ¬ (Openb. 4:1-6) en ook het Lam, in het midden van de troon (Openb.
7:17); dan aanschouwen wij de stad Gods, het Nieuwe Jeruzalem ¬ met haar paarlen poorten en gouden straten en de met edelstenen
versierde fundamenten (Openb. 21-22:5); dan zien wij ook de vele miljoenen
engelen ¬. Maar het heerlijkst zal zijn, dat wij Jezus daar mogen zien, gelijk
Hij is (1 Joh. 2:2). In
de hemel is het Vaderhuis met de vele woningen, waar Jezus nu voor de Zijnen
een plaats bereidt (Joh. 14:2, 3). Straks zullen de gelovigen er hun volkomen zaligheid
vinden en zal het loon der heiligen overvloedig zijn (Matth. 5:12). Het is de
eeuwige woonplaats (2 Cor. 5:1), waar God Zelf ons een plaats heeft gegeven in
Christus Jezus (Ef. 2:6). Intussen,
waar zich de hemel ook mag bevinden en hoe het er ook zal wezen, daar eens te
zijn is onze zalige hoop. Want “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft
gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, heeft God bereid voor degenen,
die Hem liefhebben” (1 Cor. 2:9). Wij moeten onze pinnen dan ook maar niet vast
in de aarde slaan, want wij wonen hier in den vreemde en zijn als pelgrims op
weg naar een beter Vaderland. Wat wij verwachten, dat is de stad met fundamenten,
waarvan kunstenaar en bouwmeester God is (Hebr. 1 1:9-10). HOERERIJ. In
het O.T. wordt de wederzijdse verhouding van God met het volk Israël vaak vergeleken
met een “huwelijksverbond”. Om die reden wordt ontrouw van de zijde van het
volk, ten aanzien van dit verbond, dan ook gelijkgesteld met ontucht (Jes.
1:21) en op tal van plaatsen in de bijbel gekwalificeerd als “hoererij”. In
die zin was Israël een zeer “overspelig” volk, welks trouweloosheid typisch
wordt weergegeven in het hoereren van Hosea’s ontuchtige vrouw Gomer (Hos.
1-3). Ook
in het boek Openbaring wordt afgoderij meermalen vergeleken niet hoererij. In
de hoofdstukken 17 en 18 wordt de valse kerk van de eindtijd gesymboliseerd in
de grote “hoer op het beest” en ook verzinnebeeld in de grote stad Babylon. Na
een laatste waarschuwing vanuit de hemel (Openb. 18:4), wordt deze stad en haar
valse religie getroffen door een vreselijk oordeel. Men leze het artikel
Babylon. HONDEN.
Deze werden in Israël tot de onreine dieren gerekend en door de mohammedanen
ook thans nog als zodanig beschouwd. In de bijbel worden honden vuilniseters
genoemd (Ex. 22:31). Toch werden ze als huisdier vaak gewaardeerd om hun trouw
en waakzaamheid. Wanneer zij echter zonder meester vaak in troepen
rondzwierven, zich voedende met aas en lijken, werden zij geschuwd en gevreesd
(1 Kon. 14:11). Dikwijls
werden de heidenen honden genoemd. Hieruit is het te verklaren, dat Jezus tot
de Griekse vrouw, die in Syro-Fenicië geboren was, zei: “Het
is niet goed het brood der kinderen (Israëls) te nemen en het de honden
(heidenen) voor te werpen”. Zo noemen de Mohammedanen de niet-islamieten nog
altijd “ongelovige honden”. In
Openb. 22:15 wordt gezegd, dat honden de Heilige Stad niet zullen mogen binnengaan.
Als “onreine” ongelovigen hebben zij geen toegang in het Nieuwe Jeruzalem ¬ (Openb. 21:27). HONGERSNODEN
waren in Israël en de omringende landen zeer gevreesde plagen, die het gevolg
waren van droogte of oorlogen. Zij kunnen beschouwd worden als oordelen Gods,
evenals het zwaard en pestilentie. In
de “ruiterstoet uit Openbaring HOOP.
Hoop is het vooruitzicht op iets goeds, dat voor het tegenwoordige blijdschap
geeft. Zo heeft de gelovige een hoopvol uitzicht op de hem voorgestelde
heerlijkheid en de vervulling van Gods beloften. Dit zijn voor het kind van God
niet slechts “mogelijkheden”, waarvan te hopen valt, dat zij nog eens werkelijkheid
zullen worden, maar zekerheden, op welker vervulling hij wacht (Rom. 8:18-30). De
hoop der gelovigen vindt haar basis in de opstanding van Jezus Christus (1
Cor. 15:14-19;1 Petr.1:3). Zij wordt in de bijbel genoemd “een anker der ziel,
dat veilig en vast is” (Hebr. 6:19) en behoort, tezamen met het geloof en de
liefde, tot de voornaamste elementen van het geloofsleven (1 Cor. 13:13). Hoop
is ook een vrucht van de rechtvaardiging (Rom. 5:1-5). De gelovige heeft veel
te hopen, maar het meest gaat zijn verwachting uit naar de “verschijning der
heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus” (Titus 2:13). Want
“wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft,
reinigt zich, gelijk Hij rein is” (1 Joh. 3:2, 3). HORENS.
Een horen is in de. bijbel het symbool van een heersend machthebber. Koningen
en goden van het Midden-Oosten droegen vaak horens, als zinnebeeld van hun macht
en rijkdom (1 Sam. 2:1, 10). In
de hoofdstukken 7 en 8 van het boek Daniël worden visioenen vermeld, waarin
verschillende gehoornde dieren voorkomen: a.
een dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk, met niet minder dan tien
horens op de kop. Het was een voorstelling van het Romeinse rijk ¬ zoals dit zich in de eindtijd opnieuw zal openbaren in een confederatie
van tien verschillende staten (Dan. 7:7). Een kleine horen, tussen de tien
andere oprijzende, zal zich dan ontpoppen als de antichrist ¬, die de dictator zal zijn van het laatste wereldrijk der menselijke
heerschappij; b.
een ram met twee horens, waarvan de ene het Medische en de andere het
Perzische rijk voorstelt (Dan. 8:3); c.
een geitenbok, met aanvankelijk één horen tussen de ogen. Deze horen stelt
Alexander de Grote ¬ voor (Dan. 8:5). Toen deze horen plotseling werd afgebroken (Alexander
stierf op jonge leeftijd), kwamen daarvoor vier andere in de plaats. Het rijk
werd namelijk verdeeld onder diens vier veldheren (Dan. 8:8). Uit
één van die vier horens sproot nog een andere voort, namelijk die van Antiochus
Epifanes ¬, de beruchte koning van Syrië (Dan. 9:9). Ook
in de visioenen van het boek Openbaring treden beesten op, eveneens voorzien
van horens op de koppen: a.
de draak ¬ met zeven koppen en tien horens (Openb. 12:3). Deze draak symboliseert
“de oude slang”; genaamd duivel en satan (:9); b.
het beest uit de zee ¬,
eveneens met zeven koppen en tien horens, die hier echter gekroond zijn (Openb.
13:1-10). Dit beest komt overeen niet het vierde dier uit Dan. 7 en stelt het
Romeinse rijk ¬ voor in zijn eindvorm van een tienstatenconfederatie. Ook wordt in dit
beest de persoon van de antichrist ¬
gesymboliseerd; c.
het beest uit de aarde (Openb. 13:11-18). Dit beest is de valse profeet ¬. Het heeft twee horens, die hem op een lam doen gelijken, maar hij
spreekt de taal van de draak. Waaruit
dit zegel bestaat, wordt niet vermeld, doch Openb. 14:1 geeft sterke aanleiding
tot het vermoeden, dat het de naam is van het Lam en Zijn Vader. Het werd door
een engel, aan wie de beschikking over het zegel Gods was toevertrouwd,
aangebracht aan de voorhoofden van de honderdvierenveertigduizend. Ten
tijde van de profeet Ezechiël heeft iets dergelijks plaatsgevonden. Toen werd
een gericht voltrokken over de inwoners van Jeruzalem, onder dezelfde omstandigheden.
Zes mannen met vreselijke vernietigingswapens moesten de straf over Jeruzalem
voltrekken. Doch ook toen werd een persoon gezonden, die de voorhoofden van de
Godsgetrouwen van een teken moest voorzien, dat hen onaantastbaar maakte voor
het verderf der wapenen (Ez. 9:1-11). Dit
is ook het oogmerk van de verzegeling der 144.000 uit de Openbaring. Temidden
van de dood en verderf brengende oordelen Gods zullen 12.000 uit iedere stam
van Israël door de verzegeling worden veilig gesteld, zodat een rest uit
iedere stam behouden blijft. Mogelijk zijn het dezelfden als zij, die
vluchtende voor de draak ¬ een
schuilplaats zullen vinden in de woestijn, die daar voor hen door God is bereid
(Openb. 12:6). Zowel
met de identificatie van de verzegelden als met hun aantal is verschrikkelijk
gesold. De Adventisten en de Jehova’s Getuigen beweren, dat zij die 144.000
zijn. Anderen zeggen, dat deze schare het totaal der gelovigen betreft. Het
kost geen moeite om het getal 144.000 symbolisch op te vatten. Maar de bijbel
zegt, dat het gaat om 144.000 verzegelden uit Israël. 12.000 uit iedere stam,
die zelfs met name worden genoemd. We hebben dus recht noch reden om daarvan
iets anders te knutselen. Al wordt in de bijbel gebruik gemaakt van
allegorische voorstellingen en getallensymbolieken, dan geeft dit geen enkel
recht om naar believen te vergeestelijken en te verdraaien, waar dit maar in de
kraam te pas komt. Ook temidden van de vele zinnebeelden in het boek Openbaring
moet, waar enigszins mogelijk, de letterlijke betekenis worden aangehouden.
Ten opzichte van de schare van 144.000 geeft dit in het geheel geen
moeilijkheden. I
ISRAEL EN ZIJN LAND.
Geen volk heeft de wereld ooit voor zoveel raadsels gesteld als het volk
Israël. Het is gebleken, dat het, bij alles wat het heeft wedervaren, het
geslacht is, dat niet voorbijgaat (Matth. 24:34). Het is het volk van God
(Deut. 6:8), dat woont in het land van God (Lev. 25:23). De geschiedenis geeft
alle aanleiding om ten aanzien van Israël te spreken over “het wondervolk
Gods”. Israël een wondervolk
Reeds
zijn ontstaan is een wonder, gezien de exceptionele geboorte van Izak uit oude
mensen als Abraham en Sara. Heel zijn bestaan is eveneens een indrukwekkende
reeks van wonderdaden van God en ook de gebeurtenissen van de laatste tientallen
jaren moeten in dat licht worden bezien. Dat het volk er nog is, is een
wonder. Dat Israël weer een natie is onder de naties, is een wonder. Dat Israël
zich weet te handhaven temidden van zoveel vijandige staten, is een wonder.
Het feit, dat de Joden na twintig eeuwen van verstrooiing onder de volken een
volk zijn gebleven en hun ras hebben bewaard, stelt de wetenschap voor een
onoplosbaar raadsel. Met
de constitutie van de staat Israël op 14 mei 1948, is de voorwaarde geschapen
voor de vervulling van eeuwenoude bijbelse profetieën en nu is het zaak om
nauwlettend acht te geven op Jezus’ wenk: “Let op de vijgenboom!” ¬. De vijgenboom is immers in de bijbel het symbool van Israël als natie.
Hoezeer gaat sedert het bestaan van de nieuwe staat ook het woord van Zach.
12:3 in vervulling, dat Jeruzalem een schaal der bedwelming is voor de naburige
volken en een lastige steen voor de Verenigde Naties. Hoezeer hebben de
omringende landen niet reeds ervaren, dat wie die steen trachtten op te tillen
er deerlijk door verwond werden. In
welke mate wetenschapsmensen van verschillende levensbeschouwing door het
raadsel Israël werden geïntrigeerd, blijkt uit enkele uitspraken. Prof.
Gunning: “De betekenis van Israël voor de volken is: het volk te zijn, dat aan
alle volken der wereld ten middelpunt strekt . . . Omdat nu Israël als het ware
volk in het middelpunt der wereldgeschiedenis staat, daarom grijpt zijn
geschiedenis in die van andere volken in”. Renan
(Frans filosoof): “De filosofie der geschiedenis faalt ten enenmale in haar
verklaring van de Jood”. Hegel
(Duits filosoof) verklaarde, dat de geschiedenis van de Jood hem als een donker
raadsel zijn leven lang gekweld heeft. De
hofprediker van Frederik de Grote gaf op diens vraag: “Geef mij eens in een
paar woorden een duidelijk bewijs voor het bestaan van God” ten antwoord: “De
Joden, Majesteit!” Mark
Twain (schrijver): “Alle dingen zijn sterfelijk, behalve de Jood. Alle andere
machten gaan voorbij, maar hij blijft. Wat is het geheim van zijn
onsterfelijkheid?” Zo
is iedere Jood, die men ziet, als een handtekening Gods onder Diens beloften
voor dit volk en een garantiebewijs voor alle nog onvervulde profetieën. Het
profetisch woord opent zeer wijde perspectieven aangaande het land en volk van
Israël. En naarmate de tijd voortschrijdt, zal steeds sterker aan de dag
treden, dat Israël de spil is, waar heel de wereld om draait. Een uitverkoren volk
Van
alle volken der aarde is er één, dat door God is uitverkoren Zijn volk te zijn
(Deut. 6:8). Niet omdat Israël op zichzelf zo uitzonderlijk was, maar omdat de
Here dit volk liefhad heeft Hij Zich daaraan verbonden met eden en beloften,
reeds aan Abraham gegeven (Deut. 7:7, 8). Nog in Egypte sprak God al door
Mozes: “Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn” (Ex.
6:6). In
zijn uitverkiezing had Israël de roeping tot het uitdragen van Gods Naam onder
de volken en Zijn licht te laten schijnen onder de heidenen. De Here van Zijn
kant heeft hen daartoe de woorden in de mond gelegd en met de schaduw Zijner
hand bedekt (Jes. 51:16). Maar
Israël heeft deze roeping verzaakt en is trouweloos geweest aan zijn verbond
met God, waardoor het terzijde is gesteld geworden. God
schiep iets nieuws om het licht der wereld te zijn: de Gemeente van Jezus
Christus. Maar als Israël zich straks, bij de Wederkomst des Heren ¬ in zak en as bekeerd zal hebben, zal het in het dan volgende
Duizendjarig Rijk ¬ volledig tot zijn doel komen en als het zendingsvolk zijn eigenlijke
roeping volbrengen. Nòg
zijn de Joden vijanden van het evangelie, maar zij blijven naar de verkiezing
geliefden om der vaderen wil. Straks zullen de afgebroken takken wederom geënt
worden op de olijfboom (Rom. 11:17-24), want “de genadegaven en de roeping Gods
zijn onberouwelijk” (Rom. 11:28, 29). Ook
was Israël uitverkoren om een koninkrijk van priesters en een heilig volk te
zijn (Ex. 19:5, 6). Hierin is Israël eveneens ongehoorzaam geweest en heeft
zich koningen gekozen naar eigen begeerten. Tot op de dag van heden heeft God
Zijn doel met het uitverkoren volk niet kunnen bereiken. Er zullen nog
vreselijke dingen moeten gebeuren, eer dit volk tot inkeer en volle verbreking
des harten zal komen. Tot zolang zal het smart op smart moeten vrezen en de
toorn van God hebben te dragen. Maar de Here weet wat Hij doet. Zijn oog is op
Israël en Hij zal het niet verder laten komen, dan nodig is. Intussen:
wee de volken, die het kwalijk zullen bejegenen, want er staat geschreven: “Wie
u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Voorwaar, zie Ik beweeg Mijn hand tegen
hen en zij zullen hun knechten ten buit worden” (Zach. 2:8). Het beloofde land
Van
alle landen der aarde is er ook slechts één, waarvan God gezegd heeft: “Dit is
Mijn land” (Lev. 25:23). Dat land is Palestina, hetwelk aan Israël en aan geen
ander land tot een eeuwigdurend erfdeel is gegeven. Reeds
bij de belofte aan Abraham zijn de grenzen door God vastgesteld geworden. Wij
vinden deze vermeld in Gen. 15:18-21; Deut. 11:24, 25; Jozua 1:2-6. Uit die
gegevens blijkt, dat de daarin aangegeven grenzen die van het huidige Israël
verre overtreffen. Nog nooit heeft Israël het Beloofde Land tenvolle bezeten;
zelfs niet in zijn grootste uitgestrektheid ten tijde van David en Salomo (zie
kaart “Het beloofde land”). Ook ten opzichte hiervan zal God echter Zijn woord
gestand doen en Zijn belofte houden. Eenmaal zal Israël zijn erfdeel ten volle
bezitten. Niet slechts voor een tijd, maar voor altoos (Gen. 13:14, 15). Bij
de inbezitneming van Kanaän was het een land overvloeiende van melk en honing.
Na de verstrooiing van het volk, in het begin van onze jaartelling, kwam het
land al spoedig onder Mohammedaans bewind en werd het, vooral tijdens de Turkse
bezetting, aan de erosie en verwoesting prijsgegeven. Dit heeft geduurd tot Tenslotte
nog even ter informatie: het land heette oorspronkelijk Kanaän = laagland,
nederland. De naam Palestina is afgeleid van Filistea, het land der
Filistijnen. In Dan. 11:41a heet het “Sieraadland” en in Ez. 38:12b “de navel
der aarde”. Gods verbonden met Israël
Een
verbond is een akkoord tussen twee partijen, die beiden daarin hun rechten en
verplichtingen hebben. Zie als voorbeeld het verbond tussen David en jonathan
(1 Sam. 18:3). Zo
heeft God ook verbonden gesloten, met personen als Noach, dat de regenboog tot
verbondsteken had; Abraham, met de besnijdenis als teken, maar ook met het volk
Israël, welk verbond werd gesloten bij de berg Sinaï. Het was het verbond der
wet, waarbij het volk zich verplichtte de wet des Heren te houden en geen
andere god dan Jahwe te vereren (Ex. 34:14). Maar Israël was een ongehoorzaam
en afkerig volk, dat telkens weer Gods wetten schond. Eeuwen later was God
bereid tot een nieuw verbond, waarbij Hij zeide: “Ik zal Mijn wet in hun binnenste
leggen en die in hun hart schrijven” (Jer. 31:31-37). Als teken van de onveranderlijkheid
van dit verbond stelde God de zon, de maan en de sterren en andere vaste
verordeningen der schepping. In Jer. 32:40, 41 wordt het een eeuwig verbond
genoemd, met daarbij de belofte gevoegd, dat de Israëlieten voorgoed in het
land zullen worden geplant. 1n Ier. 33:20-26 worden ook de Levieten in het
verbond betrokken, alsmede de troon van David, die altijd een nageslacht zal
hebben. Als teken van de onwankelbaarheid van dit nieuwe verbond worden wederom
de verordeningen gesteld van de dag en de nacht.
Zegen en vloek
In
Samaria liggen twee bergen tegenover elkander, de Gerizim en de Ebal. De
eerste wordt genoemd de berg van de zegen, de andere de berg van de vloek
(Deut. 11:29). Zowel
de zegen als de vloek zijn afhankelijk van Israëls gedragingen ten aanzien van
Gods wil en wet. In Deut. 28 wordt vanaf de Gerizim een lange lijst van beloften
uitgesproken, die als een zegen over Israël zullen komen, wanneer zij wandelen
in de weg van God. Daartegenover worden vanaf de Ebal evenzovele bedreigingen
met vloek aangezegd, indien van God en Zijn gebod wordt afgeweken. Opmerkelijk
is, dat zowel de zegeningen als de vloeken alle betrekking hebben op het aardse
leven. Voor Israël dus uitsluitend aardse zegen en aardse vloek; dit in
tegenstelling met de gemeente, die gezegend is met alle “geestelijke zegeningen
in de hemelse gewesten in Christus” (Ef. 1:3). Israël
was echter een hardnekkig en weerspannig volk, dat telkens weer de doolweg ging
en de wegen des Heren niet wilde kennen (Ps. 95:10). Daarmee heeft het zich tot
op de huidige dag gesteld onder de vloek van de Ebal. Nog altijd grotendeels
verstrooid onder de naties, vindt het geen rust temidden der volken. Hoog is de
prijs van hun ontrouw: een bevend hart, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel.
Voortdurend was en is en zal er vooral in de toekomst nog zijn de vrees voor gevaar,
ook van het leven. De dagen zullen komen, dat men angst zal hebben, zowel voor
de dag als voor de nacht (peut. 28:64-68). Dit alles vanwege Israëls ontrouw
jegens God en Zijn verbond. Israëls weerspannigheid
In
schrille woorden beschrijven de Psalmen 78, 106 en 107 de ondank van Israël
tegenover God en de wijze, waarop dit volk telkens weer de Allerhoogste heeft
getergd, door voortdurende ongehoorzaamheid en afgoderij. In Jes. 5:1-7 wordt
het geestelijk bestaan van Israël vergeleken roet een wijngaard, waarvan God de
Landman is. Hij heeft niets nagelaten om een goede oogst te waarborgen, maar
desondanks leverde de wijngaard slechts wilde vruchten op. Daarom wierp de
Landman zijn muur omver en werd de wijngaard prijsgegeven aan vertreding en
verwildering. Ook
Jezus sprak in een gelijkenis over de wijngaard Israël, waarheen de eigenaar
(God) van tijd tot tijd slaven (profeten) zond. Maar deze werden door de pachters
(Israël) buiten de wijngaard geworpen. Toen zond de heer van de wijngaard zijn
geliefde zoon (Christus), doch zelfs deze werd niet ontzien, maar verworpen en
gedood (Luk. 20:9-16). De
godsdienst van Israël had uiterlijk een schone schijn, maar was niet meer dan
een dode vormendienst, waar het hart buiten bleef (Jes. 29:13, 14). Men bracht
huichelachtige offers, die de Here tot een gruwel werden (Jes. 1:12, 13) en
men ontzag zich zelfs niet de dienst van God te verruilen voor afgoderij (Ier.
2:1 1-13). Dit
alles en vooral de verwerping van Jezus Christus als de van God gezonden Messias,
heeft de toorn van de Here doen ophopen en de terzijdestelling van Israël als
volk van God tengevolge gehad. Israël verstrooid, het land verwoest
Reeds
in Deut. 4:27 werd Israël bedreigd met verstrooiing onder de volken, wanneer
het niet zou blijven in de weg van God. Het zou worden voortgejaagd en vervolgd
(Deut. 28:64-68) en de risée worden onder de naties (Deut. 28:37). Als
straf van God werd in het )aar 721 vC het rijk der tien stammen weggevoerd naar
Assyrië, vanwaar het later onder de volken verloren is geraakt en onvindbaar
gebleven tot op de huidige dag. Het tweestammenrijk Juda ging in 587 vC in ballingschap
naar Babel, waaruit het 70 jaar later mocht terugkeren. De muren van het
verwoeste Jeruzalem werden herbouwd, de grondslag van een nieuwe tempel gelegd,
de voorgeschreven feesten weer in ere hersteld en de Wet Gods werd weer het
fundament van het Joodse bestaan. De boeken Ezra en Nehemia getuigen van een
grote geestelijke opwekking, die echter niet heeft stand gehouden, want allengs
viel het volk weer terug in een verstard en dood formalisme. Godsdienst genoeg,
maar zonder enige kracht. De vijgenboom prijkte in een prachtige bladerdos,
maar leverde geen vrucht op. Ook de komst van Jezus Christus als Zoon van God
en Zoon des mensen heeft daarin geen ommekeer teweeg gebracht. Integendeel.
Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11),
maar verworpen en gekruisigd. Zij hebben over zichzelf de vloek uitgeroepen:
“Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen” en 37 jaar later is dat bloed
in stromen beginnen te vloeien bij de inname van Jeruzalem in het jaar 70 en
nog vloeit het Joodse bloed en het zal blijven vloeien, totdat zij hun Messias
erkennen en zullen roepen: “Gezegend, Hij die komt in de Naam des Heren”. De
val en verwoesting van Jeruzalem in 70 nC werd reeds voorzegd in Micha 3:12 en
Zach. 7:14. Ook Jezus heeft daarvan geprofeteerd in Luk. 21:24. De verstrooiing
van de Joden onder de volken is begonnen na de verwoesting van Jeruzalem, maar
werd volkomen na de represailles op de mislukte opstand van Bar Kochba in 135
nC. Vanaf toen werd het land vertreden door de heidenen en tot een woestenij
gemaakt. Dit zou duren, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn. IN VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST
De tijden der heidenen
(Luk. 21:24) Deze
zijn aangevangen met de wegvoering van Israël en Juda, respectievelijk naar
Assyrië en Babel. Sinds die tijd heeft het volk geen eigen koning meer gehad en
was het onderworpen aan vreemde volken. Afwisselend werd het land bezet door de
vier grote wereldrijken, die we voorgesteld vinden in het statenbeeld ¬ uit Daniël 2. Heel lang zou het duren, voor Israël weer nationaal en
geestelijk geheel hersteld zou zijn. “Want vele dagen zullen de Israëlieten
blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde
steen” (Hosea 3:4, 5). Israëls kroon moest worden afgezet en zou omgekeerd
blijven, totdat de rechtmatige Koning komen zal (Ez. 21:25-27). |