Homofilie

 

(Dit is hoofdstuk 8 uit het boek “Actuele problemen in het licht van de bijbel.” Geschreven door Jef de Vriese, Walter Barret, Dirk Lemmes. Overgenomen met toestemming van Jef de Vriese. Klik hier voor de site van het CPC.)

 

 

A. ENKELE STATISTIEKEN

Het Kinsey rapport zegt dat 4% van de volwassen mannen in de Verenigde Staten alleen maar homofiele contacten hebben, terwijl nog een keer 6% verklaarde tussen hun zestiende en vijfenzestigste, min of meer exclusief geweest te zijn voor een periode van tenminste drie jaar. Men schat dat in Amerika momenteel ongeveer 10% van de mannelijke bevolking, en 5% van de vrouwelijke bevolking homofiel is. Dit betreft natuurlijk mensen met homofiele gevoelens: het aantal praktiserende homofielen ligt heel wat lager. Voor Nederland liggen de schattingen iets lager: 5 à 6% van de volwassen bevolking zou homofiel zijn.

Verder lijkt het er heel sterk op dat, in tegenstelling tot wat men vaak denkt, homofiele gerichtheid geen rekening houdt met sociale achtergrond, niveau van academische gevormdheid, kunstzinnigheid, godsdienstige achtergrond, enz.

In concrete termen betekent dat, als u op een bedrijf werkt met ongeveer 50 werkkrachten, u kunt verwachten dat u 2 à 3 homofiele collega’s hebt. Of dat een voorganger met een gemeente van ongeveer 150 mensen, er rekening mee moet houden dat er wel eens genoeg homofielen in zijn gemeente zouden kunnen zijn om een aparte celgroep te vormen.

 

B. TERMINOLOGIE

We zullen een onderscheid maken tussen homofilie en homoseksualiteit. Met homofilie bedoelen we dan het ervaren van seksuele aantrekkingskracht tot leden van hetzelfde geslacht (Grieks: homos=zelfde; philia=liefde), terwijl we met homoseksualiteit elke vorm van seksuele handelingen met een persoon van hetzelfde geslacht bedoelen. Iemand kan dus homofiel zijn, zonder zich aan seksueel gedrag over te geven, maar iemand kan ook homoseksueel gedrag vertonen, zonder daarom homofiele gevoelens te koesteren (b.v. man­nelijke prostituees, internaten, spelletjes in puberteit, gevangenissen, enzo­voort).

Voor deze laatste vorm van homoseksualiteit, gebruikt men ook wel de term perifere homoseksualiteit, omdat ze niet haar wortels vindt in de homofilie. Sommige homoseksuele handelingen komen echter wel degelijk voort uit homofiele gevoelens. Men gaat er dan van uit dat sommige mensen met een homofiele geaardheid geboren worden. In dat geval spreekt men van een kern‑homofilie.

We zouden dus kunnen zeggen dat iemand wel homofiel kan zijn, maar niet homoseksueel: hij kan zich alleen overgeven aan homoseksueel gedrag, al dan niet gebaseerd op homofiele gevoelens.

Homo-erotiek is een term die wel eens gebruikt wordt om homoseksualiteit aan te duiden. Met de term inversie wordt bedoeld dat de seksuele gevoelens zich “omkeren” naar een persoon van hetzelfde geslacht. Lesbisch is een term die gebruikt wordt om specifiek de seksuele aantrekkingskracht tussen vrouwen aan te duiden, maar we verkiezen deze term alleen maar te gebruiken als specificatie bij de meer algemene termen homofilie en homoseksualiteit. Tenslotte moet nog gezegd worden dat homoseksualiteit ook wel eens sodomie genoemd wordt. Deze term zullen we echter vermijden omdat ze enerzijds zeer emotioneel geladen is, en anderzijds weinig precies is.

 

C. DE GESCHIEDENIS

Het lijkt er sterk op dat prostitutie en homoseksualiteit overal gaan waar mensen gaan, dat het bijna “standaard” verdraaiingen zijn van wat God oorspronkelijk met de seksualiteit bedoeld heeft. We zullen geen volledig overzicht geven hoe homofilie en homoseksualiteit door de eeuwen heen ervaren zijn, maar wel een paar frappante feiten aanhalen die ons bij onze latere argumentatie nog van dienst kunnen zijn.

 

1. Niet altijd als “natuurlijk” ervaren

Er wordt wel eens gezegd dat in de oudheid alleen binnen het Jodendom homoseksualiteit als negatief bestempeld werd, maar de teksten uit de oudheid spreken dit tegen. Zo pleit in het Egyptische Dodenboek een man zich na zijn dood vrij van homoseksuele activiteiten, en vertelt een Assyrisch wetboek (1450‑1250 v. Chr.) ons dat ‘Wanneer iemand bij zijn naaste heeft gelegen en het overtuigend bewijs van zijn schuld is geleverd, dan zal men bij hem liggen, en hem ontmannen’.*

 

2. Kern‑homofilie niet onbekend

Naar aanleiding van Romeinen 1 wordt gesteld dat Paulus het onderscheid tussen kern‑homofilie en perifere homoseksualiteit niet kende, en dus alleen maar tegen de perverse uitingen van perifere homoseksualiteit van leer trok, maar de teksten spreken dit tegen. Homoseksualiteit was een zeer wijd verbreid verschijnsel in de Griekse cultuur, en het idee van “natuurlijke aanleg” was zeker niet onbekend. Zo laat Plato (427‑347 v.Chr.) in zijn Symposium Aristophanes zeggen dat mannen die de knapenliefde bedrijven, ‘uit natuurlijke aanleg niet veel voor huwelijk of vaderschap voelen. Aanvaarden ze die toch, dan is het slechts onder aandrang van de wet’.**

* Homofilie, Dr. J. Douma, Kampen, 1984, p.14.

** Douma, p.15.

 

3. Zware vervolgingen.

Vanaf het vroege christendom zijn homofilie en homoseksualiteit als bijzonder zware vergrijpen bestempeld, en met de gruwelijkste straffen bestraft. We weten dat homoseksuelen werden onthoofd, opgehangen, gewurgd en daarna verbrand, levend begraven, in een ton met water verdronken. Zij die meer geluk hadden, werden “slechts” verbannen of tot levenslange opsluiting in een tuchthuis veroordeeld.

 

4. Het tij keert...

Sinds het eind van de zestiger jaren is dit tij drastisch gekeerd, en nu spreekt men over het aanvaarden van onze homofiele naaste, het niet oordelen over zijn anders zijn, het grote gebod van de liefde, het niet discrimineren, enz.

 

5. Van de verborgenheid naar de openbaarheid.

Hoewel heel veel homofielen nog steeds in angst leven om als dusdanig “ontdekt” te worden, is er de laatste jaren een veel grotere openheid en ook verdraagzaamheid opgetreden.

Toch blijft homofilie een mysterieus gegeven voor de meesten, en zijn het alleen de ingewijden die de herkenningscodes opmerken. Van homofielenbars en sauna’s zijn soms wel sterke verhalen bekend, maar te weten wat er echt gebeurt, blijft vaak alleen voor de ingewijden weggelegd.

 

D. WAT ZEGT DE BIJBEL?

 

1. Het Oude Testament.

a. Genesis 19:1‑11: Sodom

De geschiedenis die hier opgetekend staat, speelt zich af nadat God aan Abraham verteld heeft dat Hij Sodom zal gaan verwoesten, want ‘haar zonde is voorwaar zeer zwaar’ (Gen. 18:20). Nadat Abraham op een geweldige manier voorbede voor de stad gedaan heeft, komen twee mannen in Sodom aan (vgl. 18:21), en Lot dringt er op aan dat ze zijn gastvrijheid zullen aanvaarden. Dan lezen we het volgende:

‘Zij hadden zich nog niet ter ruste gelegd, of de mannen der stad, de mannen van Sodom, omsingelden het huis, van jong tot oud, de gehele bevolking, niemand uitgezonderd, en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: Waar zijn de mannen die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen bij ons buiten, opdat wij met hen gemeenschap hebben’. (Gen. 19:4, 5)

Lot, als gastheer waarschijnlijk ten einde raad door de brutaliteit van de Sodomieten, probeerde nog te voorkomen dat zijn gasten homoseksueel misbruikt zouden worden door de mannen van Sodom, door hen voor te stellen hun seksuele lusten te botvieren op zijn dochters, die beide nog maagd waren. De situatie wordt op het laatste nippertje gered door een miraculeuze tussenkomst van de beide mannen, maar de volgende dag wordt Sodom verwoest omwille van zijn verregaande zedeloosheid, die zich onder andere uitte in een wijd verbreide homoseksualiteit.

Dit is de traditionele lezing van deze geschiedenis, maar de laatste jaren is daar nogal wat kritiek op gekomen. Deze kritiek centraliseert zich rond twee gedachten:

 

* Schending van het gastrecht

Men stelt inderdaad dat de zonde van Sodom niet in de eerste plaats homoseksualiteit zou zijn, maar wel de schending van het in het oosten zo hoog aangeschreven gastrecht. De Sodomieten zouden hier dan helemaal geen uiting geven aan homoseksuele gevoelens, maar eerder aan Lot (die een vreemdeling was die reeds lang in hun stad vertoefde ‑ zie v. 9) het recht ontzeggen om gastvrijheid aan deze mannen te bieden. Om deze argumentatie vol te kunnen houden wordt het Hebreeuwse woord jada, dat traditioneel als ‘bekennen, gemeenschap hebben met’ wordt vertaald, geïnterpreteerd als ‘beter leren kennen, het onderzoeken van geloofsbrieven’.

Deze lezing van dit gedeelte stelt echter drie zeer fundamentele problemen: eerst en vooral betekent jada in de directe context (v. 8) duidelijk wèl ‘bekennen, gemeenschap hebben met’, en ten tweede interpreteert Lot jada ook duidelijk in seksuele zin, want hij stelt voor om zijn gasten ‘geen kwaad’ te doen als hij in ruil zijn ‘twee dochters, die met geen man gemeenschap hebben gehad’ aan hen overlevert om te doen ‘zoals goed is in uw ogen’ (v. 8). Tenslotte wilden de mannen van Sodom kennelijk toch niet alleen maar de gasten ‘beter leren kennen’, daar ze ermee dreigen Lot en zijn familie nog ‘meer kwaad te doen dan hun’ (v. 9).

 

* Homoseksualiteit in plaats van homofilie

De tweede gedachte is dat datgene wat hier door God veroordeeld wordt, niet een stabiele homoseksuele relatie op basis van een zuivere homofiele liefde is, maar wel duidelijke en verregaande homoseksuele ontucht. ‘Het had net zo goed heteroseksuele ontucht kunnen zijn...’ gaat de gedachtengang dan. Omdat het dus niet de homoseksualiteit, maar wel de ontucht is, die hier veroordeeld wordt, kunt u uit dit gedeelte geen conclusies trekken wat betreft homofilie, zegt men.

Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat, als dit gedeelte het enige was waar de Bijbel over homoseksualiteit en homofilie sprak, die conclusies inderdaad voorbarig zouden zijn. Zoals de zaken er nu voorstaan (en zoals we in onze bespreking van de overige bijbelgedeeltes over ons onderwerp hopen aan te tonen), bevestigen de gebeurtenissen in Sodom alleen maar Gods oordeel over homoseksualiteit en homofilie. Misschien is het wel gerecht­vaardigd om te zeggen dat deze gebeurtenissen illustreren dat seks buiten het huwelijk om (en dan maakt het weinig uit of het om homofiele of heterofiele seks gaat), altijd tot excessen leidt en uitmondt in Gods oordeel.

 

b. Richteren 19:13‑30: Gibea

Deze geschiedenis vertoont opmerkelijk veel parallellen met Gen. 19, en dus worden hier ook weer dezelfde argumenten gebruikt door degenen die willen stellen dat homofilie en homoseksualiteit niet steeds tegen Gods wil ingaan. Wat betreft het gastrecht, zijn de problemen hier echter nog groter dan in Gen. 19. Als het de Efraïmiet, als gastheer, inderdaad ging om het gastrecht, en niet om de homoseksualiteit, hoe kon hij dan niet alleen zijn eigen dochter, maar ook de bijvrouw van de Leviet aanbieden? Zou hij dan niet zelf het gastrecht schenden?

Over de mannen van de stad vernemen. we dat ze volop de gelegenheid gehad hebben om de bezoeker gastvrijheid aan te bieden (v. 18‑19), maar blijkbaar was dat niet waar het hun om te doen was. Ook de schrijver van het boek Richteren blijkt niet in de eerbaarheid van hun bedoelingen te geloven: waarom zou hij hen anders met de term ‘nietswaardigen’ omschrij­ven (v. 22)?

Onder enorme druk van de omstandigheden, waar zijn keuzemogelijkheden niet eenvoudigweg tussen goed en kwaad liggen, kiest de Efraïmiet voor het mindere kwaad: heteroseksuele ontucht in plaats van homoseksuele ontucht.

Wat betreft een stabiele homoseksuele relatie op basis van zuivere homofiele liefde, vallen ook hier geen directe conclusies te trekken. Dat ligt ook anders bij:

 

c. Leviticus 18:22 en Leviticus 20:13

‘En gij zult geen gemeenschap hebben met één, die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het’. (Lev. 18:22)

‘Een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw, ‑ beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen’. (Lev. 20:13)

Het lijkt erop dat men uit deze teksten zonder meer zou kunnen concluderen dat God homoseksualiteit niet goed vindt, zelfs dat Hij het een gruwel vindt. Toch worden er ook hier de laatste jaren tegenwerpingen naar voren geschoven. De redenering gaat dan als volgt: Lev. 18:1‑30 bevat een aantal ethische wetten betreffende huwelijk en seksualiteit. Tussen deze ethische wetten zijn dan drie cultische wetten geschoven: geen kinderoffers voor Moloch (vers 21), geen gewijde homoseksuele prostitutie (vers 22) en geen bestialiteit (vers 23). Nu, gaat men verder, is de cultische wetgeving niet langer van toepassing, en daarom vervalt het verbod om homoseksuele relaties aan te knopen.

Deze redenering lijkt ons toch wel bijzonder moeilijk vol te houden. Als deze context immers cultisch zou zijn, en daarom het verbod op homo­seksualiteit zou vervallen, zouden dan ook het verbod op bestialiteit en op kinderoffers vervallen? Zeker niet! Op ethische basis zijn deze dingen al verkeerd en ze worden alleen maar erger als ze ook nog een keer in cultisch verband begaan worden.

Verder blijft het een veronderstelling om aan te nemen dat de drie betreffende verzen een cultisch gedeelte zouden zijn, dat ingeschoven is in een ethisch gedeelte over huwelijk en seksualiteit. Alle drie vormen ze een directe bedrei­ging voor de stabiliteit van het huwelijk, in welke context dan ook, en ze zijn hier dus volkomen op hun plaats. Verder is er niet alleen geen aanwijzing in de tekst waarom het over een cultisch gedeelte zou gaan, in Lev. 20 staat het verbod op homoseksualiteit gewoon tussen twee ethische verboden. Feit blijft dat deze tekstgedeelten heel expliciet spreken over homoseksuele gemeenschap. Of deze al dan niet plaatsgrijpt in een cultische context, is niet van belang voor de argumentatie. Gods Woord stelt onomwonden dat homoseksualiteit een gruwel is voor de Heer. Homoseksualiteit is even schok­kend als bestialiteit of kinderoffers. Zelfs als dit ons niet populair maakt, is het toch van essentieel belang om op dezelfde manier tegen de dingen aan te kijken als de Schrift dat doet.

We moeten er echter wel voor waken om eerlijk te blijven, en de homofiel niet te discrimineren. Ook goddeloosheid wordt een gruwel genoemd (Spr. 8:7), evenals leugenlippen (Spr. 12:22), hooghartigheid (Spr. 16:5), en het hanteren van een bedrieglijke weegschaal. (Spr. 11:1). We moeten voorzichtig zijn om geen dubbele maatstaf aan te leggen tegen de homofiel, door zijn zonde wel, en onze zonde niet als een gruwel voor de Heer te beschouwen... Zo blijft zonde zonde, wat ook de achtergrond (cultisch of ethisch), of de motivatie (liefde of lust) is. Zo blijft het loon dat de zonde geeft, de dood (Rom. 6:23), maar is de genade die God schenkt, het eeuwige leven in Christus Jezus. Eigenlijk komt het er op neer dat de (dood)straf voor de zonde ‑ of die zonde nu hooghartigheid, leugenachtigheid of homoseksualiteit heet ‑ moet worden gedragen: of plaatsvervangend door Christus aan het kruis, of door de zondaar zelf in het oordeel!

 

2. Het Nieuwe Testament

 

a. Romeinen 1:18‑32

Traditioneel zijn vooral vers 26 en 27 beschouwd als een duidelijke nieuw­testamentische uitspraak van Paulus tegen homoseksualiteit en homofilie. Het lijkt inderdaad ook allemaal erg duidelijk, maar toch gaan er de laatste jaren heel wat stemmen op die het anders zouden willen hebben. De argu­menten liggen in de lijn van de argumenten die we ook al bij de oudtes­tamentische teksten ontmoet hebben, en zouden als volgt gegroepeerd kunnen worden:

 

* homoseksualiteit in plaats van homofilie

Paulus zou zich hier niet verzetten tegen een “zuivere” en stabiele homofiele relatie, maar wel tegen het soort homoseksuele verwildering waar ook in Genesis 19 en Richteren 19 al sprake van was.

We hebben bij deze bijbelteksten al betoogd dat dit een irrelevant gegeven is: homoseksualiteit gaat in tegen Gods wil, of ze zich nu aan ons voordoet binnen een stabiele homoseksuele relatie of niet. Het is duidelijk dat Paulus in Romeinen 1 “de homoseksualiteit” in zijn algemeenheid veroordeelt.

 

* cultische ontucht

Paulus zou het hier niet hebben over “de homoseksualiteit”, maar wel over tempelprostitutie, een vorm van homoseksuele cultische ontucht. Dit zou blijken uit het feit dat homoseksualiteit in dit gedeelte verbonden wordt aan de afgodendienst (b.v. vers 23).

Wij zien echter geen enkele dwingende reden om dit aan te nemen, terwijl er wel redenen zijn om aan te nemen dat Paulus het hier heeft over homo­seksualiteit in zijn algemeenheid. Ten eerste is er de scheppingscontext waarin Paulus heel dit gedeelte plaatst (zie vers 20). Het lijkt ons niet onredelijk om te veronderstellen dat hij daarbij dacht aan:

‘...man en vrouw schiep Hij hen’. (Gen. 1:27)

en aan

‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aanhangen en zij zullen samen tot één vlees zijn. En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet’. (Gen. 2:24,25)

Natuurlijke omgang (vers 26, 27) is in deze context niet wat voor mij persoonlijk natuurlijk is, maar wel hoe God de dingen geschapen heeft! Tegennatuurlijk (vers 26) is dan alles wat tegen deze scheppingsorde ingaat. Bijgevolg zijn alle homofiele gevoelens en alle homoseksuele daden tegennatuurlijk en dus niet volgens Gods wil.

Ten tweede loopt het motief van het schepsel vereren (vers 25) als een rode draad door dit gedeelte heen. Het probleem is dat de mens niet God, maar wel zichzelf op de eerste plaats stelt, al dan niet met afgodendienst aan afbeeldingen van andere schepselen. Op die manier maakt hij zichzelf tot God.

‘Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt...’ (vers 21)

‘...zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren’. (vers 23)

‘...het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper...’ (vers 25)

‘En daar zij het verwerpelijk achtten God te kennen...’ (vers 28)

De mens dacht dus om, door zichzelf tot God te maken, God te slim af te zijn (vers 22), maar wat er in plaats daarvan gebeurde, was dat de toorn van God zich openbaarde (vers 18) over wat ze deden, en dat het duister is geworden in hun onverstandig hart. God heeft de mens aan zichzelf overgeleverd waardoor:

‑ de (heterofiele?) hartstochten de overhand gaan krijgen (vers 24).

‑ homoseksualiteit zich gaat botvieren (vers 26 en 27).

‑ er nog een heleboel andere zonden de kop gaan opsteken (vers 29‑31). Het is dus niet terecht om te stellen dat de homoseksualiteit waar Paulus het hier over heeft, van cultische aard is in de zin dat het om tempelprostitutie zou gaan, maar het is wel zo dat ze haar wortels vindt in afgoderij (in de meest ruime zin van het woord): net als andere zonden is ze daar het gevolg van.

 

* heterofiel is tegennatuurlijk

Uit wat hierboven gezegd werd over de scheppingsorde zal blijken dat ook het argument dat het voor een kern‑homofiel tegennatuurlijk zou zijn om seksuele gevoelens voor iemand ven het andere geslacht te koesteren, en dat hij, volgens dit gedeelte dus juist door zou moeten gaan met de homo­seksualiteit te praktiseren, niet bijbels houdbaar. In Gods ogen blijken homo­filie en homoseksualiteit op een even absolute manier tegennatuurlijk (en dus zonde) te zijn als moord, laster, hebzucht, twist, of het haten van God zelf (vv. 29‑30) dat zijn.

Deze redenering berust verder trouwens op de in onze tijd veel voorkomende denkfout dat: ‘Als ik het zo voel, zal het wel O.K. zijn...’ Wat Paulus in Romeinen 1 doet (net als trouwens in zijn andere brieven), is het theoretisch (theologisch) fundament voor het handelen van een christen leggen. Zijn uitgangspunt is hierbij:

‘Ik vermaan u dan, broeders, met een beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene’. (Rom. 12:1, 2)

Het gevoel is dus niet de basis van ons handelen, maar volgt op het weten en het doen!

 

b. 1 Corinthiërs 6:10 en 1 Timotheüs 1:8‑10

In deze tekstgedeelten worden vier seksuele zonden temidden van een aantal andere genoemd:

 

* hoereerders (pornoi)

Dit zijn zij die een buitenechtelijke seksuele relatie aangaan, zij het met een hoer, een getrouwde of ongetrouwde vrouw, of met wie dan ook. Ze kunnen dus zelf wel of niet getrouwd zijn. Je zou kunnen zeggen dat ze ontucht plegen.

 

* overspeligen (moichoi)

Zij plegen echtbreuk: ze zijn getrouwd, maar “breken echt” door een seksuele relatie met iemand anders aan te gaan.

 

* knapenschenders (arsenokoitai)

Letterlijk betekent dit woord: iemand die bij een man ligt als bij een vrouw, en het verwijst dus duidelijk naar (mannelijke) homoseksuelen.

 

* schandjongens (malakoi)

Dit woord betekent letterlijk “week, verwijfd”, en verwijst ook naar een homoseksueel.

Ook voor deze verzen wordt het cultus‑argument gebruikt, maar dit is niet vol te houden gezien de context van lijsten van ook andere zonden.

Het is goed om er hier toch ook al even op te wijzen dat volgens de ervaring van Paulus (vers 11) homofilie niet iets is waar niets aan te doen is! We komen hier op terug.

 

c. Efeziërs 5:12

Van dit vers wordt wel eens beweerd dat datgene wat zelfs schandelijk om te noemen is, homoseksualiteit zou zijn. Dat is niet onmogelijk, maar de verwijzing is zeker te onduidelijk om er verder een argument op te bouwen.

 

d. Mattheüs 19:12

Ook hier gaat het niet om homofielen, maar eerder om verschillende cate­gorieën van mensen, die om verschillende redenen het (heterofiele) huwelijk verzaken.

 

3 Homoseksuele relaties in de Bijbel?

 

a. De vriendschap tussen David en Jonathan

Van deze vriendschap wordt soms gezegd dat het een homofiele relatie geweest zou zijn, en dan wel op basis van de volgende twee verzen:

‘Terstond, nadat David opgehouden had tot Saul te spreken, werd de ziel van Jonathan verknocht aan David; en Jonathan had hem lief als zichzelf’. (1 Sam. 18:1)

‘Het is mij bang om u, mijn broeder Jonathan, gij waart mij zeer lief; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde van vrouwen’. (2 Sam. 1:26)

Het feit dat Jonathan David liefhad “als zichzelf”, bewijst nauwelijks dat hij homofiele gevoelens voor zijn vriend koesterde (vgl. Lev. 19:18). En de manier waarop David, zich inspande om ook Michal tot vrouw te verwerven, (1 Sam.18:15‑39) past niet in het reactiepatroon van iemand die homoseksuele verlangens in zijn leven als drijvende kracht ervaart. Verder laat de hevige passie waarin David voor Bathseba kon ontbranden (2 Sam. 11), ook aller­minst vermoeden dat hij homofiel geweest zou zijn.

Een woord van waarschuwing kan hier wel op zijn plaats zijn: diepe vriend­schappen tussen leden van hetzelfde geslacht zijn niet verkeerd, maar bijbels! Ik herinner me dat een vriend van me een keer in mijn huis voor me aan het klussen was, en dat de huisbaas aanbelde en hem vroeg of zijn “vriend” ook thuis was. Hij liet er geen twijfel over bestaan dat hij met “vriend” eigenlijk “vriendje” bedoelde! Om er van uit te gaan dat twee mannen of vrouwen geen langdurige en hechte vriendschap kunnen hebben (of zelfs samen een flat delen), zonder ‘dat er wel iets tussen die twee zal zijn’, is een wereldse houding die we als christen moeten mijden.

 

b. Ruth en Naomi

In deze geschiedenis vinden we geen enkele grond om te veronderstellen dat het hier om iets anders zou gaan dan een zeer toegewijde liefde tussen schoonmoeder en schoondochter.

 

c. Noach en Cham

Het lijkt ons bijzonder ver gezocht om te veronderstellen dat we in Genesis 9:20‑25 over een homoseksuele daad tussen Cham en zijn vader zouden lezen. Het gaat hier veeleer, zoals ook blijkt uit de reactie van zijn broers, over het feit dat hij zijn vaders naaktheid gezien heeft. Verder, zelfs al zou hij zijn vader homoseksueel verkracht hebben, of zelfs met zijn vaders instem­ming homoseksuele gemeenschap met hem gehad hebben, dan houdt dit nog niet in dat de Bijbel dit ook goedkeurt.

 

d. Jezus

Dan rest er ons nog iets te zeggen over de mogelijkheid dat Jezus (prak­tiserend?) homofiel geweest zou zijn. Hij verkoos immers ongehuwd te blijven, trok jarenlang met twaalf mannen het land rond (woonde met hen samen?), predikte over liefde die duidelijk niet alleen op de liefde tussen man en vrouw sloeg, en schuwde ook niet het lichamelijk tonen van affectie door mannen (Joh. 13:25).

Jezus zelf geeft niet zoveel onderricht over seksualiteit, maar waar Hij dit wel doet, gebeurt dit steeds in het kader van een heterofiel monogaam huwelijk (bv. Matth. 5:27‑37; Matth. 19:1‑12; Marc. 10:2‑12).

Als Jezus opengestaan zou hebben voor de mogelijkheid van een legitieme homofiele relatie, dan was dit echter volkomen in strijd geweest met zowel het oude als het nieuwe testament, en dat is, gezien zijn houding en gezien de geïnspireerdheid van de Bijbel, niet denkbaar.

We kunnen dus rustig stellen dat, zowel op tekstuele als op theologische gronden, de mogelijkheid dat Jezus homofiel geweest zou zijn, uitgesloten moet worden.

 

e. Homofilie en homoseksualiteit

Het is in ieder geval duidelijk dat de Bijbel homoseksueel gedrag veroordeelt.

Maar wat met homofilie, het verlangen naar seksueel contact met iemand van hetzelfde geslacht? De Bijbel noemt dit immers niet met zoveel woorden. Betekent dit, dat het niet verkeerd is?

Een vergelijking met Mattheüs 5:26‑27 kan ons hier helpen:

‘Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd’.

Zo ook met homofilie: homoseksueel gedrag is verboden in de Schrift. Nu kan een homofiel het niet helpen dat hij homofiele verlangens krijgt, maar als hij een man aanziet om hem te begeren, gaat hij direct tegen het gebod van Christus in. Luther zei al dat iemand het niet kan helpen dat een vogel over zijn hoofd vliegt, maar wel dat hij een nest bouwt in zijn haar...

De vraag of homoseksualiteit wel zonde is, en homofilie niet, laat echter een houding, zien die zonde oordeelt naar uiterlijkheden. Romeinen 1 laat ons in dit verband zien dat het probleem een opstandig hart is, een hart dat het schepsel vereert en dient boven de Schepper (Rom. 1:25). Dat is wat in essentie de zonde is: mezelf en mijn eigen wil boven de wil van God stellen. Deze zonde kan zich dan uiten in inversie, wat zich dan op

zijn beurt in homoseksueel gedrag kan of zal uiten. De vraag of homofilie al dan niet zonde is, is dus in zekere zin irrelevant: misschien gaat het ervaren van seksuele verlangens naar iemand van hetzelfde geslacht niet rechtstreeks tegen een gebod in de Bijbel in, maar het is in ieder geval wel een uiting van een zondig hart dat aan vernieuwing toe is!

 

E. OORZAKEN VAN HOMOFILIE

Wanneer men de literatuur terzake doorneemt, dan blijkt al heel vlug dat datgene wat iemand aanwijst als zijnde de oorzaak van homofilie, zeer sterk bepaald wordt door de vooronderstellingen die de auteur in kwestie hanteert. Mede omdat een correcte analyse in sterke mate het vinden van een goede oplossing zal beïnvloeden, blijkt hieruit eens te meer het belang van goede en juiste vooronderstellingen. Hoe dan ook blijft het de vraag of de oorzaken van homofilie enig verschil uitmaken wat betreft de ethische beoordeling van het verschijnsel. Zelfs als we met absolute zekerheid een medische of psychische oorzaak voor homofilie zouden kunnen aanwijzen, zou daarna nog de ethische vraag naar de aanvaardbaarheid van het verschijnsel gesteld moeten worden.

 

Zonder in detail te treden, kunnen we toch de meest genoemde oorzaken groeperen onder drie groepen: bio‑genetische oorzaken, psycho‑sociale oor­zaken en bijbelse oorzaken.

 

1. Bio‑genetische factoren.

Zeer weinig wetenschappers stellen vandaag dat homofilie veroorzaakt wordt door genetische factoren. Dit feit op zich stelt al een vraagteken bij het begrip kern‑homofilie, want als homofilie inderdaad (soms) aangeboren was, zouden we verwachten dat dit op een biologische en/of genetische manier na te gaan zou zijn.

Als twee belangrijkste bio‑genetische factoren worden de hormonenspiegel en chromosomenconfiguratie genoemd.

 

* de hormonenspiegel

Wetenschappelijk onderzoek heeft geen enkel direct verband tussen de hor­monenspiegel en homofiele of heterofiele gerichtheid kunnen aantonen. Pogin­gen om mannelijke homoseksualiteit om te keren door toediening van het mannelijk hormoon androgeen, versterken wel de seksuele aandrang, maar doen hem niet van richting veranderen. Wordt het vrouwelijk hormoon oestrogeen aan een mannelijke homofiel toegediend, dan verzwakt de homo­seksuele activiteit, maar hetzelfde gebeurt wanneer een heteroseksuele man het hormoon toegediend krijgt. Toediening van het geslachtshormoon beïn­vloedt dus wel de seksuele aandrang, maar niet de seksuele gerichtheid.

 

* de chromosomenconfiguratie

Sommige mensen vertonen afwijkingen in hun chromosomenconfiguratie. Vrijwel niemand brengt dit tegenwoordig echter nog in verband met homofilie.

 

2. Seculaire psychotherapie.

* Psychodynamische therapieën

Vanuit de psychodynamische therapieën zijn er verschillende scenario’s denk­baar. We noemen er een paar.

Het is mogelijk om de homofiele gerichtheid te begrijpen vanuit de orale fase in de vroeg-kinder­lijke ontwikkeling. Eén van de kenmerken van deze fase is dat moeder en kind één zijn: pas in de anale fase onderscheidt het kind zijn eigen “ik” van zijn omgeving. De moeder kan door overbescherming het kind als het ware vasthouden in de orale fase, zodat het kind een leven van en met zichzelf ontwikkelt. Het kind blijft hangen in het patroon van eenheid met de moeder en er ontstaat een grote zelfgenoegzaamheid: ‘Ik kan mezelf alles geven wat ik nodig heb, ik heb genoeg aan mezelf...’ Zelfliefde (narcisme) is het sleutelwoord. Het kind wordt “verliefd” op zichzelf, en later op wat op zichzelf lijkt: een persoon van hetzelfde geslacht.

Een ander verklaringsmodel vanuit de orale fase is dat de moeder, als het om een jongen gaat, de enige ouderfiguur is waarmee de jongen zich kan identificeren. De jongen krijgt zo’n sterke binding met de moederfiguur dat hij zich psychologisch meer vrouwelijk dan mannelijk gaat ontwikkelen en daardoor homofiel gericht wordt. Die binding met de moeder zou dan ontstaan door overbescherming door de moeder, of door het gebrek aan stimulans om de omwereld te gaan ontdekken vanwege de vader. Het kind zou zich niet van de moeder los kunnen maken en in de orale fase blijven steken. Ook de oedipale fase kan belangrijk zijn in het ontwikkelen van een homofiele gerichtheid. De oedipale fase loopt immers af wanneer het kind zijn verlangens naar de ouderfiguur van het andere geslacht gaat uitstellen. Eén van de factoren die dit proces beïnvloeden is de angst voor liefdeverlies. Deze angst kan zo groot zijn dat er een relatie van passieve onderwerping ontstaat tegenover de vader: ‘Sla mij, maar blijf van mij houden...; ik verdien straf, maar laat mij niet vallen...’ Dit uitgesproken verlangen naar liefde vanwege de vader kan dan uitmonden in liefde voor personen van hetzelfde geslacht.

Paul Morris argumenteert dat homofilie altijd een symptoom is van een dieper liggende neurose. Om dit te funderen citeert hij een deel van een gesprek dat hij had met de neuroloog Dr. Holden (Morris, 1978, p. 44): ‘...Ik ben ervan overtuigd dat homoseksualiteit altijd een neurose is, en altijd te maken heeft met... een catastrofale pijn in het eerste levensstadium, misschien zelfs vóór de geboorte van sommige kinderen,... zeker binnen de eerste maand van hun leven .... Het kind was praktisch vanaf het moment van zijn geboorte verworpen door zijn moeder, en op een warme manier al op zijn eerste levensdag door zijn vader omhelsd .... Nu begrijpt hij dat zijn eigen homoseksualiteit een poging is om terug te keren naar het goede gevoel dat de omhelzing van zijn vader hem gaf, reeds op de eerste dag van zijn leven. Het vervolg was voor hem dus een catastrofale en totale verwerping door moeder, gevolgd door een zeer goede tweederangservaring bij zijn vader, en het doorbrengen van de rest van zijn leven met het zoeken bij mannen van enige warmte’.

Morris gaat verder met te stellen dat een kind zelfs tijdens de zwangerschap reeds neurotisch kan worden, doordat de moeder onder stress staat of rookt. Het kind dat geboren wordt, is neurotisch vanaf het begin, en daardoor is het scenario voor homoseksualiteit gezet.

Dit waren maar een paar van de vele verklaringsmodellen die vanuit de psychodynamische theorieën te bedenken zijn. Zo aanvaardbaar als dit alles moge klinken, een sluitende verklaring geeft het niet. Er zijn immers te veel homoseksuelen die uit een stabiel gezin komen, en te veel heteroseksuelen zijn opgegroeid in gezinnen met ouderfiguren zoals ze hierboven beschreven staan.

 

* Rogers

Voor een Rogeriaan zal homofilie helemaal niet zo’n groot punt zijn: als men dat zo aanvoelt dan is het goed, zonder meer. Het enige probleem komt misschien wanneer men moeite heeft om te aanvaarden dat men homofiel is, en dan moet daar aan gewerkt worden. De richting van de begeleiding wordt dus bepaald door de cliënt. Welke kant de begeleiding uitgaat is voor de therapeut niet essentieel. Relevant is dat de cliënt leert leven overeenkomstig de richtlijnen van zijn eigen innerlijk gevoelen.

 

* Gedragstherapie

Voor de gedragstherapeut is het duidelijk dat iemand door bepaalde invloeden uit zijn omgeving homoseksueel gedrag aanleert. Dit zou kunnen onder invloed van een vriend, een leraar, of wie dan ook met enige invloed op de persoon in kwestie. Homofiel gedrag zou zo aangeleerd worden. Onderzoek lijkt aan te tonen dat dit niet gesteld kan worden. Homofielen verzetten zich ook vaak zelf tegen deze verklaring van hun homofilie: zij stellen eerder dat hun homofilie een geaardheid is, en geen aangeleerd gedrag.

 

3. De Bijbel.

Vanuit een bijbels denkkader kunnen we stellen dat de hierboven in het kort genoemde psycho-sociale verklaringen, wellicht een klein stukje van de realiteit beschrijven. Misschien moeten we niet uitsluiten dat voor sommigen homofilie aangeleerd is, en dat het bij anderen iets te maken heeft met de vroegkinderlijke relatie met de ouderfiguren. Maar zelfs als het zo zou zijn dat in bepaalde psycho‑sociale omstandigheden homofilie meer voorkomt dan in andere omstandigheden (wat riet onomstootbaar bewezen is), betekent dat nog niet dat we de oorzaak van homofilie aangewezen hebben! Wij hebben dan hoogstens een aantal factoren geïsoleerd die er toe bijdragen dat iemand de echte oorzaak op een homoseksuele manier gaat uiten.

Voor die echte oorzaak verwijzen we naar onze bespreking van Romeinen 1: de mens die het schepsel vereert en dient boven de Schepper, met andere woorden de zonde. Volgens de Bijbel vindt homofilie dus zijn wortels in onze zondige natuur, net zoals haat en begeren daar hun oorsprong vinden. Homoseksualiteit is dan de vrucht die deze wortel voortbrengt, zoals moorden en stelen dat zijn bij haat en begeren.

 

F. IS HOMOFILIE TE “INVERTEREN”?

Het antwoord op deze vraag zal in grote mate bepalend zijn voor de wijze waarop men tegen homofilie en homoseksualiteit aankijkt.

 

1. Bio‑genetische factoren.

Heeft homofilie een bio‑genetische oorzaak, dan is het een ziekte, en is men er dus ook niet moreel voor verantwoordelijk. Als de oorzaak in de chro­mosomenconfiguratie ligt, dan is er niets aan te doen. Is het een kwestie van hormonenspiegels, dan kan men op een kunstmatige manier hormonen toedienen.

 

2. Seculaire psychotherapie.

* Psycho‑dynamische therapieën

Hier zal de oplossing liggen in het herbeleven van de situaties van vroeger en het succesvol doorwerken van de ontwikkelingsfase waarin men is blijven steken. Ook hier kan men riet echt spreken van morele verantwoordelijkheid.

 

* Rogers

In principe zal een Rogeriaan niet streven naar het omkeren van de homofiele gevoelens, maar eventueel, indien dit het verlangen van de cliënt is, werken aan het aanvaarden van de homofilie. De vraag naar de morele verant­woordelijkheid met betrekking tot homoseksualiteit is hier irrelevant.

 

* Gedragstherapie

Door een leerproces (bv. een serie dia’s met door elkaar homoseksuele en heteroseksuele prikkels, gekoppeld aan negatieve en positieve bekrachtigers) zal men proberen homoseksueel gedrag te ontmoedigen. De vraag naar de morele verantwoordelijkheid wordt dan irrelevant: de belangrijke vraag is immers: ‘Wat is normaal? Wat past in de omgeving?’

 

3. De Bijbel.

We hebben bij de bespreking van de relevante bijbelgedeelten al gezien dat de manier waarop men tegen de Bijbel aankijkt, bepalend is voor de manier waarop men tegen homofilie zal aankijken.

Sommige christenen gaan er van uit dat het ongeoorloofd is om medemensen in hun homofiele geaardheid en beleving ervan te veroordelen. Ze laten zonder problemen de onderlinge geloofsverbondenheid in Christus tussen homofiele en heterofiele christenen gestalte krijgen in de gezamenlijke beleving van de eredienst. Ze laten de aan allen, heterofielen en homofielen, verleende gaven, ook het ambt, functioneren tot opbouw van de gemeente.

Ook bij deze benadering wordt de morele verantwoordelijkheid ver weg geschoven, en is het omkeren van de homofiele gevoelens of het opgeven van de homoseksuele praxis zelfs geen punt. Het elkaar aanvaarden wordt als “hoger ideaal” gesteld, en daarmee worden de betreffende schriftgedeelten volkomen buiten spel gezet. Uit de polemiek rond deze benadering blijkt ook duidelijk dat men bij het formuleren van dit standpunt niet ernstig rekening gehouden heeft met de relevante bijbelteksten.

Het lijkt ons dat we ons wel degelijk een oordeel kunnen vormen over homofilie en homoseksualiteit, omdat God zelf in zijn Woord ons daartoe de richtlijnen geeft.

Wij zouden zeer duidelijk de morele verantwoordelijkheid van de homofiel willen onderstrepen, en stellen dat homoseksualiteit zonde is. Niemand wordt als homofiel geboren, net zo min als men als dief geboren wordt. Factoren uit de omgeving dragen er vaak toe bij dat iemand kiest om in te gaan op elk van deze zonden, maar het is een persoonlijke keuze, waarvoor men zelf verantwoordelijk is.

Dit mag dan al veroordelend lijken, maar het is wel wat de Bijbel zegt. Verder is het ook zo dat, pas als iets als zonde erkend wordt, er ook vergeving en bevrijding kan zijn. En dat is geweldig nieuws voor de homofiel!

 

G. HOMOFILIE: COUNSELING IN DE PRAKTIJK

Vooraleer de opeenvolgende taken van de hulpverlener te bespreken, willen we toch graag een paar woorden zeggen over het bevorderen van de betrok­kenheid, omdat dit in de begeleiding van homofielen soms specifieke problemen met zich meebrengt.

Het is bij de begeleiding van een homofiel van essentieel belang om de confident hoop te geven. Dit zal misschien een hele nieuwe gedachte voor hem zijn, want vaak wordt er gezegd dat er voor homofilie geen “genezing” is: eens homofiel, altijd homofiel. In het beste geval kunt u dan leren om uw gevoelens te onderdrukken, en zo niet in de zonde van de homoseksualiteit te vervallen.

Wij stellen dat homofilie zonde is. Dat lijkt hard en onbarmhartig, maar voor de homofiel is het de meest bevrijdende uitspraak die hij maar kan horen: als homofilie zonde is, dan is er immers ook een oplossing, namelijk het vergoten bloed van Christus!

De hulpverlener moet zelf ook van deze dingen doordrongen zijn. Homofilie is zonde, en als dusdanig haat God de homofilie en homoseksualiteit. Ze zijn een gruwel voor Hem. Maar laten we eerlijk zijn en geen dubbele maatstaf hanteren: homofilie is niet erger dan andere, meer sociaal aanvaarde zonden als roddel en kleine diefstal. De straf voor elke zonde is de eeuwige dood, en de oplossing voor elke zonde ligt in het plaatsvervangend sterven van onze Heiland, en dit ongeacht de sociale aanvaardbaarheid van de zonde in kwestie. Als hulpverlener moeten we dus bijzonder voorzichtig zijn om ons niet te laten meeslepen in populaire vooroordelen.

 

1. Het probleem analyseren.

Luister in deze fase van de begeleiding aandachtig naar alles wat de confident u over zijn homofiel‑zijn vertelt. Stel vragen als de dingen niet duidelijk overkomen, en laat u hierbij niet door verlegenheid of preutsheid hinderen. Anderzijds is het niet nodig, en zelfs schadelijk, om uitgebreide verhalen aan te horen van allerlei zondige gedachten en handelingen. De gewonnen informatie is pas nuttig wanneer zij werkelijk bijdraagt en noodzakelijk is om de bijbelse oplossing beter uit te kunnen werken.

Wat heeft de confident ertoe gebracht om zich aan homofilie over te geven? Hoe ervaart hij zijn homofilie? Hoe staat hij tegenover het idee van hete­roseksualiteit? Heeft hij op dit moment een homofiele vriend? Wonen ze samen? Heeft hij een vaste vriend of verschillende losse contacten? Of beide?

Wat heeft de confident ertoe gebracht om zich aan de homofilie over te geven? Hoe lagen de relaties thuis? Heeft hij zijn ouders eventuele fouten vergeven die zij maakten? Heeft hij inzicht in het feit dat Jezus in al zijn behoeften kan voorzien en welke de weg is die hij moet afleggen om dat te ervaren? Is hij bereid om zelf vergeving te vragen voor eventueel gebrek aan eerbied voor of een veroordelende houding tegenover zijn ouders? Hoe heeft hij zich voor het eerst aan de homofilie overgegeven? Hoe voelt hij zich bij zijn homofiel‑zijn? Welke gevoelens zouden aan de basis kunnen liggen? Minderwaardigheid en zelfaanvaarding? Valse prestatiedrang? Schuld?

Hoe zit het met het godsbeeld van de confident? Rechter? Vader? Heeft hij een relatie met God? Wat voor een relatie? Heeft hij een goed begrip van wat vergeving inhoudt? Heiliging? Enzovoort.

 

2. De bijbelse oplossing ontdekken.

Is er eensgezindheid over de lezing van de verschillende bijbelgedeelten die over homofilie handelen? Over het feit dat homofilie en homoseksualiteit zonde zijn? Over de fundamentele oorzaak van homofilie?

Onderricht over deze zaken zal zeker nodig zijn, maar het mag niet bij dit onderricht in het negatieve blijven. Dingen als de scheppingsorde (man en vrouw schiep Hij hen...) en het gezin zullen zeker aan de orde moeten komen. Speciale aandacht zal nodig zijn voor het bijbels onderricht betreffende rolpatronen: wat is de plaats van de man en de vrouw in het gezin, de gemeente, de maatschappij. Erg belangrijk is hier om datgene wat de Bijbel zegt en datgene wat cultureel bepaald is, duidelijk te onderscheiden.

Er moet duidelijkheid zijn hoe God homofilie en homoseksualiteit ziet. Het is zonde, maar niet een ergere zonde dan een andere, meer sociaal aanvaarde zonde. Ook voor de homofiel is er vergeving en herstel in Christus.

Omdat de confident meer dan waarschijnlijk wel op de hoogte zal zijn van verschillende theorieën over het ontstaan van homofilie, en omdat milieu en achtergrond stimulerend kunnen werken bij het zich geven aan de homofilie, zal het nodig zijn om vanuit de Bijbel de rol van milieu en achtergrond duidelijk te maken: ze zijn belangrijk als “verleidende” factoren, maar kunnen nooit een aanleiding vormen om de schuldvraag te omzeilen of te verleggen. Misschien is de confident wel opgegroeid in een negatief milieu, maar hij heeft zelf de beslissing genomen om Gods weg niet te volgen. De confident kan een slachtoffer zijn, maar hij is een verantwoordelijk slachtoffer.

Aandacht zal ook gegeven moeten worden aan het principe van het “afleggen en aandoen”. Hoe moet het niet, en hoe moet het wel? Het is niet genoeg om iemand te vertellen dat zijn huidige levensstijl tegen Gods wil ingaat, de hulpverlener moet hem ook in liefde tegemoet treden en hem de weg tonen hoe het dan wel moet en kan.

 

3. De wil aanspreken.

Vooraleer de weg naar herstel bewandeld kan worden, moet de wil om dat te doen, aanwezig zijn.

Als uiting daarvan is het nodig om ieder homoseksueel contact onmiddellijk te verbreken: de confident moet in onthouding gaan leven. Dat heeft hij ook zelf in de hand: aan zijn homofiele gevoelens kan hij op dit ogenblik niets veranderen, maar hij kan wel homoseksuele contacten stoppen. Dit is niet onredelijk en ook niet schadelijk voor zijn persoonlijkheid. Het valt te vergelijken met een getrouwd man die een buitenechtelijke relatie heeft: hij kan misschien niet direct iets doen aan de gevoelens die hij voor die andere vrouw koestert, maar, als hij zijn huwelijk echt wil redden, zal hij wel onmiddellijk elk seksueel contact met haar moeten verbreken.

Het is belangrijk om hier een duidelijke afspraak te hebben, en ook dat de confident beseft dat de afspraak niet alleen tussen hulpverlener en confident is, maar dat God zelf betrokken partij is. Het kan de confident helpen deze afspraak op papier te zetten (contract, brief aan God...), zodat hij later, als de dingen moeilijk mochten worden, iets concreets heeft om hem aan zijn besluit te herinneren.

 

4. De oefening in de godsvrucht begeleiden.

Behalve alle homoseksuele contacten, moet de confident ook alle homofiele banden verbreken. Ga met hem na waaruit die bestaan (bars, vriendenkring, kleding, lectuur...), en geef de confident huiswerkopdrachten die hem ertoe zullen aanzetten deze contacten en banden te verbreken en in de toekomst ook te mijden.

Het is hier erg belangrijk voor de hulpverlener om voor zichzelf een antwoord te formuleren op de vraag wanneer homofiele gevoelens, of zelfs homoseksuele verlangens, ook daadwerkelijke persoonlijke zonde zijn, en wanneer ze gewoon een herinnering zijn aan het feit dat de zondige natuur in ons zich van tijd tot tijd nog steeds roert. Een voorbeeld zal het probleem misschien verduidelijken:

U begeleidt een homofiel die van beroep taxichauffeur is. Hij maakt goede vorderingen in de begeleiding, maar bij het wachten voor een rood licht betrapt hij er zich van tijd tot tijd op dat hij naar een andere jongen kijkt, en bij zichzelf bedenkt dat hij deze jongen best wel aantrekkelijk vindt.

Vervalt de confident weer in zijn oude zonde? Daar is moeilijk een pasklaar antwoord op te geven, maar u moet wel oppassen dat de maatstaf die u voor een homofiele confident aanlegt, niet zwaarder is dan de maatstaf die u voor een heterofiel zou aanleggen. Misschien kunnen we de zaak scherp stellen door een tweede, persoonlijk voorbeeld:

U staat als heterofiel voor een rood licht, en betrapt uzelf van tijd tot tijd erop dat uw oog valt op een persoon van het andere geslacht, en dat u die persoon best wel aantrekkelijk vindt...

Zondigt u? Dat zou kunnen, maar het hoeft niet. Het hangt er immers allemaal vanaf of u toelaat dat de vogel ook zijn nest in uw haar gaat bouwen! Zo ook voor de homofiele confident.

De huiswerkopdrachten moeten de confident er verder ook toe aanzetten om heterofiele contacten te leggen en heterofiele interesses na te streven. De confident moet zichzelf in zijn eigen sekse leren aanvaarden in Christus. Misschien is hij niet het type man of vrouw dat de maatschappij (b.v. reclame) als “mannelijk” of “vrouwelijk” beschouwt, maar in Christus kunnen we de plaats innemen die God voor ons voorbestemd heeft.

Bijvoorbeeld: In Christus mag ik mijn mannelijkheid beleven, en dat is niet hetzelfde als mijn homofiel‑zijn “onderdrukken”. Ik ben dus vrij om mijn baard te laten groeien, of om de deur voor een dame open te houden. Ik kan en mag mezelf als zodanig aanvaarden, en zo zal ik ook tot ontplooiing komen.

Bijvoorbeeld: In Christus mag ik mijn vrouwelijkheid beleven, en dat is niet hetzelfde als mijn homofiel‑zijn te “onderdrukken”. Ik ben dus vrij om een rok te dragen of het te aanvaarden als een man zijn plaats in de tram aan mij afstaat. Ik kan en mag mezelf als zodanig aanvaarden, en zal zo ook tot ontplooiing komen.

Uiteindelijk zullen ook het leggen van heterofiele contacten in het huiswerk aan bod moeten komen. Indien de confident getrouwd is, zullen de huis­werkopdrachten zich verder ook moeten richten op het innemen van de juiste plaats in het gezin (vader, moeder, echtgenoot, echtgenote…)

 

5. De begeleiding beëindigen.

Wanneer de begeleiding beëindigd kan worden, wordt in grote mate bepaald door het antwoord op de vraag wanneer een homofiel ophoudt homofiel te zijn.

Hier zijn weer geen eenvoudige en pasklare antwoorden te geven, maar het lijkt ons dat de hieronder genoemde voorwaarden toch zeker wel vervuld moeten zijn, voordat een homofiel kan zeggen dat hij “niet meer zo” is. Eerst en vooral mogen zijn homofiele gevoelens hem niet meer in de verleiding brengen om een homoseksuele relatie aan te gaan, verder moet deze ver­andering zich een tijdlang in zijn leven bevestigen, en ten derde moet de aversie tegenover een mogelijke heteroseksuele relatie verdwijnen. We gaan bewust niet zo ver om te zeggen dat het verlangen om een heteroseksuele relatie aan te gaan moet ontstaan, omdat het niet uitgesloten is dat God wil dat de persoon in kwestie ongehuwd blijft. Daar hebben wij geen zicht op.

Tenslotte moet de begeleiding met de grootst mogelijke voorzichtigheid beëin­digd worden, om terugvallen te voorkomen. Het lijkt ons aangewezen om, na de beëindiging van de intensieve begeleiding, nog tenminste één jaar maandelijks of tweemaandelijks een gesprek met de confident te hebben om te checken hoe het gaat, en om eventueel de dingen weer bij te sturen.